Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

1892—1905.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

1892—1905.

6 minuten leestijd

1892—1905.
Deze twee jaartallen blijven voor de Christelijke Gereformeerde Kerk steeds van principieele beteekenis. Wij hebben in onze stukken „strijd” er op gewezen hoe wij over de vereeniging van 1892 denken tot op den dag van heden. Zie „De Wekker” No. 6.
Thans schrijft Ds. Vonk in „De Vrije Kerk” van 14 Maart j.l. hoe hij over 1892 denkt. Zijn schrijven heeft als Hoofdredacteur van genoemd Blad ongetwijfeld ,voor ons meer dan gewone waarde. Steeds betoont Ds. Vonk dat hij tegenover de Christelijke Gereformeerde Kerk verre van afkeerig staat.
Ook in dit stuk gaat hij zoover als hij maar kan, ofschoon wij hier en daar toch wel een kantteekening zouden willen plaatsen. Het stuk is wat groot maar om zijn beteekenis geef ik het toch ter overweging aan onze lezers:
Ds. Vonk schrijft:
Zooals bekend houden onze Christelijke Gereformeerde broeders staande, dat de vereeniging van 1892 tusschen Afgescheidenen en Doleerenden (ik mag me wel even zoo uitdrukken) fout was. Niet dat die vereeniging geen plicht was. Maar ze had anders behooren te geschieden. In 1892 is door 701 „bezwaarden” uitdrukkelijk bericht, dat zij overwegend bezwaar hadden tegen wat door „voorgangers in de doleerende kerken publiek was uitgesproken en geleerd omtrent de wedergeboorte en den heiligen doop”. Daarmee was met name Dr. A. Kuyper bedoeld. Toch heeft men maar vereenigd.
Daartegen is onzerzijds opgemerkt, dat de Christelijk Gereformeerden om die reden bij de Vereeniging van 1892 niet afzijdig hadden mogen blijven, aangezien Dr Kuyper en zijn aanhang immers niet de Gereformeerde kerken zelve waren. Men had te doen met Gods Woord en de belijdenis als grondslag. Wie zegt daarmee in te stemmen moet serieus genomen worden. De ellende, die eventueel volgt, is voor rekening van den man wiens woorden en daden met elkaar streden.
Nu moet ik eerlijk erkennen, dat deze redeneering vroeger meer indruk op mij gemaakt heeft dan tegenwoordig.
Zeker, dat Dr Kuyper en de kerken niet één waren, is, letterlijk genomen, nog al glad, maar zijn invloed was enorm, gelijk onze tijd bewezen heeft, waarin het toch nota bene voorgekomen is, dat „voorgangers” van naam niet meer in staat bleken onze Geref. belijdenis anders te lezen dan zoo, dat zij er hun leer
— en dat is zakelijk Kuyper’s leer — in hoorden, dat de doop, tenminste de waarachtige doop, „aanwezige genade” verzegelt. Dat dit geschied is, is een onloochenbaar feit. Ons blad heeft de zaak cand.-Schilder herhaaldelijk besproken en op alle te onzer kennis gebrachte aanvallen in dezen van repliek gediend. Moeten we nu niet minstens erkennen, dat die 701 Christelijk Gereformeerde bezwaarden hebben gewezen op een gevaar, dat in de latere geschiedenis gebleken is een allerminst denkbeeldig gevaar te zijn geweest?
Trouwens het jaartal 1905 levert daarvan bewijs en ik zou daaraan de Chr. Geref. broeders eens willen herinneren. Ik heb gemeend te zien, dat in Christelijk Gereformeerden kring een opvatting van 1905 voorkomt, die eigenlijk, ronduit gesproken, synodalistisch is. Wanneer men meent, dat „1905” reeds de theorie van de veronderstelde wedergeboorte tot kerkleer verhief, vat men dit document even verkeerd op als onze synodalistische bestrijders.
De arbeid van Dam, Holwerda, Hulsteyn en Veenhof heeft anders bewezen, n.l. dat „1905” moet gezien als een anti-Kuyperiaansch historisch monument. Daarom zou ik liever willen, dat de Christelijk Gereformeerden een ander gebruik maakten van 1905 en op dit jaartal wijzende juist zeiden: „ziet, Geref. kerken, hoe gij zelf reeds 13 jaar na 1892, na de vereeniging, de noodzakelijkheid hebt gevoeld om aan het almaar veldwinnende Kuyperianisme een halt toe te roepen”. Zelfs kunnen zij nog verder gaan en vervolgens aantoonen, dat het Kuyperiaansche stelsel zich ook aan den „vrede” van 1905 niet heeft gestoord, totdat het, toen alle posten van belang langs den weg van vreedzame infiltratie bezet waren, in het jaar 1942, op weinig nobele wijze misbruik makend van den nood der tijden, het masker, van vredelievendheid afwierp en onvoorwaardelijke onderwerping eischte.
Immers is de poging om de aandacht van het volk af te leiden naar het kerkrechtelijke en de bezwaarden, die niet zwegen, aan de kaak te stellen als oproermakers, deerlijk mislukt. De schorsingsstorm is geluwd en menig bezwaarde wordt thans zelfs gepaaid. Op deze Utreehtsche synode werd steen en been geklaagd en van een schare gewaagd, die op het punt staat de gehoorzaamheid aan het stelsel der pas aangenomen leer op te zeggen. Daarop moet gewezen, op dat stelsel van Fatalistische aard, hetwelk naar de macht greep en...... gelukkig nog veelszins misgreep, getuige de jammerklachten op de Utrechtsche synode zelve.
Dat geeft een burger moed.
Nu moeten we, wil ik maar zeggen, uit de historie willen leeren. Wanneer de kerk van Amsterdam, waar Arminius eerst predikant was, na den goeden afloop van den strijd tusschen Gereformeerden en Arminianen ter Dordtsche synode alles nog eens van voren af aan had kunnen overdoen, zou zij dan in 1603 bij Arminius aanvaarding van het professoraat te Leiden niet nog véél heftiger hebben geprotesteerd en gewaarschuwd?
En wanneer wij in 1892 — velen onzer hebben toen toch al bewust meegeleefd — zouden geweten hebben wat wij nu weten, n.l. hoe vreeselijk de gevolgen der leer van Prof. Dr A. Kuyper eens zouden zijn, gevolgen waarvoor Kuyper zelf zou zijn teruggeschrikt, wijl hij een binding aan zijn stelsel toch blijkbaar zelf niet bepaald gewild heeft, zouden we dan minstens niet wat aandachtiger naar die 701 protesteerenden van 1892 hebben geluisterd?
Zoodat ik maar kortweg zeggen wil: een ezel stoot zich in 't gemeen, geen tweemaal aan eenzelfden steen.
Wij zijn dankbaar voor dit stuk van Ds. Vonk, maar nog niet voldaan.
In 1892 ging het niet om Kuyper maar om doleerende Kerken en daarvan schrijft Kuyper:
„Onze kerken doopen niet als konden zij door den Doop iemand wederbaren, maar in de onderstelling dat de doopeling vooraf wedergeboren is. Waar men dat niet onderstelt, mag niet gedoopt worden. Elke doopeling ook het kleinste kind, wordt dus niet gedoopt om hem daardoor eerst in het Lichaam van Christus in te lijven, maar als zijnde een lid van zijn mystiek-geestelijk lichaam.”
Mag ik Ds. Vonk vragen: Wanneer wij in 1946 schreven bovenstaande woorden en voor „onze kerken” dus geschreven zou worden „onze Christelijke Gereformeerde Kerken” enz., zou hij dan met die kerken willen vereenigen?
Ik wacht spannend zijn antwoord.

Als ik dat mag ontvangen, zullen wij verder zien.

A.(Apeldoorn)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 maart 1946

De Wekker | 4 Pagina's

1892—1905.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 maart 1946

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken