Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Rondom het kerkelijk erf

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Rondom het kerkelijk erf

De afscheiding sectarisch en „eenigheid des geloofs”.

5 minuten leestijd

Het kan den lezers van „De Wekker” bekend zijn, wat wij geschreven hebben over het blad, „Eenigheid des geloofs’”. Dienaangaande hebben wij instemming, en ook ontstemming ontvangen.
Het nummer van 20 Dec. ligt nu voor ons. Daarin vindt men een artikel, waarin niet de „eenheid”, maar zeer sterk de „gescheidenheid” wordt aangevoeld, die door een pracht leuze op het titelblad niet wordt weggewischt.
Het gaat in dat artikel over „Oorzaken van verbrokkeling”.
Hierin wordt over de Afscheiding geschreven, op een manier, die elke zoon der Scheiding kan grieven, omdat men den zin der Afscheiding en de roeping des geloofs van deze afgescheidenen totaal miskent.
Het artikel zegt o.m.
„Van deze Afscheiding hielden de christelijke vrienden zich op een afstand, omdat ze eenheid wilden en geen scheiding, bevreesd waren voor sectarisme, en daarom trouw wilden blijven aan de Hervormde Kerk.
Toch was er een nauwe verwantschap. Ook daarin, dat De Cock oorspronkelijk óók de eenheid zocht, geenszins als Scholte, sectarisch gezind was.
Integendeel. Hij kwam juist met de liberalen in conflict, omdat hij niet met hen ’t belijdend Christendom als een brokstuk van algemeene godsdienstigheid wilde zien, nog minder q.t. wilde behandeld hebben. Hij kwam op voor het uitsluitend recht van het belijdend Christendom in Christus’ kerk. Zoo kwam hij door zijn strijd met het organisatiebestuur buiten de kerk.
Naar wij meenen, was hier bij De Cocks bestrijders, maar ook bij De Cock zelf abnormale tuchtoefening. Die moest wel abnormaal zijn, omdat de organisatie de tucht-oefening niet toeliet.
Tucht-oefening nl. van handhaving der belijdenis door de wettige belijdenisorganen der kerk, met recht van beroep op het Woord van God, welks gezag in hoogster instantie gehandhaafd moest worden. Die belijdenis-organen ontbraken in die organisatie, en beroep op Gods Woord kende ze niet. Zoo ontaardde de tucht-oefening noodwendig in handhaving tegenover elkaar van eigen confessioneel of niet-confessioneel standpunt.
Nu bleef echter na zijn afzetting ook buiten de kerk voor De Cock het conflict met de „neutrale” overheid. Dit bleek terstond, toen hij met zijn vrienden te Ulrum en elders voor zijn kerk erkenning vroeg als „Christelijk Gereformeerde Kerk onder het kruis in Nederland”, dus feitelijk als voortzetting van de kerk der Reformatie hier te lande.
Deze erkenning werd geweigerd. Mannen als Budding, die zonder erkenning predikten bracht dit in de gevangenis. Niet eerder kon erkenning worden verkregen dan, toen ze zich den naam: „Christ afgescheiden Gemeente lieten welgevallen. Met andere woorden: eerst toen ze dezelfde secte-positie buiten de Hervormde Kerk voor hun gansen kerk aanvaardden, als waarin het belijdend Christendom in die kerk gedrongen werd.
Dit gaf later Kohlbrugge aanleiding tot de uitspraak: „In haar ontstaan erken ik de afgescheiden gemeente niet’ als de gemeente des Heeren. Allerminst in de wijze waarop de afgescheiden gemeente haar erkenning bekomen heeft, want zoo hebben zij zich tot een secte gemaakt.”
De vraag dringt zich hierbij toch tevens aan ons op of de positie van Kohlbrugge’s Elberfeldsche gemeente later van deze positie geheel en al verschilde.
Hier blijkt nu o.i. een zeer voorname oorzaak van sectarische verbrokkeling van ’t belijdend Christendom hier te lande.
En dat dan tweeërlei.
Een uitwendige oorzaak en een inwendige. Hierboven beschreven we de uitwendige; die bestond in de dwang van een neutrale staat, die het belijdend Christendom in een sectepositie drong. Niet alleen Ds. De Cock moest dit ondervinden, ook Ds. Molenaar stuitte, hoewel op andere wijze, op die dwang, toen hij het waagde in een „Adres aan alle mijne Hervormde Geloofsgenooten”, tegen de dubbelzinnigheid der proponentsformule te protesteeren en het samenkomen eener groote synode voor kerkherstel te eischen, waarmee hij zich de toorn des konings op den hals haalde.
Aan dien dwang was geen ontkoming in de Hervormde Kerk. Maar o.i. ook niet er buiten. Wel werd de afgescheiden kerk van directe staatsinmenging bevrijd. Maar deze bevrijding was toch slechts zeer betrekkelijk. Ze werden nl. bevrijd eerst nadat de vrije kerken q.t. op boven beschreven wijze feitelijk als sectekerken waren gestempeld. Ze bleven in de secte-hoek gedrongen.”
Wie met aandacht dit artikel kan lezen behoeft niet meer te weten. De Secte-hoek zegt genoeg.
Wat zou mij dit fulmineerend artikel aanleiding geven om scherpe critiek te leveren. Is de Afscheiding uit „eenigheid des geloofs” òf uit ongerechtigheid geboren? Want secte is zonde voor God, en zonde is ongerechtigheid.
Ik luister naar een andere stem. Het is die van Ds. A. Littooij, die in het jaar 1885 aan het adres van dergelijke mannen, als hier in „eenigheid des geloofs” de pen voeren, schreef:
„Indien het. waar is, dat wij óók hadden moeten blijven, dan is, zooals Gamaliël eenmaal in betrekking tot onze eerste „afgescheiden” en uitgeworpen broeders terecht uitkomen deed, dit ons werk NIET UIT GOD. Honderden en duizenden, waaronder ook ik mij rekenen mag, en waarvan velen reeds juichen in den hemel, hebben zich dan voor Gods heilig aangezicht vergist.”
Ja inderdaad, in wat hier het Blad „Eenigheid des geloofs” den secte-hoek noemt, liggen de parelen der waarheid, ligt de onverzwakte handhaving van de Heilige Schrift als het onfeilbaar Woord van God.
Ondanks „Eenigheid des geloofs” erken ik hier een verschil in beginsel, d.i. in belijdenis, d.i. in eenigheid des geloofs, en op één van de meest kardinale punten van ons kerkelijk besef en bestaan.
Ik wil met allen saamwerken, die den Naam des Heeren zeggen te vreezen, maar niet onder de leuze van „eenigheid des geloofs” want dat is vlagvertoon, om een lading te dekken, die wij. niet mogen vervoeren.

A. (Apeldoorn) S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 17 January 1947

De Wekker | 4 Pagina's

Rondom het kerkelijk erf

Bekijk de hele uitgave van Friday 17 January 1947

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken