Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Lenteschoon na wintertijd II

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Lenteschoon na wintertijd II

8 minuten leestijd

Want zie, de winter is voorbij, de plasregen is over, hij is overgegaan.De bloemen worden gezien op het land, de zangtijd genaakt, de stem der tortelduif wordt gehoord in ons land.Hooglied 2:11-12.

De lente heeft haar intrede gedaan! en wij hebben haar dankbaar begroet.
Wat een winter, die achter ons ligt!
De oudste onder ons kan zich niet herinneren, dat zoolang de wintervorst heeft geregeerd, als in dit jaar!
Wat hebben wij gewacht en gewacht en verlangd naar milder dagen en zachter weer! Ge hoordet bijna over niets anders meer spreken en klagen, dan over het weer en over dezen winter. En dan de brandstoffennood! En dan de huizen, waar het ziekbed stond gespreid, en waar in nauwelijks verwarmde kamers zooveel geleden werd! Ja, die winter heeft ons gepijnigd!
Thans wordt de lente te schooner en te lieflijker, omdat wij aan den winter en zijn langen duur moeten terug denken.
De winter — het is de tijd, waarin alles zoo dor en kaal en kil ons toespreekt, en de harde bodem zoo'n donkeren en doodschen aanblik geeft.
Winter — het is de tijd van de hardheid, van de onbewogenheid, van de ijsvloer, die maar niet wil smelten, en van de snerpende koude, die het gelaat striemt.
Beeld van den mensch in zijn natuurstaat, die koud en kil daarheen leeft, en niet vraagt naar zijn eeuwig lot. Hoeveel duizenden zijn er, voor wie God en hemel spoken zijn van een troebele fantasie, en voor wie de gedachten aan eeuwigheid en rechterstoel schimmen zijn uit een verdwaasd verleden.
Wat is de strenge winternacht daarbuiten vergeleken bij den winternacht der zonde, die heerscht in ieder onherboren gemoed?
Zeker, de mensch der aarde, de mensch van het vlakke leven, moge de klokken der luidruchtigheid lustig luiden, en wij hooren wel de vroolijke en lachlustige levenszangen, die zwieren en dartelen door de heldere levensluchten, maar de winternacht gaat niet voorbij; het wezen des menschen blijft de sombere donkerheid. De plasregens houden aan, d.w.z. de gevaren blijven dreigen ten doode.
Voltaire, de spotter met al wat heilig is, heeft nog niet zoo slecht getypeerd het karakter van den levenslustigen mensch: de blijdschap is maar schijn, en de smart is het werkelijke. De menschen bestaan slechts om verteerd te worden, gelijk de vlieg door de spin.
Zie, dat klinkt niet erg opgewekt, en toch dat is niet gezegd door een dominé, maar gezegd door een man, die het weeldeleven der wereld had leeren kennen en proeven in al zijn glorie, die door de wereld zelf al lachend en spottend op het gestoelte der eere is neergezet, maar die als resultaat des levens niet kon vinden de weelde van de lentepracht, maar slechts de zwartheid van den winternacht.
De winter — dat is de tijd, waarin ons innerlijk leven als een harde aardkorst is. Al komt dan de boodschap van het Evangelie tot ons, al wordt dan rijk en mild het zaad des Woords uitgestrooid, de akker des harten blijft onbewogen. Dan kunnen de klanken der genade over onze ziel golven en deinen, maar het roept alles geen levenszang op. Het blijft daar binnen stil als het graf, koud als de winter, hard als de bodem.
De winter en — de plasregen hoort dat wel samen?
Voor ons westerlingen klinkt dat wat vreemd. Maar voor den oosterling gingen winter en plasregen veelal samen. James Neil in zijn bekend boek „Palastina en de Bijbel” spreekt in dit werk van „winterregen”. Hij wijst dan op de zware sneeuwstormen en op de bruisende wateren, die in hun denderend geweld alles dreigen te vernielen. Soms, zegt hij, is de uitwerking van zulk een winterregen allerverschrikkelijkst. Zulk een tafereel stond den Heiland voor den geest, toen hij sprak van den slagregen, en van de winden en van de waterstroomen, die tegen het huis zijn aangeslagen en het is gevallen en zijn val was groot. De plasregen, dat is de dreiging, de benauwing, de kolk van den ondergang. En Neil wijst op ps. 124 „dan hadden ons de wateren overstelpt, de stroom had ons versmoord, de stoute wateren zouden over onze ziel gegaan zijn”. Zulke geweldige wateren zijn de uitbeelding van de stervensnood. En toch moet plasregen bruisen en koken, zal de lente ooit haar intrede doen.
Het is de teekening, hoe Gods Geest handelt met den mensch, dien Hij tot hooger leven, tot lenteleven opwekken wil.
Wij worden geboren uit stervensnood, uit de vuurvlam van den Sinai, uit den Noordenwind des Geestes, uit de gemeenschap met Christus' kruis en dood.
Geen opstanding in lenteschoon zonder een graf, zonder een winter, zonder den winterregen, zonder brijzeling van eigen kracht en waan.
Waarom gaat God nu met ons zulk een weg van levensgeboorte, zulk een pad tot de schoonheid van het lenteleven der ziel?
Waarom wil God ons door zulke stormvlagen doen opwaken uit den winternacht der zonde?
Wel eenvoudig, omdat wij nu eenmaal geen ijzer met handen kunnen breken, geen goud met water kunnen louteren, geen rotsen met een veertje kunnen doen wankelen. En zoo ook zal geen zondaar het gewis verderf ontkomen, of hij zal gebroken worden in de pijn der ontdekking uit den Heiligen Geest.
Eerst de winter. Eerst de plasregen. Eerst de stormvlagen. Ik denk hier aan de discipelen van den Heiland, toen Jezus, hun Meester, hun Heer en hun God, aan het smartekruis stierf, toen al hun schoonheid was vergaan, toen al hun heerlijkheid der verwachting aan den kruispaal hing, en aan den kruispaal onderging. Alles, alles weggezonken en weggeborgen ten slotte in dat donkere graf in Jozefs hof.
Zie, dat was een wintertijd, maar toch weer anders dan die van den onherboren mensch. Dat was een bewogenheid der ziel en toch ook geen lenteblijdschap. Dat was de tijd van de plasregen, van de donkere zwarte wolken, de tijd van het Jezus gemis, de tijd van de zielepijn om den Heiland. Ze hebben mijnen Heer weg genomen en ik weet niet, waar ze Hem gelegd hebben — het was het woord vol droefheid niet alleen van één Maria, maar van allen, die eens hun levensvreugde in Hem vonden, en die juist daarom nu zoo zeer verslagen waren in hun leed van droef en pijnlijke gemis.
Toen klonk er geen lied der vreugde over de velden des levens, dan alleen de diepe verzuchting:

'k Heb mijn tranen onder 't klagen
Tot mijn spijze dag en nacht,
Daar mijn spotters durven vragen.
Waar is God. Dien gij verwacht?

O, die wintertijd van zielesmart en zieleleegte, als de donkerheid zoo dik en zwaar is en de deuren gesloten zijn om de vreeze van al wat maar benauwt.
Wie weet, is er ook onder den lezerskring niet één, wiens ontstemd speeltuig der ziel hier gehoord wordt. Zou het ooit lente worden? Zou de zon met haar liefelijke stralen nog doorbreken en het licht op mijn pad werpen om alle duister op te klaren? Weet, zoo hebben de discipelen ook gedacht en geklaagd juist tegen Paschen. Zij dachten, dat de winter wel niet zou voorbij gaan, dat de plasregens zouden blijven neerstorten, dat de hoop zou beschamen — wij hoopten, dat Hij was, die Israël verlossen zou.
Dit zijn de voorgangers op weg naar de Paaschvreugde, d.i. naar de lentevreugde, naar den bloementijd en bloemengeur der liefelijke ontmoeting en begroeting van den Paasch-Vorst.
Houdt U niet vreemd over dezen gang der dingen in uw zieldoorleven.
De wintertijd, de plasregen, de stormvlagen, — dat waren de maanden der gebeden, waarop maar geen antwoord wou volgen, dat waren de nachten van tranen, die al wakend in het zoekend eeuwigheidsverlangen naar God werden doorgebracht; dat waren de dagen van het vruchteloos wachten, als wij tuurden met somberen blik over de verlaten vlakte van ons levensveld, maar de helpende hand des Heeren scheen wel verkort, en het oor van den Verhoorder der gebeden scheen zwaar om te hooren. Ja, dat zijn de dagen, waarin wij met ons zelf zoo alleen rondtobben, wanneer wet en toorn ons kunnen verschrikken, zooals de winterregens den reiziger ten doode kunnen bedreigen.
Maar laten wij nu ook letten op die andere woorden in dit zangstuk van den Bijbel. Voorbij — over — overgegaan —. Het zegt ons, dat wij moed mogen grijpen, dat wij niet de harpen aan de wilgen moeten laten hangen.
Die wintertijd, die plasregen, dit alles is de weg, waarlangs de Heere komt, om het lentelied der blijde verwachting en der zalige nabijheid in Uw ziel wakker te roepen. In het dal van Achor gaat in Christus' opstanding, de deur der hope open, en voor onzen voet ontsluit zich het nieuwe leven. De bloemen prijken, de zangtijd genaakt, en de cherub, die afsnijdt van den boom des levens, is verdwenen, om plaats te maken voor den Levensvorst. Die alle winterkoude verdrijft, Die alle benauwdheid wegneemt, en de stem der blijdschap laat hooren: dood, waar is uw prikkel, hel waar is uw overwinning. Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jezus Christus.
O lenteschoon — breek uit!
O Noordenwind en Zuidenwind doorwaai den hof, opdat zijn specerijen uitvloeien! Wij kunnen de lente bezingen, wij kunnen haar verheerlijken en tooien met een gouden krans, maar wij kunnen haar niet forceeren.
Wij kunnen er wel op wachten, wij mogen er op wachten. Ook in het geestelijk leven wisselen de jaargetijden. Alleen, er is niet zulk een regelmaat in, als in het rijk der natuur. Het ééne oogenblik is het nog winter, en het volgende oogenblik —

Godvruchte schaar, houdt moed!
Hij is getrouw, de bron van alle goed.
Zoo daalt Zijn kracht op U in zwakheid [neer.
Wacht dan, ja wacht, verlaat U op [den Heer.

A.(Apeldoorn), S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 april 1947

De Wekker | 4 Pagina's

Lenteschoon na wintertijd II

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 april 1947

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken