Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Boekbespreking

7 minuten leestijd

De worsteling om de eenheid, door Ds J. van Raalte, uitgave van J. Boersma te Enschede.

Langzamerhand begint men toch tot de ontdekking te komen in de kringen der kerken naar art. 31 D.K.O., dat het jaar 1892 nog iets meer is dan een jaartal van geschiedkundig gebeuren. Men heeft hier en daar klanken kunnen opvangen, als: „wat geschied is, is geschied” en „gedane zaken nemen geen keer.”
Zulk een oppervlakkig spreken naar den vlottenden lijn van horizontaal denken is wel het allergemakkelijkst, maar lijkt veel op de kennis van een scholier, die met wat elementair apparaat en wat jaartallen nog een redelijk figuur bij een examen wil slaan. Het kan ons verheugen, dat deze brochure van Ds van Raalte wat anders wil zijn, dan een geschiedkundig materiaal, wanneer hij de vraag wil beantwoorden: hoe staan wij thans tegenover 1892?
Aan zulk een brochure meer aandacht te geven, dan gewoonlijk aan een geschrift van dergelijke omvang gegeven wordt, ligt voor de hand. Immers het gaat tusschen beide kerkgroepen om het al of niet recht van bestaan der Christelijke Gereformeerde kerk nà 1892.
Nu geeft de schrijver van deze brochure op blz. 35 dit ook grif toe. Wat vervolgens treft is de vriendelijke critiek, die hij uitoefent, als het op het beantwoorden dezer vraag aankomt. Neen, hij behoort niet tot hen, die aanstonds klaar zijn met het rode paspoort, waarop staat: „scheurmaker”. Integendeel, hij tracht zoveel mogelijk het kerkelijk conflict uit die dagen te benaderen en het kerkrechterlijk standpunt der Christelijke Gereformeerde Kerk te belichten aan de hand van een brochure, die vóór jaren is verschenen en geschreven werd door den heer J. H. Wessels, blz. 36.
Vooreerst wil ik ds van Raalte vragen, of hij wel weet, dat deze heer Wessels later zich heeft afgekeerd van de Christelijke Gereformeerde Kerk, en dat de brochure, waarop hij zich beroept, op blz. 59 er een was om dezen stap van den heer Wessels te rechtvaardigen.
Dit moge hier vooreerst een plaats vinden, omdat ds van Raalte hier spreekt van een „getuigenis van onverdachte zijde”. Het zou veeleer moeten gezegd, dat men met zulk een getuige altijd uiterst voorzichtig moet zijn.
Maar dit zij slechts in het voorbijgaan opgemerkt, hoewel het zeer zeker moet onthouden worden om tot een juiste beoordeling der uitspraak van den heer Wessels te komen. Iemand, die een standpunt prijs geeft, is in den regel meer bevóóroordeeld dan een ernstige onderzoeker, die tot klaarheid der zaken wil komen.
Wat mij echter het meest heeft verbaasd in deze brochure van ds van Raalte is zijn totaal onjuiste belichting van het geding. Dat zal den schrijver vreemd in de oren klinken, want hij zal een voldaan gevoel hebben over zijn rustige betoogtrant, gesteund door het boekje van den heer Wessels.
De principiele fout van heel deze brochure is, dat het dogmatisch of confessioneel princiep schuil gaat achter het kerkrechterlijk princiep.

Het is wel verklaarbaar, dat de schrijver het liefst dien kant uit wil, want hij beseft heel goed de consequenties, die zouden volgen, als het confessioneel princiep werd onderstreept. En daarom houdt hij den lezer een langen tijd bezig met allerlei kerkrechterlijke vragen. Hoofdstuk 5 moet men eens vergelijken met hoofdstuk 6, en dan vindt men, dat de schrijver 17 bladzijden wijdt aan het kerkrechterlijk vraagstuk, en drie bladzijden — en dan nog heel zuinigjes — aan de confessionele kwestie. Hiertegen hebben wij een zeer ernstig bezwaar.
Dat wij in het jaar 1892 ook het kerkrechterlijk beginsel hebben onderstreept, vindt immers zijn oorzaak, dat een gezond kerkbegrip nooit buiten de belijdenis om kan opgebouwd worden. Zoo iets behoeft toch zeker aan den man, die art. 31 D.K.O. zoo sterk onderstreept, niet gezegd te worden. Wanneer de Christelijke Gereformeerde Kerk in 1892 het kerkrechterlijk princiep heeft gesteld tegenover het doleantie beginsel, vond dit zijn diepste reden in de belijdenis. Dit gaat wel wat schuil in deze brochure van ds van Raalte en men krijgt soms de indruk, alsof een kerkbegrip van bijkomstige betekenis moet geacht, en volstrekt niet kan halen bij wat de leer betreft. Het standpunt der afscheiding dat de Herv. kerk valsche kerk is, was geen afgetrokken kerkrechterlijk vraagstuk, maar was de confessionele veroordeling van dit kerkelijk lichaam. Maar naast en behalve dit kerkrechterlijk standpunt had in deze brochure volle recht moeten geschieden aan het verschil in belijdenis, dat er was tusschen de Christelijke Gereformeerde Kerk en de kerken der doleantie.
Niet een boekje van den heer Wessels, ook al wordt dat gedragen door het moderamen ener Synode, moet allereerst tot gids dienen, maar het bezwaarschrift, dat ingediend is bij de Synode der Christelijke Gereformeerde Kerk, vergaderd te Amsterdam den 7den Juni en volgende dagen.
Uit het boekje, dat ds van Raalte aanhaalt, van de hand van de heer Wessels, vergeet ds van Raalte te melden, dat de heer Wessels de leer der veronderstelde wedergeboorte noemt: „ene ontzettende dwaalleer”.
Dat werd geschreven in 1894, maar was niet anders dan een bevestiging, van wat in Mei 1892 als bezwaarschrift is ingediend bij de Synode. In dat bezwaarschrift staat te lezen: „En eindelijk is het ons een overwegend bezwaar voor Gereformeerd te erkennen, wat door voorgangeren der dolerende kerken in den laatsten tijd in het publiek is uitgesproken en geleerd omtrent de wedergeboorte en den heiligen doop.”
Waarop wordt hier gedoeld?
Om ook op hetgeen dr A. Kuyper had geschreven in: Seperatie en doleantie“ een brochure van zijn hand uit het jaar 1890. Dus slechts even vóór de vereniging. Op blz. 14 van deze brochure schrijft Kuyper:
„Onze kerken (let wel „kerken” — dat zijn die kerken, waarmede de Christelijke Gereformeerde Kerk zou hebben te verenigen S.) onze kerken dopen niet als konden zij door den doop iemand wederbaren, maar in de onderstelling, dat de dopeling vooraf wedergeboren is. Waar men dat niet onderstelt, mag niet gedoopt worden. Elke dopeling, ook het kleinste kind, wordt dus niet gedoopt om hem daardoor eerst in het Lichaam van Christus in te lijven, maar als zijnde een lidmaat van Christus d.w.z. als zijnde een lid van zijn mystiek-geestelijk lichaam.”
Gesteld eens ds van Raalte, dat de Christelijke Gereformeerde kerken vandaag aan den dag dit leerde, wat hier staat, zouden de kerken naar art. 31 D.K.O. op grond van de belijdenis willen en mogen verenigen met zulke kerken
Zegt U „neen”, dan heb U de vereniging van 1892 veroordeeld en moet U Uw eigen brochure herzien.
Zegt U „ja”, dan is Uw eigen positie als kerken een scheurmakerij en hebt U Uw eigen standpunt veroordeeld.
Inderdaad moet U het confessionele standpunt nog eens ernstiger tot punt van onderzoek kiezen, dan U tot hiertoe in deze brochure gedaan hebt.
Weet ds van Raalte wel, dat onze Generale Synode in het jaar 1893 deze leer veroordeeld heeft?
Een boekje van den heer Wessels moge in 1894 uitgekomen zijn en betekenis gehad hebben, een Synodale uitspraak in 1893 is van meer waarde. Te meer als wij bedenken, dat de Generale Synode onzer kerken nimmer een uitspraak heeft gedaan over een kerkrechterlijk standpunt, maar wel over een dogmatisch standpunt en zulk een leer der veronderstelde wedergeboorte bij den doop als in strijd met onze belijdenis heeft verworpen. Synode art. 45 anno 1893.
De oppervlakkigheid, waarmede de schrijver dit zoo ernstig vraagstuk heeft gepasseerd — want het raakt het karakter der belijdenis — is de vlek op de overigens vriendelijke houding, die hij tegenover de Christelijke Gereformeerde Kerken in deze brochure heeft willen aannemen.

A.(Apeldoorn).


Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 juni 1948

De Wekker | 4 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 juni 1948

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken