Bekijk het origineel

Pastorale brieven

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Pastorale brieven

6 minuten leestijd

Beste Vriend!

Zooals ge weet is er in den laatsten tijd, naar aanleiding van de preeken van ds Kok te Veenendaal, weer wat stof opgejaagd over de vraag naar de waarde van Christus’ voldoening. Is die waarde alleen ten opzichte van de uitverkorenen, of dient men aan Christus’ voldoening een waarde toe te kennen, genoegzaam voor de geheele wereld? Zie wat de toepassing dier waarde aanbelangt, dan geldt deze alleen den uitverkorenen; maar wat die waarde zelf aangaat, dan dienen we toch te erkennen: genoegzaam voor de geheele wereld. Of er m.a.w. één zondaar óf honderdmillioen zouden gezaligd worden, Christus had dezelfde voldoening moeten tot stand brengen. Wie goed Romeinen 5 verstaat, weet dat de Schrift tegenover de universeele „waarde” van Adam’s ongerechtigheid de universeele waarde van Christus’ werk stelt. Zoo is het ook door onzen Catechismus verstaan, als in Zondag 15 wordt gezegd, dat Christus den toorn Gods tegen de zonde des ganschen menschelijken geslachts gedragen heeft.
Het verzoenend lijden van Christus wordt niet bepaald door het aantal zondaren of door het aantal dergenen die de baten ontvangen, maar door het ondeelbare geheel van den toorn Gods. En zoo is het door onze oude theologen opgevat. Dezer dagen las ik b.v. in een der „oudvaders” daaromtrent nog een vermeldenswaardige uitlating. In het werk over de Hebreën, namelijk door den geleerden en godzaligen Hulzius, doctor en professor in de Godgeleerdheid (1725), leest men dat Christus zeer zeker de zonde wegneemt niet van allen maar van velen n.l.: dit geldt dan de vrucht, het effect van Zijn Borgwerk, maar tevens zegt Hulzius: „’t is waar dat zijn lijden voor allen zou genoegzaam kunnen zijn; … voor allen zoo het God beliefd hadde.” En hierin was Hulzius volkomen ad rem, volkomen zuiver Gereformeerd, laat ons maar zeggen, naar de aloude waarheidsopvatting.
Zonder mij te willen mengen in den strijd, welke tegenwoordig in den boezem der Geref. Gemeenten is ontbrand, wil ik toch opmerken, dat men zal wel doen deze leer der „oudvaders” niet te verdoezelen.

***

Nu we toch op het terrein van de oude literatuur zitten, nog iets.
Dezer dagen was ik aan ’t studeeren in dr Johan Owen „Uitlegging van den Zendbrief aan de Hebreën” deel VI, waarin hij o.a. caput 8 behandelt. Mij trof hetgeen hij daar verhandelt inzake het Verbond; waarbij dan ook ter sprake komt, wat men wel eens noemt de Oud-testamentische bedeeling van het Verbond. Ik zou wel wenschen, dat onze theologen eens goed doorwerkten wat Owen daarvan zegt, blz. 699 tot 754. Daarin is veel dat tot nadenken stemt, critisch, inzake de tegenwoordige beschouwingen over de „Bedeeling der Wet” in verband met de leer over het genadeverbond. Komaan vrienden dogmatici, besteedt daar eens een dagje aan. Wie weet, dan hebben wij in onze in omloop zijnde opinies naar rechts en links nog wat te corrigeeren, te verhelderen of aan te vullen. Met belangstelling zie ik uit, want volledige klaarheid is er werkelijk nog niet. Mogelijk is hier nog een bijdrage tot verheldering van hetgeen bij de kwestie „verbondbrekers” aan de orde komt.

***

En nu nog een woordje over Psalm 116. Als de dichter dan in de rechte verlegenheid met ’s Heeren weldaden komt, gaat hij eerst recht feestvieren. Ach, wat weet de wereld toch heelemaal niet, wat feestvieren is. Wat een arme wereld toch, die het moet doen met lichtjes en vuurwerken en schetterende muziek; met films en dansavondjes, enz. enz. En wat arm ook dat namaakchristendom onzer dagen met al zijn uiterlijk gebaar, maar zonder de vreugde te kennen van de zielsmeditatie in God. Wat een leege menschen toch. Laatst was iemand naar een „christelijke”(!) film wezen kijken; hij wekte z’n kameraad op, om toch ook eens te gaan; ’t was ook zoo amusant; „je lacht je kapot bij sommige gedeelten”, zei hij. Nu dan is ’t maar beter om „heel” te blijven!
Hoe vierde deze dichter van Ps. 116 feest?
Hij ging feestvieren met een opgeheven beker. Maar welke? „Ik zal den beker der verlossingen opnemen en de naam des Heeren aanroepen”.
In de oudheid was het gebruikelijke slot van een festijn een maaltijd, waarbij dan een beker rondging als zinnebeeld van wat de inhoud der vreugde was; van datgene wat de vreugde opriep. De beker; want deze houdt vloeibare stof in, dus wat zich het innigst, intens, vereenigt met onze levenscellen, het bloed wordt er uit gevoed. Daarom (nu nog) „drinkt”, niet eet, men elkaar toe.
De beker komt in de Schrift voor als zinnebeeld. De beker wordt bepaald door zijn inhoud. Zoo is er sprake van smartbekers, de lijdenskelk: ook van vreugdebekers; hier spreekt de dichter van een beker der verlossingen. De smakelijke wijn is dan beeld van de verlossingen, die God deed smaken.
Als nu de dichter zegt: ik zal den beker der verlossingen opnemen, wil dit zooveel zeggen als: ik wil eens met aandacht intens proeven, wat God aan mij gedaan heeft. Als wilde hij zeggen: o mijne ziel, neem daar nu eens een flinke teuge uit; laat nu het dankzeggend geloof smaken en proeven wat gij, de Heere, voor mij geweest zijt. Dan wordt het feest van binnen. Smaakt en proeft, dat de Heere goed is. Dan worden er feitelijk twee bekers ons voor oogen gesteld. De eene die des lijdens, welke Jezus heeft geledigd, de lijdenskelk; en dan de andere, welke de Heere als vrucht van de lijdenskelk Christi, zijn volk op de hand zet: de vreugdebeker der dankzegging vanwege het heil, ons bereid. Zulk een opnemen van den beker, om er een goede teuge uit te nemen om het heil te smaken en te proeven is de geestelijke godzalige meditatie; mijne overdenking van Hem zal zoet zijn. Watson zegt er van: meditatie is het gehemelte van de ziel, waarmede zij proeft, hoe liefelijk de Heere is. Zalige Schriftuurlijke mystiek! Uitgaande in intense waarde boven schuldvergiffenis zelfs uit. In de weldaden n.l. den Heere zelf smaken en proeven. Een heilgeheim, hetwelk niet onder woorden valt te brengen. Het heilgeheim van den verborgen omgang met God, alleen te genieten door wie vrienden van God zijn geworden (Ps. 25).
Als we dit alles overdenken, ach wat kent men dan in onze geleerde, droge, godsdienstige, alsook z.g.n. christelijke lawaaierige dagen weinig feestvreugde. Ja, Gods volk is ook vaak verre er van; vooral daar en dan, als we meer uit onze bekeering dan uit een Drie-Eenig God zelf trachten te leven. Door de weldaden in God zelf weer terechtkomen, dat kan eerst een festijn worden.
Ja, beste vriend, er is heel wat af te sterven, eer we aan zulk een feestdisch weer eens aanzitten. Wijs dan maar al die opdringerige „koks” af, en vraag of de Heere zelf u nog eens in het wijnhuis voert.
Met hartelijke groeten,
Uw vriend en broeder in Chr.,
G. Wisse

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 november 1948

De Wekker | 4 Pagina's

Pastorale brieven

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 november 1948

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken