Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Pastorale Brieven

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Pastorale Brieven

4 minuten leestijd

Beste Vriend!
Nu nog een ogenblik in den geest vertoefd in de bruiloftszaal van Luc. 14.
De gansche feestzaal vol van aanzittende gasten, alles in vollen festijnluister. Daar breekt het grote allesoverweldigende ogenblik aan; de grote Ooster-gordijnen worden weggeslagen, en daar treedt in volle majesteitschittering de Koning zelf binnen; en stijgt de vreugde ten top. Ik mag er uwe aandacht wel allernadrukkelijkst op vestigen, dat dit niet als een schrikaanjagende gebeurtenis moet worden voorgesteld, maar als het jubeltoppunt van het gansche festijn. Want de Koning kwam daar niet binnen om (zoals menigmaal geheel fout wordt voorgesteld) een onderzoek in te stellen, of er mogelijk ook iemand aanzat zonder bruiloftskleed; dus tot inspectie, en wee dan enz. Wel neen, de Koning kwam binnen, om de aanzittende gasten te overzien; niet te bezien, maar te overzien; d.w.z. niet om te gaan keuren, maar om zich te verlustigen in den aanblik van al die van heinde en verre ingebrachte gasten, allen in feestdos.
En zie, toen hij nu in welgevallen die schare overzag; vrolijk gestemd, dat die zaal toch nog was volgestroomd, en daar nu zulk een heerlijke feeststemming heerschte, allen in feestgewaad, zie toen, toen hij dat stond te overzien, toen viel dat  op, schokkend op, dat er één was, — wel aangezeten, maar niet in 't passend feestgewaad; ja, die man viel op! En die aanblik ontstemde den Koning. Dat was een dissonant in 't       ' feestgedruisch, een afstotende verschijning, die 't geheel lelijk ontsierde. Waarom de Koning hem ter verantwoording riep; want die man had door zijn daad…. het geheel ontsierd, en dat liep in ’t oog; en werd daarom zoo streng gestraft. Zuivering van het geheel, dat was het motief van de uitwerping.
Het feest mocht niet ontwijd. En als die man nu was een van die opgehaalden van de wegen, een vagebond, kon hij het dan helpen dat hij geen passend gewaad aan had? Maar vergeet dan niet, bij zulke feesten was een kledingzaal apart; waar men gratis voor zulk een avond het feestgewaad verkrijgen kon; en dat had die man in achteloosheid verzuimd. Dat was in feite een belediging van het feest, een ontering van den Koning. Zie, wie ten Avondmaal gaat, om zoo te zeggen, zoo maar "en passant” zonder eerst in Christus waardig geborgen te zijn, die komt daar in zijn eigen vuile kleren, achtende het bloed des Nieuwen Testaments onrein; en zich zelf rein genoeg in zijn eigen kleedij. En daardoor wordt dan des Konings aanblik gekrenkt, en beledigd.
Maak zelf nu maar de toepassing beste vriend; het zal, al zijt ge geen dominee, u wel niet al te moeilijk vallen.
Maar welk een vreugde nu anderzijds voor de andere gasten. De Koning verlustigt zich in hen; en dat is voor de ziel een onuitsprekelijke zaligheid: ik zit hier aan, en de Koning verlustigt zich in deze mijne schoonheid, nademaal al dat schoon door Hem, mij gegeven is. De overweging: ik ben zoo door mijn volzaligen hemelschen Bruidegom met de klederen des heils bekleed, dat wij in elkaar een onuitsprekelijk welgevallen hebben, o, zie dat is een stukje ziels beleving van God verheerlijkende mystiek, zóó rijk, zóó al vervullend, zóó van hemelschen voorsmaak, dat zulke gasten daar aan dien disch wel zouden willen blijven zitten. Maar ’t is een feesture; d.w.z. het gaat nog niet ongestoord en onafgebroken zoo door; hier beneden is het feestuur altijd nog maar een feesture.
Maar wie zulk een ure ooit beleven mag, die ontvangt aan dien Heiligen Disch ook het onderpand van een eeuwige zaligheid in God. Want ook daarvan is het een sacrament; het spreekt van een: „Doe dat, totdat Hij komt.” Dus hier opent zich een vergezicht der toekomst. Jezus komt weder, om zijn Bruidkerk met Zich de eeuwige feestzaal binnen te leiden. En daarom gij kind van God, als ge ooit hier beneden omkleed met het Bruiloïtskleed hebt aangezeten, dan geldt voor u: nimmer avondmaal voor het laatst gevierd. Want al zou ook de ijzeren doodshand daar op uw schouder worden gelegd, — dan zal het slechts zijn, om het zielsoog ten volle te mogen openen daar waar Jezus zelf u opwacht, om altijd, ongescheiden en ongestoord u in Zijn overzalige gemeenschap te verlustigen.
Zalig zijn zij, die geroepen zijn tot de Bruiloft des Lams.
Welgelukkigzalig de mensch, die te midden van een ondergaande wereld, met deze hemelsche dingen mag vervuld en bezig zijn. Hoe lang is ’t al geleden vriend, dat dit met u het geval was?
Zend het antwoord maar aan den Heere.

Met hartelijke groeten.Uw toegenegen vriend en broeder.

Doom, 21 Februari. ’49.

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 maart 1949

De Wekker | 4 Pagina's

Pastorale Brieven

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 maart 1949

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken