Bekijk het origineel

Vrolijk Pinksterfeest

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Vrolijk Pinksterfeest

9 minuten leestijd

„En gij zult vrolijk zijn voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods". ​Deut. 16 : 11a.

Op Paas-eieren en Paas-kaarten pleegt een wens voor een „vrolijk Paasfeest" voor te komen. Pasen brengt men dus in verband met vrolijkheid, al is het heel iets anders dan vrolijkheid „voor het aangezicht des HEEREN"! Deze wens zal wel een overblijfsel zijn van de gewoonte van onze heidense voorouders, om in het voorjaar een vrolijk Lente-feest te vieren. E)e viering van het christelijke Paasfeest is daar voor in de plaats gekomen, maar wij weten wel, dat daarbij nog altijd tal van heidense gebruiken in ere gehouden zijn, die de vreugde moesten verhogen. Denk maar aan het Paasvuur. Zo zal ook wel de wens van een vrolijk Paasfeest verklaard moeten worden.
Pinksteren heeft niet als het Paasfeest de plaats ingenomen van een vroeger heidens feest en daarom is het ook niet gebruikelijk, elkaar een vrolijk Pinksterfeest te wensen. Daar komt bij, dat men de Pinkstergedachte niet zo gemakkelijk verbinden kan met iets van de natuur of van dit aardse leven. Pinksteren is voor het gevoel van de mensen veel minder werkelijk dan Pasen; men weet er geen weg mee.
Toch verdient het onze aandacht, dat in de Schrift de orde omgekeerd is. Het Paasfeest wordt lang niet zo nadrukkelijk in het teken der vrolijkheid gezet als het Pinksterfeest. Dit geldt voor de viering in de oude bedéling, maar ook is het waar voor de nieuwe bedéling.
Pasen was het begin. Dan werd de eerste garve van de gerste-oogst den Heere opgedragen. Daarna telde men zeven weken en dan volgde het feest der vervulling: Pinksteren! Dan werden de eerste, geheel toebereide broden den Heere gewijd. Met dit feest werd de voorjaarsoogst besloten; daarom was het een dag van bijzondere vreugde. Wat op Pasen in beginsel werd gezien, dat werd op Pinksteren aanschouwd als vervulde werkelijkheid.
Deze Pinkstervreugde was naar de wil des Heeren. Wat we niét lezen bij de bepalingen omtrent het Paasfeest, vinden we wèl bij de voorschriften betreffende de Pinksterdag: „gij zult vrolijk zijn voor het aangezichts des Heeren uws Gods".

De mens blijkt van tijd tot tijd behoefte te hebben aan het een of andere feest. Hij zoekt naar een leven-op-hoger-plan. De dagelijkse bezigheden voldoen hem niet. Hij wil boven die grauwe eentonigheid uit! Het leven als zondaar in een zondige wereld kan ook geen bevrediging schenken aan de diepste behoeften van het naar God geschapen mensenhart. Geen wonder die hunkering naar het „ideale leven", in één woord: naar het feest!
Omdat het geen feest, geen blijvend feest van binnen is, verwachten wij iets van buiten, dat ons vrolijk kan maken. Maar dat valt altijd weer tegen, want die andere mensen zijn immers precies als wdj! Ze zijn óók leeg van binnen en daarom zijn de feesten zo hol en zo arm.

Er is maar één hoop, namelijk dat Gèd het feest doet worden. Hij heeft Zelf voor Zijn volk allerlei feesten ingesteld. Het zijn de hoogtijden, die boven het gewone leven uitsteken en de belofte in zich dragen van de komende heilstijd der nieuwe bedéling, waarin deze schaduwachtige feesten vervuld zullen zijn. Dan is het dus altijd feest!
Eén van deze Oudtestamentische vierdagen is het Pinksterfeest. En dat het in de volle zin van het woord een feest bedoelt te zijn, blijkt wel duidelijk uit onze tekst: „En gij zult vrolijk zijn voor het aangezicht des Heeren, uws Gods".

Gij zult vrolijk zijn! Dat wil er wel in! Maar voor veler gevoel wordt alles weer bedorven door wat er op volgt: voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods. Inderdaad, daar weet een natuurlijk mens geen raad mee. De wereld komt met haar feesten niet voor het aangezicht des HEEREN. Voor velen is het pas feest, als ze iets meer „mogen" (?) dan in het gewone leven oirbaar geacht wordt. Dat Christen-zijn feest zou kunnen betekenen, daar begrijpen ze helemaal niets van. Ze kunnen de dienst des HEEREN alleen maar zien als een misschien wel noodzakelijk, maar overigens droefgeestig iets.
Toch is niets minder waar dan dat. God heeft Zijn volk bepaalde heilige tijden gegeven. Dan roept Hij hen tot Zich. Dan moeten ze verschijnen voor Zijn aangezicht. Maar is dat een droeve gang? Geen sprake van! 't Is een vrolijke optocht. Die heilige dagen zijn feesten. Feesten, juist omdat Zijn volle voor Zijn aangezicht mag komen.
Zo'n feest is vooral het Oud-testamentische Pinksterfeest. Het volk wordt opgeroepen om vrolijk te zijn: gij zult vrolijk zijn! Op commando vrolijk zijn, kan dat? Ja, want God gebiedt en geeft de vrolijkheid. Hij maakt vrolijk. Er is zelfs geen groter vreugde denkbaar, dan voor het aangezicht des HEEREN, onzes Gods. Hij is Jehovah, de God des Verbonds, Die Zich om Christus' wil in gunst en liefde aan Zijn volk heeft verbonden. Daarvan getuigen inzonderheid de feesttijden. En daarom was het opgaan naar de tempel, om voor Zijn aangezicht te verschijnen, een oorzaak van diepe vreugde:

Dan ga ik op tot Gods altaren.
Tot God, mijn God, de bron van vreugd;
Dan zal ik juichend stem en snaren
Ten roem van Zijne goedheid paren,
Die, na kortstondig ongeneugt.
Mij eindeloos verheugt!

„Gij zult vrolijk zijn voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods". En dat is nog maar Oud-testamentische Pinkstervreugd! Dan is het nog slechts ten dele feest; alleen op de hoogtijden en niet alle dagen. Maar nu mag de Kerk weten van het vervulde Pinksterfeest. Hier zijn niet slechts de eerstelingsbroden als onderpand van Gods zegen over het tijdelijke leven, hier zendt de verheerlijkte Christus Zijn geestelijke en hemelse zegeningen neer als spijze en drank ten eeuwigen leven. Hier zijn niet slechts de Pinksterbroden als vervulling van de Paasgarve, maar hier is het vervulde Pinksterfeest als de bekroning van het vervulde Paasfeest: de „eerstelingen des Geestes" als vrucht van „de Eersteling Christus". Hier is niet slechts de voorbijgaande verschijning voor Gods aangezicht in de dienst der schaduwen, maar hier is de blijvende gemeenschap door de inwoning des Geestes, Die Zijn volk tot Zijn tempel maakt, om bij hen te blijven in der eeuwigheid!
Ja, inwoning Gods bij de mensen, dat is Pinksteren. Reeds het Oude Testament kent dit begrip. We vinden het Hebreeuwse woord terug in de „schechiena", de wolken vuurkolom, waardoor God — op schaduwachtige wijze, in een omhulling — woonde in het midden van Zijn volk. Reeds daarin was een onuitsprekelijke genade, zoals in Lev. 16 : 16 staat, dat God woont (in de tent der samenkomst) „in het midden hunner onreinigheden". Wie zijn eigen „onreinigheden" heeft leren zien, moet wel vragen: o God, hoe is dat mogelijk? Ach, het kon alleen maar (en dan nog slechts op schaduwachtige wijze!) om der wille van de (eveneens nog schaduwachtige) offers der verzoening. De ark met het verzoendeksel, waarop het bloed werd gesprengd, was dan ook het teken van die inwoning.
Deze Oud-testamentische inwoning Gods bij Zijn volk was een blijk van Zijn grote goedertierenheid. Hij is niet, zoals wij in onze onreinheden konden verwachten, een „verterende gloed", maar Hij wil, zoals het woord „inwoning" te kennen geeft, onze nabuur zijn.
In onze tijd van woningschaarste weten wij beter dan ooit, wat dit begrip „inwoning" betekent. Denk nu alle onaangenaamheden eens weg, om niet anders over te houden dan de gedachte aan een waarlijk goede buur, die met U onder één dak woont, die hartelijk met U meeleeft, wiens nabijheid U verkwikt, met wie ge in het volste vertrouwen te rade kunt gaan en die altijd bereid is U te helpen.
Zo is de inwoning van God de Heilige Geest in Zijn Kerk en in het hart der Zijnen. Dat is Pinksteren. En dat is mogelijk geworden, doordat de Heere Jezus Christus, eerst de vuile beestenstal van ons hart kwam reinigen door Zijn bloed, om er een Godgewijde tempel van te maken!

Wat gaat dat vervulde Pinksterfeest vér uit boven het Pinksterfeest der schaduwen! Maar als dan de voorbijgaande verschijning voor het aangezicht des Heeren, met de eerstelingsbroden als blijken van Zijn goedgunstige onderhouding van het leven, reeds zulk een oorzaak van vrolijkheid was, hoeveel te meer deze blijvende inwooning! Hier is de zaligste intimiteit. Hier is niet slechts de verzorging van het tijdelijke leven, maar de inwonende Geest des Heeren onderhoudt de gemeenschap met de levende Christus, de Levensbron: Jezus, leven van mijn leven!
Vrolijk Pinksterfeest! Laat dan op de herdenking van dit feest der vromen tent weergalmen van hulp en heil, ons aangebracht! Gij zult vrolijk zijn!
Of — is U deze vrolijkheid nog vreemd? Misschien meent ge te goeder trouw, er wel begerig naar te zijn. Ik ben er niet zo zeker van! Want Pinksteren betekent inwoning. En inwoning betekent, dat Christus' Geest vrije toegang heeft tot al de kamers en zelfs de diepste schuilhoeken van ons levenshuis. Dat Hij er Heer en Meester is. Dat Hij er Zijn gang kan gaan. En dan brengt Hij aan het licht, dat al wat uit het geloof niet is, zonde is! Dat valt niet mee! We worden niet graag op de vingers gekeken. Als oude mens hebben we Hem niet graag in huis. Heel ons natuurlijk bestaan roept tot de Pinkstergeest: „Wijk van ons, want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust!"
Alleen waar door genade de nieuwe mens is opgestaan, die iets kent van het vrolijk-zijn voor het aangezicht des Heeren, daar is ook het verlangen naar de vervulling daarvan. Dan is het ons tot droefheid, dat het feest weer voorbijgaat, zoals onder de oude bedéling. Dan verlangen wij naar de vervulling van Pinksteren, naar de verwezenlijking ervan in ons eigen leven. Dan zijn wij bereid gemaakt, ons leven als oude mens te verliezen en, kennende het gevaar van zelfregering, is het onze wens, dat de Heere door Zijn Woord en Geest maar Koning zij in ons hart en huis.
Welnu — het is Pinksteren geweest. Herhaling is niet nodig. Wèl doorwerking. Een doorwerking, waar zich ons vlees (ook na de bekering!) tegen verzet. Maar laat dan op Pinksteren het nieuwe leven de wekroep horen: Gij zult vrolijk zijn voor het aangezicht des Heeren, uws Gods!

Zion, loof met dankb're stem
God, uw Heer, die eeuwig leeft.
En het schoon Jeruzalem
Door Zijn woning luister geeft;
Loof Hem voor uw heilrijk lot;
Loof al juichend uwen God.

H. (Haarlem) J. C. M.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 mei 1951

De Wekker | 4 Pagina's

Vrolijk Pinksterfeest

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 mei 1951

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken