Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Rondom het Oude Testament (VII)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Rondom het Oude Testament (VII)

6 minuten leestijd

Zoals bekend, is het Oude Testament geschreven in de Hebreeuwse taal, met uitzondering van enkele gedeelten, nl. Daniël 2 : 4—7 : 28, Ezra 4 : 8—6 : 19, 7 : 12—27 en Jeremia 10 : 11, die geschreven zijn in het Aramees.
Het Hebreeuws is de taal van het oude volk Israël, aan wie God Zijn openbaring geschonken heeft, en behoort tot de West-Semietische talengroep. In deze taal heeft God Zijn openbaring geschonken. Het Aramees is een zustertaal van het Hebreeuws en jonger dan deze laatste.
Het Aramees heeft tenslotte het Hebreeuws geheel verdrongen en in de dagen van de omwandelingen van de Heere Jezus werd in Palestina het Hebreeuws reeds lang niet meer gesproken. Men sprak toen het Aramees. Op verschillende plaatsen legt het Nieuwe Testament daar nog duidelijk getuigenis van af. Uitdrukkingen als „effata" d.w.z. „wordt geopend" (Mark. 7 :34), „talitha kumi" d.w.z. „dochtertje sta op" (Mark. 5 : 41), en het vierde kruiswoord: „Eli, Eli, lama sabachthani" (Matth. 27 : 46) zijn Aramees.
Het Oude Testament is echter hoofdzakelijk in het Hebreeuws geschreven.
Nu spreekt het vanzelf, dat de Hebreeuwse taal een ontwikkeling heeft doorgemaakt. Het Hebreeuws uit de tijd van David was anders dan dat uit de tijd van Maleachi, zoals het Nederlands van nu anders is dan uit de tijd van Karel de Grote. Toch is het Hebreeuws, waarin de Bijbel geschreven is, steeds hetzelfde Hebreeuws, nl. uit de tijd van na de Babylonische ballingschap.
Ook het Hebreeuwse schrift is niet altijd gelijk geweest. Onze Bijbel is geschreven in het zgn. Hebreeuwse kwadraatschrift, zo genoemd omdat de letters alle in een vierkant kunnen worden ingepast. Maar vóór de Babylonische ballingschap bezat het Hebreeuws een ander lettertype.
We weten dat bv. uit de zgn. Siloahinscriptie.
Deze Siloah-inscriptie dateert uit de dagen van koning Hizkia. Ze werd in 1880 ontdekt door enige jongens en houdt de herinnering levendig aan de tunnel van Siloah, die gegraven werd om het water van de Gihon-bron, even buiten Jeruzalem, te brengen binnen de stad. We lezen daarvan in 2 Kon. 20 : 20. De werklui begonnen van twee kanten te graven en op de plaats, waar men elkaar ontmoette, werd een inscriptie aangebracht, waarin van het graven van die tunnel werd melding gemaakt. Het lettertype nu, waarin dit inschrift werd geschreven, is van een heel andere aard, dan het Hebreeuwse schrift, zoals wij dat kennen uit de Bijbel.
Dit schrift komt overeen met het schrift, dat op de zgn. steen van Mesa wordt aangetroffen.
Koning Mesa kennen we ook uit de Bijbel. We lezen van hem in 2 Kon. 3. Daar wordt verteld, dat hij koning was van Moab en tevens een groot veehandelaar. Hij was onderworpen aan Israël en moest van zijn enorme veestapel een indrukwekkende schatting jaarlijks aan de koning van Israël betalen. Na de dood van koning Achab viel Mesa echter van Israël af.
Nu werd in 1868 door een Duitse zendeling in Dibon, de oude hoofdstad van de Moabieten (vg. Num. 21 : 30), een steen gevonden, waarop Mesa, de koning van Moab uit de dagen van Achab, vertelt van zijn afval van Israël. Daarom noemen we die steen: de steen van Mesa. Het schrift, waarin dit inschrift is geschreven, is verwant aan het oude Hebreeuwse schrift.
Het kwadraatschrift, zoals we dat in onze Hebreeuwse Bijbel ontmoeten, is van Aramese afkomst. De traditie wil, dat dit schrift onder Israël door Ezra zou zijn ingevoerd, maar dat kan natuurlijk niet juist zijn. De invoering van zulk schrift is nooit het werk van één man. Maar we hebben daarin wel een aanwijzing betreffende de tijd, waarin dit nieuwe schrift in Israël zijn intree heeft gedaan.
Dit Hebreeuwse schrift kent alleen maar medeklinkers. De klinkers worden nooit geschreven. Die worden natuurlijk wel uitgesproken, maar niet geschreven, In het Nederlands zou dat dus betekenen, dat geschreven werd „kpr" en dan moet uit het verband van de zin worden opgemaakt, of moet worden gelezen „koper" of „keper".
Toen echter het Hebreeuws al meer verdrongen werd door het Aramees, dreigde het gevaar, dat men de tekst van de Bijbel niet meer op de juiste wijze zou kunnen lezen en daardoor de zuivere uitspraak van de tekst zou kunnen verloren gaan. Daarom ging men toen in de tekst van enkel medeklinkers door allerlei tekentjes aangeven, welke klinkers moeten gelezen worden. Dit gebruik komt vooral op in de 7de en 8ste eeuw van onze jaartelling. De mensen, die dat gedaan hebben, noemen wij de Masoreten en de tekst, die zij op deze wijze hebben vastgesteld, noemen wij de Masoretische tekst. Er was nog verschil tussen oosterse en westerse Masoreten. De eersten hadden hun centrum in Babel en de laatsten in Palestina, in Tiberias. Het systeem van de laatsten heeft overwonnen.
Deze Masoreten hebben dus de klinkers naar hun gedachte ingevoegd, al moet worden gezegd, dat zij dit over het geheel in volkomen juistheid hebben gedaan. Zij hebben daarmee de traditionele tekst bewaard. Ze heten dan ook de mannen van de overlevering. Dat betekent het woord „masora". Een enkele keer hebben ze echter ongetwijfeld misgegrepen. Ik noem één voorbeeld. In Ez. 8 : 2 lezen we in de Statenvertaling, dat Ezechiël zegt: „Toen zag ik en ziet, een gelijkenis als de gedaante van vuur". En dan wordt er vervolgd: „van de gedaante zijner lendenen enz.". We vragen: wiens lendenen? Want dat is niet gezegd. Hier is een kwestie van verkeerde vocalisatie. In de eerste zin, staat een Hebreeuws woord 'sj, dat door de Masoreten is opgevat met de klinker e. Zij lazen 'esj en dat betekent „vuur". Maar het moet gelezen worden als 'isj, dus met de klinker i en dat betekent „man". Ezechiel zegt dus, dat hij zag de gedaante van een man. Dan is het vervolg duidelijk: „wat er uitzag als zijn lendenen en verder naar beneden was vuur".
De klinkers in de Hebreeuwse tekst zijn dus niet, zoals wel beweerd is, geïnspireerd, maar moeten uit het verband van de tekst gelezen worden.
Ofschoon iets anders, hangt hier toch ook mee samen het verschil in uitspraak van de naam, waarmee God Zich aan Israël heeft geopenbaard. Deze naam is in medeklinkers geschreven Jhvh. Hoe moet deze naam worden gevocaliseerd?
De oude Joden, dus na de ballingschap, spraken de naam van God in het geheel I niet uit om zich in geen enkel opzicht» te bezondigen tegen het derde gebod. In plaats daarvan lazen zij de naam „Heere", in het Hebreeuws: 'edonaj. Om nu aan te geven, dat men voor de heilige naam van God deze andere naam I moest lezen, zette men de klinkers van 'edonaj tussen de medeklinkers van Jhvh en kwam er dus te staan: Jehovah, maar dit las men nooit. Zo heeft dus ook oorspronkelijk de naam van God niet geluid. De juiste uitspraak is onbekend. De meesten menen, dat moet worden uitgesproken: Jahweh.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 1951

De Wekker | 4 Pagina's

Rondom het Oude Testament (VII)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 1951

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken