Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Pastorale Brieven

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Pastorale Brieven

8 minuten leestijd

Beste Vriend!
Over de leer van de vrije genade is al heel wat geschreven, honderden boeken vol, door allerlei richtingen en kerken. En het blijft een belangrijk onderwerp. Het verwondert mij dan ook niet, dat nog heden ten dage daarover vele pennen in beweging zijn, en gij over dit onderwerp iets meer bij wijze van uiteenzetting van mij wilde vernemen. Gaarne wil ik trachten daaraan te voldoen; al staat te voren reeds vast, dat ge hierbij niet op totaal afgeronde volledigheid moet rekenen. Wel wil ik u er op attent maken, dat een practicale of wilt ge Schriftuurlijke bevindelijke behandeling hier alleen dan goed vruchtbaar kan zijn, als deze gegrond zal wezen op een positieve uiteenzetting (voorwerpelijk) van wat de Schrift dienaangaande leert. Hoe meer inzicht we hebben ten deze in de geopenbaarde waarheid Gods, hoe meer er mogelijkheid zal zijn van inwendige vrucht, van zielsbeleving en bevinding ten deze.
Ik zeg positieve uiteenzetting. Want we moeten hierbij niet beginnen met eerst uiteen te zetten wat allerlei richtingen en stelsels dienaangaande leeren, om daar dan tegenover te stellen wat de eigenlijke en ware leer der Schrift zij. Neen, we moeten ons m.i. hier maar houden aan de Reformatorische methode. En dat is, om uit de Schrift zelf te delven wat God ons dienaangaande heeft geopenbaard; en positief te belijden: zóó en zóó leert God ons in Zijn Woord. Om dan daarna en daarnaar te toetsen wat daar van afwijkt. Het was de grote kracht der Hervormers, dat zij regelrecht terug gingen op de H. Schrift; om vandaar uit stand te houden en staande te blijven tegenover alles wat zich hiermede niet verdraagt. De christelijke religie is wel genoemd de religie van de genade en van den Geest. Dat wil zeggen, zij leert ons dat en hoe God een zondaar die den dood en het verderf verdiend heeft, toch een erfgenaam des eeuwigen levens maakt, en ons het kindschap Gods deelachtig maakt en het burgerschap des hemels.
Het groote in deze zaak is (en wat in het hart van een mensch niet is opgeklommen, en ook niet kon opklimmen) dat God een God van genade is tusschen God en Zijnen Christus, in de goddelijke oeconomie der Drieëenheid in zake den weg des heils; èn op dezen grondslag ook van een foedus gratiae (naast het foedus of verbond der werken) nu liggen alle weldaden ten diepste verankerd in dit pactum salutis; wat in orde het eerste is.
In de sfeer van het recht. Dat wil zeggen genade als openbaring en tot stand brenging van Gods genade als een zijner deugden, is altijd en van eeuwigheid af een genade in Christus, die zóó aan alle recht Gods genoeg gedaan heeft, dat wij worden ontheven van de schuld en van de macht der zonde. De zonde heeft in hoofdzaak tweeërlei ellende over ons gebracht; n.l. we spreken hier van de verdoemende kracht der zonde, en van de tyranniseerende macht der zonde. Ge verstaat deze twee toch wel? Anders een korte toelichting: De zonde bracht ons onder een verplichting tot straf; dit is haar verdoemende kracht. Maar ze bracht ons ook in de slavenketens. Wie de zonde doet, zegt de Apostel, is een dienstknecht, een slaaf (doulos in 't Grieksch) der zonde; d.w.z. ze heeft een dwingende, tyranniseerende heerschappij over ons verkregen; zóó zelfs dat de diepste ontdekking nog niet één zondelust in ons breekt. En nu is de ware verlossing der genade deze, dat die verdoemende kracht wordt opgeheven, en die tyranniseerende macht wordt verbroken.
Maar, en dit bedoelen we hier nu vooral te zeggen, heel die dubbele verlossing, waarin de bediende geschonken genade bestaat, is altijd een genade in Christus. Christus treedt daarbij op als de van God geschonken Middelaar. Niet eerst in ons hart (dat is de vrucht), maar allereerst naar de zijde Gods bezien, in het brengen van waar God recht op heeft, en wat wij door de zonde nooit (meer) kunnen brengen. Christus zelf is alzoo reeds uit de genade. Christus en de geloovigen, zijn volk kunnen daarbij nooit gescheiden, los van elkaar gedacht worden. Dat is de porté, de kerninhoud van de leer der unio mystica, d.w.z. der mystieke, verborgen geheimnisvolle vereeniging met Christus waardoor Christus en de Zijnen een éénheid vormen; al van eeuwigheid af.
In dat verbond, hetwelk een pactum (geen foedus) heet, noem het den vrederaad, erkennen we dus wel in zekeren zin een verbond, maar wéér anders dan het tusschen God en Zijn volk gesloten verbond der genade, hetwelk een foedus heet; we spreken in de leer der zaligheid, behalve van het werkverbond ook van een pactum salutis, de heilsweg of overeenkomst, speciaal.
Er volgt uit dat de geloovigen en Christus nooit gescheiden van elkaar zijn te denken; ook niet als uitverkorenen; we zijn uitverkoren in Christus; en Christus is niet los te denken van Zijn volk; ze zijn Zijn lichaam, Zijn Bruid, Zijn tempel. Zijn erfdeel enz.
Alle weldaden des heils vloeien in feite voort uit deze mystieke Unie. De mystiek van binnen in ons zieleleven, hoe hoog ge deze ook zoudt willen aanslaan, maar is in haar wezen en aard in haar kwaliteit altijd, laat ik zoo eens mogen zeggen, van tweeden rang, vergeleken bij die eerste eigenlijke mystieke Unie met Christus, die van eersten rang is, en feitelijk haar grondslag al in de eeuwigheid vindt. Hier treedt dus nu de Christus op als de Middelaar van en tot alle heil. Ten deze is Hij al vóórgekend van voor de grondlegging der wereld. Genade is dus genade in Christus. De Apostel zegt (Efeze) dat God ons gezegend heeft met alle geestelijke zegeningen in den hemel in Christus. En uit deze volzalige Unie vloeien ons nu onder de toepassing des Geestes alle weldaden toe.
In Christus ligt alles, van eeuwigheid af al; maar daarmede is het nog niet alles in ons bezit. Dit geschiedt op Gods wijze en op Gods tijd. In Christus hebben we de toerekening en daarop en daaruit weer de toepassing; door den Heiligen Geest, en in het geloof. Dat het geloof hierbij zoo ten ernstigste mede ter sprake komt, is alleen, maar dan ook ten voeten uit, daarom, omdat door het geloof al die zegeningen ons deel worden; en dat wel als door een geloof, hetwelk de H. Geest in onze harten werkt. Van een leer van vrije genade valt dus nooit, naar de Schrift, buiten Christus om te gewagen.
Dit is Christus' laat ik zoo zeggen centrale verdienste, waarde en beteekenis. Al die mooi (?) klinkende nieuwerwetsche Christusverheerlijking, als sociaal hervormer, humanist, enz. enz. doen dus aan zijn eigenlijk wezenlijke Christus-zijn schandelijk te kort. Ze zijn in 't wezen der zaak een beleediging van Zijn hoogheerlijk ambt. Ze weten van die geestelijke zegeningen in den hemel in Christus niets af; en zijn een verloochening van Zijn persoon en werk.
Maar daarmede zijn we nu nog lang niet gereed; hier komt bij de leer van vrije genade nog heel wat anders en meer ter sprake.
Waarin bestaat nu de eigenlijke inhoud dezer genade? En dan vinden we naar de Schrift een tweede kernpunt; n.l. dat genade in haar werking, een herstelling tot stand brengt, en wel van het leven uit den dood.
De tegenstelling welke de Schrift ons ten deze klaar en nadrukkelijk leert, is niet maar een genade die helpt, opheft, en ons als mensch tot hooger niveau (vlak) brengt, maar de mensch is dood in zonde en misdaden; zijn natuur is niet maar verzwakt (Rome) maar radicaal verdorven. De tegenstelling die we hier goed in 't oog hebben te vatten is (zooals men dat noemt) een ethische; n.l. door de zonde is de mensch niet maar aan „lager wal" gekomen, maar zijn natuur is innerlijk verdorven geworden; zoodat genade een herscheppende en herstellende kracht moet hebben.
De bekende tegenstelling hier is niet die van natuur en bovennatuur, maar die van zonde en genade.
Hier ligt het verschil met Rome in den wortel. Rome leert dat de mensch in den val zijn bovennatuurlijke gave (het donum superadditum) heeft verloren, maar dat toch zijn onderbouw, zijn natuur niet gansch verdorven is geworden; wel verzwakt; en nu zou genade dienst moeten doen om hem te helpen, dat hij zijn natuur zou oprichten weer tot hooger standpunt. De genade is om zoo te zeggen de behulpzame hand, opdat wij zelf ons weer zouden verheffen tot het bovennatuurlijke. Maar de Schrift leert duidelijk, dat de genade dient niet om den mensch op te nemen in een bovennatuurlijke orde, waarvan we dan tenslotte in Maria het hoogtepunt zien bereikt, maar om hem te bevrijden van de zonde in al haar beteekenis.
Maar ik zie dat mijn blaadje al weer vol is; ik hoop een volgende maal hierover nog meer te schrijven.
Met br. gr. en heilbede, uw toegenegen Vr. en Br.

G. Wisse.
Doorn, Aug. '51.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 augustus 1951

De Wekker | 4 Pagina's

Pastorale Brieven

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 augustus 1951

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken