Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De stam van Levi en de avondmaalstafel 8

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De stam van Levi en de avondmaalstafel 8

7 minuten leestijd

En van Levi zeide hij: Uw Tumim en Uw Urim zijn aan den man, Uw gunstgenoot. Deutr. 33 : 8a.

Thans is er geen Urim en geen Tumim meer, en hoe zouden ze ons dan nog kunnen dienen?
Inderdaad, zooas de Jood en de Hoogepriester oudtijds de Urim en Tumim kenden, zoo kennen wij ze niet meer.
Maar is dit ten slotte niet met o zooveel zaken in het Oude Testament, die een symbolische of typische beteekenis hebben?
Waar is thans de wolk en vuurkolom, die eens Israëls leidde op zijn tocht door de woestijn? Maar zouden wij daarom niet over die wolkkolom kunnen spreken en preeken, en zou thans de vuurkolom zijn gedoofd?
Waar zijn priester en offer, die gansch het Oude Verbond heerlijkheid en inhoud gaven, en die dingen waren, gelijk de brief aan de Hebreen ons zoo telkens herinnert, die een hoogere beduiding hadden?
Grijp ik dan mis, wanneer Urim en Tumim schaduwbeelden zijn van Hem, Die Het Licht der Waarheid is, en die ons door Zijn Woord en Geest tot de klaarheid wil brengen, van wat 's Heeren wegen zijn?
Voorheen deelde alleen de Hoogepriester in deze bijzondere verlichting, Hij alleen droeg de Urim en de Tumim. Het is hierom, dat hij met nadruk in dit Schriftwoord Gods' gunstgenoot genoemd wordt.
Maar de Nieuwe Bedeeling is veel rijker en voller.
Openbaart heden de Heere zich niet in de harten van al Zijn gunstgenooten, die met den eeuwigen en eenigen Hoogepriester, Jezus Christus, zijn vereend?
In Christus, Het Licht en De Waarheid, zijn Urim en Tumim ook het deel der geloovigen, in wier zieldoorleven het licht van den Geest van Christus werd ontstoken, en wier verstand is verlicht om den Waarachtige te kennen.
Hart en hoofd zijn de twee groote factoren, die door deze toorts worden verlicht en wij weten wel, als wij worden doorgelicht, dan worden wij feitelijk te binnenste buiten gekeerd. Hier wordt duidelijk, wat anders diep verscholen bleef, en wat doodende bacteriën hun verwoestend werk verrichten. Als Urim en Tumim, Licht en Waarheid hun werk verrichten en wij onder deze lichtbundels worden betrokken, zoo wordt ook hier de toekomst voor ons ontdekt, een toekomst te vreeselijker, omdat wij zelf er de materialen voor aandragen. Een mensch werkt zijn eigen rampzaligheid uit, en — hij weet het niet. Hij is onbekend met de kwaal van zijn eigen hart en wij lezen zelfs in de Schrift van hen, die meenen, dat zij zien, dat zij volkomen gezond zijn, en toch zijn wij jammerlijk, arm, blind, en naakt.
Hoe kan die verdorven staat des levens den oprechte dikwerf aangrijpen en zijn ziel in pijnlijke donkerheid brengen! Hoe kan zulk een zich soms uitsluiten van de zaligheid, en het als buiten hope stellen.
En inderdaad er is geen hoop meer, zoolang daarbinnen alleen de tuchtmeester der wet en de zonde-overtuiging spreekt.
Maar het is juist het kenmerk van alle werk des Heiligen Geestes, dat wij worden ontledigd aan ons zelf om vervuld te worden met al de grootheid Gods.
Daar is een veelzijdig klagen over onmacht en over zonde, waarin de duivel schik heeft. De menschen staan altijd bij het schavot, maar ze gaan er nooit op. Met al hun klagen over hun schuld, en zonde zijn ze diep bezig zich zelf te handhaven.
Overgave is de eerste les, die Christus' Geest ons leert. Loslaten om gegrepen te worden. Aan het eind om het begin te leeren. Heel dat proces van sterven en leven, van getuchtigd en niet gedood, van vernieuwing zonder vernieling is het procesmatig gebeuren dat bij het licht van Urim én Tumim te voorschijn komt en uittreedt in het volle daglicht der Waarheid Gods.
Gelijk de Hoogepriester het licht liet schijnen over de bangste vragen, die om een antwoord schreeuwden, zoo ontvangen wij antwoord op bange vragen, die onze ziel verontrusten.
De Heere is hier voor allen, die Hem aanroepen, geen land van uiterste duisternis. Hij drijft ze naar Egypte, maar Hij leidt ze ook uit Egypte. Hij leert kennen dat er zijn banden des doods, en angsten der hel, die verschrikken. Maar Hij leert ook kennen: maar ik riep den Naam des Heeren, ach, Heere, behoud mijn ziel.
Zoo kan het zijn ten tijde des heiligen Avondmaals, dat de strijd opvlamt in uw ziel en de vraag beangst: mag ik wel avondmaal vieren. Als de vrees in het hart spant geen bruiloftskleed te bezitten.
En dan lezen het Avondmaalsformulier, waaruit soms kleingeloof en ongeloof wapenen smeeden om ons af te houden en te laten lezen, dat wij als waardig dischgenoot moeten aanzitten, want wie onwaardig eet en drinkt, die eet en drinkt zich zelf een oordeel.
Maar hier staat nu juist niet in ons avondmaalsformulier, dat wij als een waardige komen. Daar staat wel zoo iets, maar juist het tegenovergestelde, namelijk dat wij niet komen tot dit Avondmaal om daarmede te betuigen, dat wij in ons zelf rechtvaardig d.i. waardig zijn, maar integendeel, dat wij midden in den dood liggen, maar het leven buiten ons zelf in Jezus Christus hebben leeren zoeken.
Wat is het avondmaalsformulier toch rijk, en wat spreken „Licht en Waarheid", „Urim en Tumim" toch hun taal op het pad van allen, die het om een feest, een feest den Heere te doen is.
Want elk Avondmaal is een herinnering aan het woord, dat Mozes eens tot Israël sprak bij het bloed van het Paaschlam: „En deze dag zal ulieden wezen ter gedachtenis, en gij zult hem den Heere tot een feest vieren" (Ex. 12). Maar dan moeten Urim en Tumim haar lamp houden.
Jezus Christus moet het zalig alles van Uw leven beginnen te worden. Daar is zooveel bevindelijkheid, die buiten Christus omgaat, en die daarom nooit tot Christus leidt. Hier is alleen de lamp van een begrafenisstoet, maar niet het licht van de bruiloft. Hier zijn de doodsbeenderen, die rammelen, maar niet de Geest, Die levend maakt.
O, als gij klaagt over U zelf, zoek dan veel gemeenschap met Christus, en laat Zijn Urim en Tumim in Uw ziel spreken.
Het heeft mij steeds getroffen, als ik luisterde naar de preek van Petrus op den Pinksterdag, dat hij meer betuigt van Christus, dan van den Geest of liever door den Geest alleen van Christus getuigt. Hoe houdt hij daar Urim en Tumim hoog en laat het volle licht vallen op Christus in zijn vernedering en in zijn verhooging. Hij laat zien, dat ook de werking en de grootheid van den Heiligen Geest een schalm is uit den keten van de genade Gods, die in Christus' dood en opstanding zijn gewrocht. En dan stelt Petrus deze wonderdaan Gods in het licht van het geheel. Het licht valt op al die perelen van Gods heilsbemoeienis, die als aan een snoer onlosmakelijk zijn aaneengeregen. Niet één enkele parel kan uit al die heilsfeiten worden gemist. Het is of Petrus voor elken dienaar des Woords een voorbeeld wil geven, die een blijvende leerling bevat om ons te zeggen, dat alle daden van Gods genade nooit op zich zelf staan. Niet een stukje ellende, en daarna een stuk verlossing, om ten slotte ook nog iets voor de dankbaarheid over te houden. Neen zoo niet! Maar gij kunt en gij zult uit den Heiligen Geest leeren, wanneer Urim en Tumim door dienzelfden Geest over U, en in U gaan lichten, dat niet een enkele Godsdaad op zich zelf komt te staan, noch ook op zich zelf kan begrepen of gegrepen worden. Het is alles ten slotte zoowel Jezus' sterven als opstanding, zoowel uitstorting als verlichting des Heiligen Geestes, zoowel wedergeboorte ten leven, als het leven der wedergeboorte, het is alles ten slotte niet toevallig, maar ontplooiing en vervulling van Gods eeuwigen Raad, waarin dit alles zoowel de Christus voor ons, als de Christus in ons, ligt geworteld.
Het is hierom, dat ieder, die de Urim en de Tumim als de lichtbron des Heils onder den dag der Nieuwe bedeeling leert kennen ten slotte eindigt in en met het Woord des Apostels: opdat ik Hem kenne, en de gemeenschap zijns lijdens en de kracht zijner opstanding.
Hier heeft dit licht des Heils niet te vergeefs geschenen.
Hier hebben Urim en Tumim hun beteekenis gekregen onder den dag des Nieuwen Testaments.
En onze bede blijve:
Zend, Heere, Uw licht en Uw Waarheid, dat die mij leiden.
Apeldoorn
J.J. van der Schuit

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 november 1952

De Wekker | 4 Pagina's

De stam van Levi en de avondmaalstafel 8

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 november 1952

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken