Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De stam van Levi en de avondmaalstafel 9 (slot)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De stam van Levi en de avondmaalstafel 9 (slot)

6 minuten leestijd

En van Levi zeide hij: Uw Tumim en Uw Urim zijn aan den man. Uw gunstgenoot. . Deutr. 33 : 8a

Genade!
Kent gij een woord rijker aan inhoud voor een verloren hart, dan deze kroonlijst in het gebouw van des Christens eeuwig heil?
Ik kan zoo verstaan, dat de Heere geen rijker troostwoord voor dien tobbenden en worstelende Paulus had, dan die ééne teug uit de flesschen zijner onnaspeurlijke liefde:
Mijne genade is U genoeg.
Welnu, denk aan den stam van Levi, en gij zult al meer leeren waardeeren, wat genade is.
Bedenkt dan, dat niet alleen Simeon, maar ook Levi deelde in den vloek. Immers Simeon en Levi werden door Jakob tegelijk genoemd en op hun voorhoofd werd gebrand: Vervloekt zij hun toorn, want hij is heftig, Ik zal hen verdeelen onder Jakob, en zal hen verstrooien onder Israël (Gen. 49 : 7).
Ook Levi geoordeeld. Simeon volstrekt niet schuldiger dan Levi. Ook Levi even zwart als Simeon.
Gelooft maar vrij, dat Levi de pijn heeft gevoeld van de pijl, die hem wondde toen zijn vader dit vreeselijke woord over zijn daden sprak: „vervloekt".
En zie nu, welk een voorrecht, welk een genadige onderscheiding, als wij vinden, dat de Heere zonder eenige verdienste, zelfs tegen verdienste deze stam kiest tot zijn bijzonder eigendom.
De Heere gaat de Koningstam van Juda voorbij. De Heere let niet op Ruben, den eerstgeborene, maar Hij vraagt naar en ziet om naar den gevloekte.
Neen, dat is nog niet genoeg.
Door deze zwarte en donkere wolken, schijnt het schoonste licht van Gods triumf eerende genade en de Heere noemt hem Zijn gunstgenoot.
Vloek veranderd in zegen!
Donkerheid in enkel licht!
Dat zou Levi zelf nooit hebben durven of kunnen doen.
Gelooft gij niet, dat Levi van ganscher harte heeft onderteekend, dat hij het evenmin als Simeon waardig was, en dat hij den vloek dubbel verdiend had?
Maar de Heere zeide: gij zijt zwart, en toch liefelijk.
Daar brandde in Levi's ziel iets van heilige ijver voor den Heere en Zijn Naam. Hij kende een heiligen strijd en de Schrift zegt ervan: zij onderhielden Uw Woord en bewaarden Uw verbond. Gen, 33 : 9b.
Zie, dat is het kenmerk van het geestelijk zaad van Levi, dat zij bij alle beschuldigingen van binnen, en van buiten, toch een heilige strijd kennen om en voor den Heere. Gods eer is voor hen zoo teer, en Gods genade is voor dat zaad zoo onbegrijpelijk groot.
Is dit niet het voorrecht van dit geestelijk zaad, dat zich zelf ten tijde des Avondmaals zoo gansch verwerpelijk en vloekwaardig kent, dat zij mogen gelooven, dat de Heere juist in dezulken een welbehagen heeft?
De groote Gastheer, die met ons aan de bruiloftsdisch komt, let met bijzondere liefde op zulke teneergebogen harten, op zulke gebrokenen van geest. Denkt eens met mij aan de ure, toen Christus aanzat aan de tafel van Simon, den Farizeër. Luk. 7 : 36—50.
Gij kunt ervan op aan, dat dit een rijke tafel is geweest, en toch gaf de Heere Zijn aandacht aan heel iets anders, dan aan al die lekkernijen. De droefheid van die weenende vrouw aan zijn voeten was voor Hem meer, dan de uitgezochtste spijs en drank. Gelooft maar vrij, dat de Heere daarvan meer genoot, dan van de rijke tafel van Simon.
Wat is het toch een groot voorrecht, dat de Heere zulke ellendigen als wij zijn, zulke wegbedervers niet alleen aanziet, maar ze als Levi aanneemt en dan nog Zijn „Gunstgenoot" noemt.
Gods gunstgenoot!
Zie, wanneer de Heere hier dit van Levi zegt, dan overdrijft Hij niet, maar dan meent de Heere dit zoo echt.
Hoe is het mogelijk, zegt misschien een oprecht hart, dat diep aan zijn schuld voor God is ontdekt, en dat het eerste stuk van het Avondmaalsformulier al zoo dikwerf gelezen en herlezen heeft, hoe is het nu mogelijk, dat ik liefelijk ben in de oogen des Heer en, dat ik, ja ik, Gods gunstgenoot zou kunnen zijn?
En dan antwoord ik U; omdat de Heere wat meer in U ziet en vindt, dan wat gij in u zelf ziet en vindt.
Wij zien Gods werk in ons nog slechts bij stukken en bij brokken, vleesch tegen geest, en geest tegen vleesch. Soms is het zoo donker in de ziel, dat wij in het geheel Gods werk in ons niet meer kunnen ontdekken.
Maar zoo is het met den Heere niet. Hij ziet Zijn werk als één geheel, en daarom zegt de dichter: God laat niet varen het werk Zijner handen. Gelijk de beeldhouwer, die een ruw stuk onoogelijk marmer vindt, reeds daarin ziet oprijzen het beeld, dat zijn kunstenaarshand daaruit te voorschijn zal roepen, zoo ook ziet de Heere Zijn volk, ook al ligt dat volk in stof en vuil der zonde, ook al ligt het als Levi onder den vloek. Hij ziet dat volk reeds in heerlijkheid blinken. Hij kent het als Zijn gunstgenoot.
Zwart en toch ..... liefelijk!
Zondaar en toch ......Mijn Kind!
Ruw en toch ........ een diamant, die aan Mijn kroon zal blinken.
Vertreden op het veld en toch leef, ja leef in Uwen bloede leef. Ik weet het, wij zullen niet allen even groot geloof hebben, wij zullen niet allen dezelfde roeping kennen, — Lydia anders dan de stokbewaarder, en Timotheus anders dan Paulus —.
De Levieten waren ook van elkander onderscheiden. Men had er dienaars voor de priesters, dan deurwachters, dan zangers, en ten vierde rechters of de ambtslieden.
Liefelijk beeld van 's Heeren tafel.
Allerlei schakeering, en toch één in liefde voor den Heere en Zijn dienst. Allen eens onder den vloek gebogen — en toch liefelijk opgezocht en een plaats hoe gering ook, maar toch een plaats aan den dienst van den tabernakel.
Toch een plaats!
Het is en het blijft de verrassende vreugde van elke oprechte van hart, die heentreedt naar 's Heeren tafel.
Laat ons daarheen treden in volle verzekerdheid des geloofs, niet dat uw liefde zoo sterk, dat uw geloof zoo diep, dat uw bevinding zoo rijk is, maar in de volle zekerheid, dat Jezus Christus niet zal laten omkomen, die onder Zijn vleugelen toevlucht zoeken.
Ik heb wat brieven gehad over deze voorstukken. God zegene ze voor U.
Ik moet hiermede eindigen zonder aan het einde te zijn.
Ik ben er zeker van, dat hoe duidelijker onze kerken, zowel haar Dienaren als haar belijdende leden, de klaarheid en de Waarheid van de Avondmaalstafel weten te onderscheiden, hoe meer dat dit het leven onzer kerken zal ten goede komen.
Dit is nog wat anders, dan den rechtvaardige aanzeggen, dat het hem wél zal gaan, en den goddelooze, dat het hem kwalijk zal gaan. Dit is nog iets anders, dan de eisch van „geloof en bekeering". Dit is veel meer het leven des geloofs uit de bekeering, en de onderzoeking des geloofs door de bekeering.
En voor het overige, laat ten tijde des Avondmaals bij Urim en Tumim, bij Licht en Waarheid, een stille psalmtoon door Uw ziel varen:
De Heer betoont Zijn welbehagen
Aan hen, die need'rig naar Hem vragen.
Hem vreezen. Zijne hulp verbeiden,
En door Zijn hand zich laten leiden.
Apeldoorn
J.J. van der Schuit

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 december 1952

De Wekker | 4 Pagina's

De stam van Levi en de avondmaalstafel 9 (slot)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 december 1952

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken