Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De doop van den Heere Jezus (3)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De doop van den Heere Jezus (3)

8 minuten leestijd

Toen kwam Jezus van Galilea naar den Jordaan tot Johannes, om van hem gedoopt te worden. Matth. 3 : 13

Jezus gedoopt!
Hoe is dat nu toch mogelijk?
Dat wij, die den schandnaam van zondaar dragen, en die als kinderen des toorns midden in den dood liggen vanwege onze zonden, dat wij dit waterbad ter vergeving van zonden ontvangen, het is alleszins verklaarbaar.
Maar Jezus?
Hoe kan de vlekkeloos heilige, die voor elke vierschaar kon zeggen: wie van ulieden overtuigt mij van zonde, tot den Doop komen?
Wij zouden het moeilijk hebben om op deze vragen het antwoord te geven ware het niet, dat Jezus zelf ons het antwoord als in den mond gegeven heeft.
Let er dan op, dat Jezus zegt: „ons betaamt alle gerechtigheid te vervullen."
„Ons".
Niet „Mij".
„Ons". Jezus sluit Johannes in.
Maar nu wordt het toch al moeilijker, wanneer dit woord gerechtigheid zijn volle inhoud en draagwijdte ontvangt.
Heeft dan Johannes ook al een plaats in de gerechtigheid van Christus? Is het dan niet zoo, dat de Borg de pers alleen getreden heeft? Wordt hier nu de staat van Christus' Middelaarswerk verduisterd? Is hier nu helpende genade in plaats van vrije genade aan het woord?
Christus wat én Johannes wat?
Maar dat kan den zin dezer woorden toch niet zijn, als de Schrift ons telkens wil herinneren, dat de Borg de pers alleen getreden heeft.
Ongetwijfeld ziet dit woordje „ons" én op Johannes én op Christus.
In den regel weet Jezus de grenslijn te trekken tusschen Hem en de Zijnen.
Hij sluit zich Zelf nimmer in, wanneer hij tot Zijn discipelen zegt: Gij dan bidt aldus: „Onze Vader, Die in de hemelen zijt".
Jezus zegt niet: Laat „ons" aldus bidden. Hij laat gevoelen het onderscheid tusschen zijn verhouding tot den Vader en die van zijn discipelen.
Evenzoo als wij denken aan het woord „ik ben nog niet opgevaren tot Uw Vader en mijn Vader, tot Uw God en mijn God". Nooit zich zelf insluitend. Altijd zijn eigensoortige positie bewust, waarin Hij staat tot den Vader. Daarom niet „onze Vader" maar „Uw Vader weet, dat gij al deze dingen behoeft".
Juist daarom is dit woord „ons" hier van zoo groote beteekenis, omdat het wijst op een gemeenschappelijke positie, die zoowel Johannes als Jezus hebben in de vervulling van hun taak op aarde.
Als wij dit goed in het oog houden, zoo verklaart zich dit woordje „ons" als van zelf. Hier ontmoeten niet allereerst twee personen, maar twee ambtsdragers elkander.
Zoowel Johannes als Jezus laten beiden in hun doop een taal der Schrift hooren, Zy beide laten goddelijke gerechtigheid uitblinken in den doop.
Johannes toch is gezonden om te doopen, en Jezus is gezonden om te lijden, maar beide vervullen zij goddelijke gerechtigheid.
Johannes door de goddelijke gerechtigheid te symboliseeren in den doop. Christus door goddelijke gerechtigheid te ondergaan, waarvan de doop in den Jordaan een teeken is en waarvan het kruis op Golgotha de uitlooper is.
Johannes laat de goddelijke gerechtigheid als een bazuin doorklinken aan de boorden van den Jordaan en ze komen „belijdende hunne zonden".
Christus aanvaardt de goddelijke gerechtigheid en buigt zich onder het oordeel, wordt tot zonde gemaakt, opdat velen zouden vinden rechtvaardigheid Gods.
Nimmer zullen wij dit verstaan, of wij moeten eerst goed weten, wat de doop is. Vergeet niet, dat de doop zijn oorzaak vindt in onzen schuld, in onze diepe verlorenheid, en dat wij zijn kinderen des toorn reeds van het uur van onze ontvangenis aan. Elke doop wijst heen naar vloek en toorn en dood.
Als Jezus gedoopt wordt, zoo daalt hij af in dezen vloek, in deze toorn, in deze dood. Hier brandt het oordeel van een rechtvaardig God.
Gerechtigheid is reeds voor het natuurlijk leven zulk een ideëel begrip. Geen staat, geen volk, geen maatschappij kan ooit bestaan, waar de gouden evenaar van het recht aan stukken wordt gebroken.
In de schreeuw van het socialisme „recht voor allen" treedt nog op, hoe schoon, hoe begeerlijk dit edel metaal der gerechtigheid is.
Welnu, veel meer dan in de rechtssfeer van een volk, blinkt in de sfeer van den heiligen God het recht. Daarom lezen wij met zoo hooge nadruk: Sion zal door recht verlost worden, en zijn wederhoorigen door gerechtigheid binnengaan.
Wat doet nu Christus in zijn doop?
Niet anders dan de glorie van dit goddelijk recht meedragen in zijn doop, om zoodoende alles te volbrengen, wat de eerste Adam heeft laten liggen, erger, heeft verzondigd.
En wanneer de doop een heenwijzing is naar het bloed des Nieuwen Testaments dan kan niet anders, of deze doop van Christus is heenwijzing naar de ure, dat Jezus voeten zullen staan in den Jordaan des doods, wanneer hij niet met den waterdoop, maar met den bloeddoop zal gedoopt worden.
En zoo verrijst hier bij den Jordaan reeds van nabij de top van Golgotha, en komt opklimmen het sombere kruis en het donkere graf met al zijn verschrikkingen.
De doop van Jezus onze schuld-staat.
Hoe donker zou de bladzijde zijn wanneer wij niet verder konden lezen, dan dat Jezus afdaalde in den Jordaan, dat is indalen in den smartnacht van zonde en dood. Er zou niet veel anders zijn, dan een rouwkaart en een donkere diepte. Maar de doop zegt hier ook nog iets anders.
Er is een afdalen in den Jordaan, de gang des doods en des oordeels. Maar daar is ook een opklimmen uit den Jordaan het pad des levens en der hoop.
Er staat niet zonder zin in vers 16: „en Jezus gedoopt zijnde is terstond opgeklommen uit het water" en dan gaat de hemel open.
Zie, op Golgotha was eens de hemel als gesloten: „mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten". Maar het opklimmen uit den Jordaan en de stem des Vaders uit den open hemel zeggen het reeds hier, dat het allerlaatste nooit is een gesloten, maar een geopende hemel.
Afdalen eerst, maar opklimmen daarna. Eerst uitdrijven uit het Paradijs, maar daarna leiden naar een beter Paradijs. Eerst banden des doods, maar daarná psalmen der bevrijding. Gij slaakte mijne banden.
Eerst oordeel, dan vrijspraak.
Eerst Mozes, dan Christus.
Eerst gerechtigheid, dan heerlijkheid.
Eerst een graf, dan het lied der opstanding.
Het eerste woord moge zonde en schuld zijn, maar het laatste woord is genade.
Indalen in den Jordaan, dat is dood, maar opklimmen uit den Jordaan is het lied des eeuwigen levens.
Wij hebben geen Borg naast onze zonde, en naast onzen dood, maar midden in onzen dood. De indaling in de Jordaan en het opklimmen uit den Jordaan vertelt ons, dat de Middelaar Gods en der menschen de parelen van zijn genade strooit op het pad van zonde en doodsdiepte.
Daar is een geopende hemel, zoo zegt ons de doop in den Jordaan, boven een wereld van zonde en dood.
Het ongeloof kent slechts de sprong in het onbekende. Daar is voor den wereldling slechts één groote raadselplek op aarde, dat is de donkere rand van een geopend graf. Daar is geen geopende hemel en waar geen hemel welft, en waar geen hemel opengaat, daar gaan slechts graf en dood hun kaken opensperren en tenslotte is het allerlaatste een open hel.
Wat is een mensch toch arm, voor wien en in wien alles stuk gaat, als hij zelf stuk gaat. Arm toch die wereld, die alles kan meedragen, maar het blijft allemaal liggen voor het hek van het kerkhof.
Maar al spreekt ons de doop in de Jordaan van dood en ondergang, hij zingt ook van opgang en voortgang, waarvan de echoklanken varen door de stille graven, en waarvan tonen nog voortklinken in het nieuwe lied.
Iemand heeft gezegd: leer de natie haar doop verstaan en zij is gered. Al is ook in dit woord eenige overdrijving, toch ligt er een kern van waarheid in.
De doop van Jezus verstaan is zijn eigen doop verstaan.
En wie het zoover gebracht heeft, die komt verder.
Deze begint met Johannes zijn kleinheid en onwaardigheid te kennen. Hy gaat voort met Jezus begraven te worden in zijn doop.
Hij klimt op in de gemeenschap zijner opstanding.
Hij wandelt naar een open hemel.
En daar zijn niet meer de boorden van den Jordaan, maar wel de stroomen van levend water.
Maar de Jordaan is er niet vergeten, want daar wordt nog gezongen: Gij, O Lam Gods, hebt ons Gode gekocht met Uw bloed.
Alle gerechtigheid is vervuld.

Een stroom van ongerechtigheden,
Had d'overhand op mij.
Maar ons weerspannig overtreden.
Verzoent en zuivert Gij.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 januari 1953

De Wekker | 4 Pagina's

De doop van den Heere Jezus (3)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 januari 1953

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken