Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Predikatie gehouden in de bidstond voor de Generale Synode op Maandagavond 7 Sept. 1953 te Apeldoorn (1)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Predikatie gehouden in de bidstond voor de Generale Synode op Maandagavond 7 Sept. 1953 te Apeldoorn (1)

12 minuten leestijd

Heilige Vader! bewaar ze in Uwen naam, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, gelijk als Wij. Johannes 17 : 11b

We zijn hier saâmgekomen om te bidden voor onze Generale Synode. Dat behoort tot de traditie in ons kerkelijk leven. Doch ons bidden mag in deze samenkomst geen zaak van traditie zijn, doch van levendige behoefte en dringende noodzaak. Alle arbeid in Gods Koninkrijk, ook die van de breedste vergadering onzer kerken, staat in het teken van het Schriftwoord, dat we zo goed kennen, maar zo gemakkelijk vergeten: „Zo de Heere het huis niet bouwt, tevergeefs arbeiden dezelfs bouwlieden daaraan; zo de Heere de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter. Het is tevergeefs, dat gijlieden vroeg opstaat, laat op blijft, eet brood der smarten: het is alzo, dat Hij het Zijn beminden als in de slaap geeft".
Wat zullen een paar drukke synodeweken van ingespannen arbeid, tot diep in de nacht soms, baten, als God Zijn zegen aan ons werkt ontzegt?
Deze zegen hebben wij ook nu vooral bijzonder nodig. Want onze Generale Synode wordt geroepen tot gewichtvolle arbeid, die in nauw verband staat met de vrede van Jeruzalem. En wie geen vreemdeling is in Jeruzalem, weet dat met grote belangstelling naar deze Synode wordt uitgezien, ja meer, met zekere spanning. Er is onrust in ons kerkelijk leven ontstaan. En zal het nu deze Synode gelukken om olie op de golven te spreiden, of zullen de spanningen toenemen? Zal de ontzaglijke scheurzucht, die het kerkelijk leven van Nederland verteert, ook ons kerkelijk leven verder aantasten, of zal de vrede van Jeruzalem worden bewaard en verinnigd?
Wij kunnen niet beter doen dan met al deze vragen ons neer buigen aan de voeten van Hem, Die 't verheerlijkte Hoofd van Zijn kerk is, Die als onze enige Hogepriester aan 's Vaders rechterhand voor haar bidt, en als onze hoogste Profeet uit Zijn woord ons onderwijs geeft inzake het gebed der kerk. Hij gaat ons al eeuwen in het bidden voor en we hoeven maar na te bidden, wat Jezus ons voorbidt. Alleen Christus is origineel in Zijn gebedsleven en Zijn kerk heeft slechts te treden in Zijn gebedssporen. Die gebedssporen vindt ge in Johannes 17, dat het z.g.n. Hogepriesterlijk gebed van Jezus bevat. Rijk is de inhoud van dit gebed voor Christus' strijdende kerk op aarde. Een deel ervan ontvouwt ons tekstwoord. Luisteren wij naar dit woord Gods, dat tot ons spreekt over:
't Gebed van onze enige Hogepriester om bewaring der Zijnen tot waarachtige eenheid.

1. De verheven aanspraak.
2. De troostrijke inhoud.
3. Het goddelijke voorbeeld.

1. De verheven aanspraak:
Johannes 17 is ongetwijfeld één van de rijkste hoofdstukken uit de Bijbel, maar dat wij benaderen moeten met ontschoeide voeten. Hier klinkt het woord, dat God eens tot Mozes sprak, ons tegen: „Nader hier niet toe; trek uwe schoenen uit van uwe voeten; want de plaats, waarop gij staat, is heilig land". Wij mogen hier immers een blik slaan in het binnenste heiligdom van Jezus' gebedsleven. En daar zien we Hem werkzaam als de barmhartige en medelijdende Hogepriester, Die niet alleen aan Zichzelf denkt, maar ook voor de Zijnen bidt. Hij is de meerdere Aäron, Die al de Zijnen, heel Zijn kerk, draagt op Zijn middelaarshart, en dat juist in tijden als zij het 't meest nodig hebben.
Zulk een moment was hier aangebroken. Jezus stond op het punt om door de tunnel des doods heen tot Zijn Vader terug te keren. Zijn ure was gekomen. Zo dicht bij, dat Hij spreekt van de werkelijkheid „En Ik ben niet meer in de wereld, maar deze zijn in de wereld, en Ik kome tot U". Maar de Zijnen gaan nog niet met Hem mee. Zijn kerk blijft nog achter in deze wereld. Zij is nog strijdende kerk. Zelf gaat Hij naar de heerlijkheid, die Hij bij de Vader had, eer de wereld was. Maar Zijn kerk ontvangt, zoals Johannes op Patmos het heeft gezien, een plaats in de woestijn.
Doch Hij laat de Zijnen niet onbeschermd achter. Hij dekt Zijn kerk onder het schild van Zijn voorbede, en eer Hij afscheid neemt, draagt Hij haar op aan 's Vaders hoede. Hij legt haar neer voor de troon der genade, met een gebed, dat reeds schoon is door Zijn verheven aanspraak: „Heilige Vader".
Welk een stille majesteit komt uit deze aanspraak ons tegemoet. Schoon is deze aanspraak door de eenvoud. Geen opeenstapeling hier van vele titels, die op de lippen van menige bidder tot versleten cliché's geworden zijn. Alleen dat korte, zinvolle: „Heilige Vader".
Dit is de enige maal in de Schrift, dat Jezus aldus Zijn Vader aanspreekt. En dat niet zonder reden. Want deze aanspraak staat in het nauwste verband met de bede zelf, die om bewaring der Zijnen vraagt. Misschien hadden wij juist, in verband daarmee, een andere aanspraak verwacht, bijv. Almachtige Vader. Immers voor de bewaring der Zijnen is toch goddelijke almacht nodig? Dat is toch een zaak van Gods sterke rechterhand, waarvan Gods volk zo gaarne zingt:
„Gods rechterhand is hoog verheven;
des Heeren sterke rechterhand
doet door haar daân de wereld beven,
houdt door haar kracht Gods volk in stand".
En toch spreekt Jezus Zijn Vader hier aan, niet als almachtige, maar als „Heilige" Vader. Omdat het in de bewaring der kerk juist gaat om de heiligheid des Heeren. Dat is die blinkende deugd in God, waardoor Hij afgescheiden is van en ver verheven boven de zondige mensheid. Daarin ligt uitgedrukt, dat het leven Gods volkomen van de zonde afgesloten is.
Van die heiligheid Gods is de Bijbel vol. God woont in het paleis Zijner heiligheid. Jesaja zag den Heere zitten op een hogen en verheven troon en Zijn zomen vervullende de tempel. De Serafs stonden boven Hem; een iegelijk had zes vleugelen; met twee bedekte ieder zijn aangezicht, en met twee bedekte hij zijn voeten en met twee vloog hij. De een riep tot de ander en zeide: „Heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen! De ganse aarde is van Zijn heerlijkheid vol". God is de volstrekt Heilige, de bron van alle heiligheid. Die nu ook van Zijn volk heiligheid vraagt. Aäron droeg op zijn voorhoofd een gouden plaat, waarin de woorden waren gegrift: Heiligheid , des Heeren. Hoe diep heeft God onder Israël Zijn heiligheid ingeprent: Zijt heilig, want Ik de Heere uw God ben heilig, 'n Brandend bewijs van Zijn heiligheid gaf God in 't sterven van Aärons beide zonen: Nadab en Abihu, die met vreemd vuur tot de Heere naderden. En eeuwen lang klonk dat woord van Mozes na: „In degenen, die tot Mij naderen, zal Ik geheiligd worden".
Niemand heeft dieper die heiligheid des Heeren beseft dan Jezus zelf. En daarom houdt Hij haar ook Zijn kerk voor in deze verheven aanspraak.
Deze aanspraak opent voor Gods kinderen, voor heel Gods kerk een treffende leerschool.
Dat is het bijzondere van deze aanspraak, dat zij tegelijk Gods Vaderliefde en Zijn heiligheid uitspreekt. Christus, die hier vóór Zijn kerk bidt, maar ook de Zijnen voorbidt, legt hier de Vadernaam op de lippen der Zijnen, als de hoogste naam, waarmee zij Hem noemen kunnen én mogen. Zij mogen tot de Heere naderen als de eeuwige Vader van onze Heere Jezus Christus, Die om Zijns Zoons Christus wil ook hun God en hun Vader is. Dat is de zalige permissie, voor elk die in Christus tot God nadert; dat is 't heerlijke voorrecht voor Gods kerk, ook als zij in synode bijeenkomt, dat we tot Hem mogen komen als die hemelse Vader, Die weet wat wij van node hebben, eer we Hem bidden. Al onze zorgen zijn Hem bekend. Als een kind aan zijn vader mogen we Hem alles vertellen.
Maar dan wil Christus hier ons ook leren, dat we te doen hebben met een „Heilig" Vader, die heiligheid vraagt. In deze aanspraak geeft Jezus de richting aan van het leven der Zijnen. Ze zijn wel in de wereld, maar niet van de wereld. Daartoe heeft Hij ze gekocht met Zijn dierbaar bloed, opdat Hij Zich een eigen volk zou heiligen, dat diep leert beseffen: „De heiligheid is Uwen huize sierlijk".
Die heiligheid Gods sta ons voor ogen in 't naderen tot God, zodat we iets doorleven van de gestalte van Jesaja: „wee mij, want ik verga! dewijl ik een man ben van onreine lippen, en ik woon in het midden eens volks, dat onrein van lippen is". Die heiligheid Gods vervulle ons in al onze heilige verrichtingen in Gods kerk en koninkrijk. Ach, wat een onheiligheid is er vaak in ons hart en in de kerk, in ons bidden en spreken. Wat is er veel dat ontsiert. Hoe nodig is het dat Gods Heilige Geest ons leert leven uit die verheven aanspraak. Aan die heiligheid Gods zij ook de arbeid van onze Synode onderworpen. Bij al haar arbeid bedenke zij, dat het gaat om de heiligheid des Heeren. Ander motief is er niet. Persoonlijke wensen en belangen moeten alle wegvallen voor die heiligheid des Heeren. Bij elke zaak, die ter tafel komt en in elke beslissing, die genomen wordt, wege op ons aller harten de vraag: is dit dienstbaar aan de heiligheid des Heeren? Vergeten wij het niet, dat een Heilige Vader uit de hemelen ons ziet, onze werken weet, ons doen en laten keurt. Opdat alles mag beantwoorden aan de reinheid van Zijn heiligdom!

2. De troostrijke inhoud:
Is de verheven aanspraak reeds schoon en leerzaam, rijker nog wordt de bede van Jezus, als we letten op de inhoud zelf.
„Heilige Vader", zo bidt Hij, „bewaar ze in Uw naam, die Gij Mij gegeven hebt".
Hoe wordt in deze bede de schoonheid van Christus openbaar als onze enige Hogepriester, Die de Zijnen draagt op Zijn hart, meer dan een moeder haar kinderen. Een echte moeder leeft altijd in voorzorg voor haar kinderen. Zij kent de noden van haar kinderen veel beter, en zij ziet de gevaren, die dreigen, veel eerder dan de kinderen zelf. Haar ogen zijn als 't oog van de moederarend, dat ziet dat haar arendsjong in de afgrond dreigt neer te zinken; maar peilsnel schiet zij onder het arendsjong om het te dragen op haar vleugelen, het veilige nest tegemoet.
Zijn bede is in de rijkste zin van het woord: voorbede. Dat betekent niet alleen, dat Hij bidt ten behoeve van de Zijnen, maar dat Hij reeds bidt nog vóór zij de gevaren zien en er zich midden in bevinden, 'k Denk aan dat woord, dat Hij tot Petrus sprak in verband met de komende zifting als de tarwe. Hij zag Petrus straks al wegzinken in de afgrond van het eeuwig verderf. Maar tot zijn troost en eeuwig behoud zei Hij vooraf tot Petrus: „Maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoudt".
Hier is diezelfde voorbede aan het werk. Christus gaat van hen heen. Hij laat de Zijnen achter in de wereld, hier te verstaan als het geheel van het mensenleven, losgemaakt van en vijandig tegenover God. Dat betekent voor de Zijnen een positie van strijd. Ze hebben het in die wereld niet makkelijk. Zij staan bloot aan zonde, verleiding, verdrukking zelfs. Christus weet dat. Hij ziet en kent de gevaren, die Zijn kerk de eeuwen door bedreigen. Eer er door theologen geschreven wordt over „spanningen", zijn ze Hem reeds bekend. Zijn voorbede is op alles berekend. En met 't oog op al de toekomstige gevaren, die de schapen zullen bedreigen, als de Herder der kudde tot God wordt genomen, heeft Hij gebeden: „Bewaar ze in Uw naam".
Hier ligt de kern van Christus' voorbede: het bewaren in Zijns Vaders naam! En wat Hij daarmee bedoelt, wordt ons duidelijk als wij dit lezen in het licht van het zesde vers: „Ik heb Uw naam geopenbaard de mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij waren Uwe en Gij hebt Mij dezelve gegeven, en zij hebben Uw woord bewaard". 't Gaat hier over Gods naam, als de samenvatting en uitdrukking van de bijzondere Godsopenbaring. Die naam heeft Christus hun geopenbaard bij het licht van Gods Woord. Zij hebben en kennen het profetisch Woord, waarover de Heilige Geest hun nog meer licht zal ontsteken. Want Hij zal hen in al de waarheid leiden. En nu gaat het erom, dat ze bij die openbaring bewaard blijven; dat zij vasthouden aan het woord, dat de waarheid is.
Want daar ligt nu het grote gevaar, dat Gods kerk de eeuwen door bedreigt, 't Is satan erom te doen, dat die naam Gods wordt verduisterd. Vanaf de eerste Godsopenbaring in het paradijs, na de zondeval, is de waarheid des evangelies het voorwerp geweest van de meest hardnekkige bestrijding. De eeuwen door hebben de aanvallen van het rijk der duisternis zich daarop gericht. Het ging en het gaat altijd weer om het woord, om de waarheid, om de zuiverheid der godsopenbaring. Om die waarheid is gestreden in de dagen der apostelen, in de kerk der eerste eeuwen, in de tijd der Reformatie, op de Dordtse Synode, door Hendrik de Cock, ja tot nu toe is de waarheid in het geding.
En naarmate wij dichter bij het einde der wereld komen, zal satan zijn pogingen vermenigvuldigen om Gods kerk los te maken van de naam des Heeren, om haar af te voeren van de openbaring in Zijn woord. Schrijft Paulus zelfs niet, als de antichrist komen zal, dat God een kracht der dwaling zal zenden, dat zij de leugen zullen geloven? (wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 september 1953

De Wekker | 4 Pagina's

Predikatie gehouden in de bidstond voor de Generale Synode op Maandagavond 7 Sept. 1953 te Apeldoorn (1)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 september 1953

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken