Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Uitwendige heiligheid - Inwendige heiligheid of Verbondsheiligheid XIV

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Uitwendige heiligheid - Inwendige heiligheid of Verbondsheiligheid XIV

6 minuten leestijd

De brief aan de Corinthen.
Er zijn hier twee plaatsen, die voor ons bij het vraagstuk over de kinderen des verbonds van verstrekkende betekenis kunnen geacht.
Het zijn de hoofdstukken 1 Cor. 7 en 1 Cor. 10.
In 1 Cor. 7 gaat het over een gemengd huwelijk, hetzij dat de vrouw, of hetzij dat de man nog heiden is, dus buiten de lijn van het verbond der genade staat. Dit huwelijk, zo zegt de Apostel, is wettig en mag niet ontbonden worden.
In vers 10 en 11 had hij gehandeld over echtscheiding. Het is wel heel hard de schande der echtscheiding te dragen. Er is hier een uitdrukkelijk gebod, niet van de Apostel, maar van den Heere Zelf. Immers wij mogen 1 Cor. 7:10 ook aldus lezen: Doch den getrouwden gebied niet ik, maar de Heere, dat de man van de vrouw niet schelde en indien hij ook scheidt, dat hij ongetrouwd blijve, of met de vrouw verzoene.
Hieruit blijkt, dat het niet allereerst gaat over geestelijke zaken, maar over de natuurlijke ordeningen, die het huwelijksleven hebben te dragen.
Wanneer nu een heiden, hetzij man of vrouw, tot het geloof in Christus gekomen is, zo staat zulk een gelovige niet ten achter bij het oude Bondsvolk, dat als een geheiligd zaad voor Gods Aangezicht had te leven. Ook de kinderen, die uit dit huwelijk geboren worden, zijn niet gelijk te stellen met heidenkinderen, maar ze zijn heilig. Hier hebben wij wel heel sterk een voorbeeld van „verbondsheiligheid", waarbij totaal is uitgesloten elke gedachte aan inwendige of uitwendige heiligheid. Dat woord „inwendig" deugt niet en dat woord „uitwendig" evenmin. Het verbond heeft met zulke bepalingen niets uit te staan, maar spreekt in positieve taal van de verbondsbetrekking tot de levenden God. Dat is hier wel zo sterk, dat heel de natuurlijke levensverhouding van het huwelijk er door geheiligd is. Daarom schrijft de Apostel: „want de ongelovige man is geheiligd door de gelovige vrouw en de ongelovige vrouw is geheiligd door de man. Want anders waren Uwe kinderen onrein, maar nu zijn ze heilig."
We hebben hier, gelijk uit heel het redebeleid van de Apostel blijkt, aan een theocratische, aan een verbondsheiligheid te denken, die wel herinneren wil aan een innerlijke, subjectieve heiliging, maar die het daarom nog niet is. Was dit wel het geval zo kwamen wij met deze tekst geheel in het moeras, want zelfs van de ongelovige man wordt gezegd, dat hij geheiligd is door de gelovige vrouw.
Prof. Bavinck is hier wel zeer duidelijk, wanneer hij in zijn boek „Roeping en wedergeboorte" op blz. 155 over deze Schriftuurplaats het volgende zegt:
„Ten andere gaat het moeilijk om bij het heilig zijn der kinderen aan een gans andere heiligheid te denken, dan bij het geheiligd worden van de ongelovige door de gelovige echtgenoot. Al is het ook, dat Paulus van de kinderen zegt, dat zij heilig zijn en van de ongelovige man, dat hij geheiligd wordt door de gelovige vrouw, het grondwoord is toch beide malen hetzelfde, en er is geen reden om het de ene maal een gans andere betekenis te geven, dan de tweede maal. Zelfs schijnt zich de redenering, daartegen te verzetten. Want indien de kinderen der gelovigen hier door Paulus in die zin heilig werden genoemd, dat zij wedergeboren en vernieuwd waren, dan zou daaruit ook moeten volgen, dat de ongelovige man in die zin door de gelovige vrouw werd geheiligd, dat hij; wedergeboren en vernieuwd werd. Anders zou de redenering niet opgaan, en van haar bewijskracht worden beroofd."
Dit is wel een zeer sterke schriftuurlijke bewijskracht, die prof. Bavinck hier aanvoert. Als werkelijk het woord „heilig" hier subjectieve betekenis had en wij dit moesten lezen in de zin van „wedergeboren" dan zou de tekst aldus kunnen gelezen worden: want de ongelovige man is geheiligd (d.w.z. weder geboren) door de vrouw, en de ongelovige vrouw is geheiligd (d.w.z. wedergeboren) door de man, want anders waren Uwe kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig (d.w.z. wedergeboren).
Ieder voelt direct tot welk een ongerijmdheid men zou komen, als zulk een lezing moest aanvaard worden.
Het is dan ook onbegrijpelijk, hoe men in dit schriftwoord bewijsmateriaal heeft ontdekt voor een leer, die thans de Gereformeerde Kerken voorstaan.
Nu is het waar, dat in de vijf artikelen tegen de Remonstranten deze tekst ook genoemd wordt als een troostbron voor ouders, wier kinderen in hun kindsheid worden weggenomen (art. 17 hoofdstuk 1).
Hier zou men tot de overtuiging kunnen komen, dat onze vaderen in de vijf artikelen aan een subjectieve heiligheid hebben gedacht. Inderdaad kunnen wij bij dit artikel deze kant uitgaan. Toch geloof ik, dat wij dan verkeerd doen.
Het gaat niet allereerst in dit artikel over de betekenis van het woord „heilig", al zullen wij dit niet kunnen overslaan, het gaat zelfs niet allereerst over godzalige ouders, maar het gaat allereerst en bovenal, over wat God zegt van Zijn verbond en van Zijn trouwbelofte. Daarom begint dit artikel niet met de godzalige ouders, maar met deze aangrijpende woorden: „nademaal wij van den wille Gods uit Zijn Woord moeten oordelen." Hiermede wordt gezegd, wat God doet met Zijn verbond, met Zijn belofte en met geheiligd zaad, als wij staan bij de sterfbedden en de graven onzer lievelingen. Hier neemt God, de God des Verbonds, dit „heilig" zaad over, en hier hebben godzalige ouders hun pleitgrond en troostbron, waaruit zij verkwikt worden, als tranen van diepe droefheid worden gestort over zo vroeg gestorven lievelingen.
Ik weet, dat niet allen in onze kerken deze troost hier ontdekken. Er zijn er misschien wel, die zulk een standpunt te ruim vinden. Zou voor een groot gedeelte de oorzaak hiervan niet te zoeken zijn in eigen verhouding ten opzichte van het verbond Gods? Als ouders voor zich zelf niet weten, wat het zegt: „Ik ben Uw God", als zij in de weg des verbonds zelf niets geleerd hebben van Gods verborgen omgangen, zelf niet weten, wat het is de God des Verbonds aan te grijpen op grond van Zijn eigen trouwbelofte, hoe zouden zulke ouders ooit de troost van Gods vriendelijk Aangezicht kunnen ontmoeten, als zij staan bij de graven hunner kinderen; hoe zouden zulke ooit crediet krijgen voor den Heere om hun zaad aan hem af te staan?
Wij moeten allereerst crediet krijgen voor God en Zijn Verbond.
Wie niet gelooft zal niet bevestigd worden.
Hoe dacht vader Brakel over deze dingen?

Apeldoorn, J.J. van der Schuit.

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 oktober 1954

De Wekker | 4 Pagina's

Uitwendige heiligheid - Inwendige heiligheid of Verbondsheiligheid XIV

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 oktober 1954

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken