Bekijk het origineel

Kerk en industrie (I)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Kerk en industrie (I)

7 minuten leestijd

1. De Fabriek.
Een fabriek is een wereld op zichzelf, een eigen wereld. Dat ziet u direct als u langs het gebouw gaat. Hoge muren omgeven het geheel, de ramen, die het licht doorlaten, zijn tot op een bepaalde hoogte van mat glas. De poort, die toegang geeft, is gesloten. Gaat u binnen, dan ontmoet u de portier, die nauwkeurig vraagt naar de reden van uw komst.
De moderne onderneming heeft een eigen levenszelfstandigheid. Op de fabriek klopt het leven. Het leven van de arbeid. Onttrokken aan de algemeen menselijke waarneming vinden duizenden en duizenden mensen op de fabriek hun arbeid en hun brood. Van de fabriek gaat dagelijks de invloed op hun leven uit. Zij geven hun krachten, hun levenskrachten aan het bedrijf, en omgekeerd geeft het bedrijf hun daarvoor de vergoeding in het loon, dat zij ontvangen. Behalve dit ondergaan ze dagelijks de invloed van machine, milieu, groepsverband, en allen die boven hen staan.
U moet een bedrijf hebben zien werken, wilt u zich enige voorstelling maken van de krachten die hier ontketend zijn en die zich laten gelden in het produceren als ook in wat men noemt de inwendige productiviteit.
Het moderne bedrijf is een wereld op zichzelf. Vroeger was de arbeid een heel wat eenvoudiger vraagstuk, dan nu in de tijd van het industrialisme. Vroeger was de arbeid een deel van het gezinsleven. Op de dorpsstraat werd het volle leven gezien en geleefd. De smid, de timmerman, de koperslager beoefenden hun werk in de voorkamer of in een zij vertrek van de woning. Het gehele gezin was bij het werk betrokken. De vader liep als een „patriarch" door de werkplaats, gaf zijn bevelen, hield alles in het oog, behandelde de clientèle, terwijl de zoons bijgestaan door een inwonende knecht, volop aan het werk waren. In het achtervertrek verbleef moeder met de dochters, druk in het huishouden, gereed om bij te springen als men het werk niet afkon. Alles werkte mee.
Kwam de predikant op bezoek, dan was dit voor hen een gemakkelijk bezoek. Hij trof allen bij elkaar. Hij liep eerst door de werkplaats, sprak de werkende mensen even aan, informeerde hoe de arbeid verliep, ging vervolgens naar de woonkamer, waar hij de moeder trof met allen die haar hielpen in de verzorging van het gezin. Het contact met de kerk werd gemakkelijk bewaard. Die tijd is voorbij. Misschien nog denkbaar in een dorpsgemeenschap, zeker ondenkbaar in een industrieplaats.
​Daar is de arbeid onzichtbaar geworden. Vader gaat naar het werk en niemand weet precies wat hij doet en hoe hij het doet. Het enige, wat men van hem merkt, is de geur van zijn kleren, die aan de fabriek doen denken, het wasgoed dat om een extra beurt vraagt, en het loonzakje dat hij elke week meebrengt, en dat de mate van de gezinswelstand uitmaakt. Verder niets meer. Hij gaat 's morgens de deur uit, komt als de afstand van fabriek naar woning niet al te groot is, in het middaguur thuis, keert tegen de avond, na een achturige werkdag vermoeid naar huis om daar de avonduren door te brengen. Wil de predikant het contact met de vader bewaren, dan zal hij 's avonds moeten komen, overdag is het niet mogelijk.
Het bedrijf is een eigen levenszelfstandigheid met eigen wetten en eigen normen. Die eigen normen hebben aan de fabriek een zelfstandigheid gegeven die veel groter is dan we wel denken. Het is n.l. zo, dat een bedrijf een eigen doelstelling heeft. Wat een eigen levenszelfstandigheid heeft, heeft ook een eigen doelstelling. Dit bepaalt meteen de eigen positie die het bedrijf in de samenleving inneemt.
De doelstelling van de fabriek is het streven naar winst, is het streven naar voorziening in behoeften, die redelijk zijn, is het streven naar continuïteit. (Drs. L.J. Oorsprong).
Dienovereenkomstig kent de onderneming een economische en technische noodwendigheid.
Onder economische noodwendigheid wil ik verstaan de winst die een bedrijf nu eenmaal moet maken, wil het rendabel zijn. Wie dit uit het oog verliest richt het bedrijf te gronde. In een bedrijf werken een aantal mensen. Deze worden in hun levenspositie bedreigd, zo het bedrijf niet verantwoord werkt. Er zitten veel meer facetten aan deze economische noodwendigheid, deze laten we evenwel ongenoemd.
Er is ook een technische noodwendigheid. Een bedrijf dat de continuïteit wil — en dat is de doelstelling van ieder bedrijf — is genoodzaakt tot steeds verder gaande mechanisatie. Elke technische verbetering moet aangetrokken worden. Wat de techniek geeft aan vooruitgang, moet toegepast worden. Dit komt het bedrijf, en daarin het geheel van al de daar werkende mensen, sterker nog het geheel van de menselijke samenleving ten goede. Ook hier zitten nog veel meer facetten aan, die we ook weer ongenoemd laten.
Het gaat er ons alleen om dat u ziet dat uit het in standhouden van het bedrijf normen voortkomen, die noodwendig zijn. Deze normen vragen van de arbeidende mensen veelal een onderwerping, die zo ingrijpend is in het leven, dat daaronder het gezinsleven schade lijdt. Als het bedrijf bijv. zegt, dat de rendabiliteit van de fabriek, gediend is met ploegarbeid, dan hebben de arbeiders eenvoudig de ploegarbeid te accepteren. Dat daardoor het gehele gezinsleven verandert en een omschakeling in leefwijze ondergaat, weegt niet op tegen de economische en technische voordelen, die het bedrijf daardoor krijgt. Het gezin moet zich maar aanpassen, de fabriek acht het nodig.
Een tweede zaak die voortvloeit uit de eigen levenszelfstandigheid van de fabriek is bijv. de eventuele Zondagsarbeid. Als de machines voor hun toerloze arbeid een bepaalde temperatuur vragen, dan is men verplicht het weekend te stoken: doet men dat niet, dan kan men 's Maandags wel een vrije dag geven, geen machine kan produceren. Technisch noodzakelijk zegt men dan We staan er nu eenmaal voor. We vragen mensen die bereid zijn Zondags te werken, we geven hun daarvoor goed loon, dan kunnen we 's Maandags direct op volle toeren verder werken. Welke consequenties hier aan vastzitten voor menig christen, die de Zondag wil vieren naar Gods gebod, is een moeilijkheid waar een directie nog wel eens mee zit, maar het bedrijf zelf stelt de noodzaak van Zondagsarbeid.
En wat doet de Kerk? Ja, daar ligt het hele probleem. Toen in Twente in de dertiger jaren het ploegensysteem is ingevoerd, is door één enkele kerkeraad (zegge en schrijve één) het bedrijfsleven aangesproken. Verder hebben alle kerkeraden het stilzwijgend geaccepteerd. De predikanten, die de helft van hun catechisanten maar eenmaal per 14 dagen meer ontmoetten, die vele van hun kerkeraadsleden op de kerkeraadsvergaderingen moesten missen, die in de gezinnen de vaders en de grote jongens bij avond niet meer aantroffen, hebben dit alles geaccepteerd. Ook het kerkelijk leven heeft zich onderworpen aan de bedrijfswetten.
En hoe het nu moet als straks — we staan immers aan de vooravond van de twee industriële revolutie: de automation — de Zondagsarbeid dringender wordt dan ooit, is nog een open vraag. De kerken hebben tot dusver gezwegen, — de tijd komt aan, dat zij het zwijgen verbreken moet en openlijk moet meespreken en eventueel getuigen tegen de aantasting van de Zondag. Dit is een zaak die niet slechts eigen kerken betreft, het is een zaak van heel de christenheid in Nederland. De onvermijdelijke automation raakt ons hele leven. De z.g. „glijdende" werkweek is een actueel vraagstuk, dat in de naaste toekomst de kerken zal moeten bezighouden.

Enschedé, Hilbers

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 januari 1958

De Wekker | 4 Pagina's

Kerk en industrie (I)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 januari 1958

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken