Bekijk het origineel

Overheidssteun bij kerkbouw (II)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Overheidssteun bij kerkbouw (II)

5 minuten leestijd

In het eerste artikel hebben we heel in het kort de stand der kwestie even aangegeven: het rapport-Sassen, dat als tijdelijke maatregel een rijksbijdrage in eens voor de bouw van kerken aanbeveelt, zonder aantasting van de vrijheid der kerken, vindt in allerlei kringen zowel voorstanders als tegenstanders, waarbij het opvalt, dat de tegenstanders vooral in de gelederen der politici worden gevonden en dat de voorstanders vooral in de kerkelijke regionen moeten worden gezocht. Dit is natuurlijk niet een regel, die bij iedereen en altijd opgaat, integendeel, maar dit is toch wel algemene indruk, die men krijgt. De advies-commissie van de A.R.-partij, belast met de bestudering van het rapport-Sassen, staat unaniem afwijzend tegenover het voorstel der Staatscommissie, en evenzo, om niet meer te noemen, de hoofdredactie van Trouw. De generale synode der Gereformeerde Kerken evenwel heeft tegen aanvaarding van de voorgestelde overheidssteun geen bezwaar, terwijl ook de Gereformeerde Gemeenten de steun van het Rijk bij de bouw van kerken dankbaar zullen accepteren. In dit gezelschap der kerkelijke voorstanders bevindt zich ook de hoofdredactie van het Friesch Dagblad, die tot de conclusie kwam, dat de door de commissie-Sassen voorgestelde regeling „billijk, logisch en aanvaardbaar is". De meningen zijn dus wel sterk verdeeld.
De vraag kan nu gesteld, welk standpunt naar ons oordeel het juiste is en welke houding wij dus in deze kwestie hebben aan te nemen.
Voor de beantwoording van deze vraag zullen we goed doen eerst eens naar de historie te zien, want het vraagstuk van de financiële verhouding tussen Kerk en Staat is niet bepaald nieuw te noemen. Het is in de loop der eeuwen steeds weer aan de orde geweest en het heeft vroeger, net als tegenwoordig, al vaak aanleiding gegeven tot allerlei gekrakeel en zelfs tot scheuringen. Maar als we nu even een blik in de geschiedenis werpen, dan willen we daarbij toch niet zo héél ver teruggaan. We beperken ons tot een enkel punt uit de geschiedenis van de Kerken der Afscheiding. Ook zij hebben zich in de vorige eeuw bezig gehouden met de financiële verhouding tussen de Hoge Overheid en de Kerken. Dat was niet naar aanleiding van een wetsvoorstel tot steun van Rijkswege bij de bouw van kerken, of iets dergelijks, maar dat was omdat men, toen de eerste moeilijke periode van strijd en vervolging voorbij was, sterk bepaald werd bij een artikel uit de Grondwet. In 1815 was dit artikel in de Grondwet gekomen en tot op heden is het ongewijzigd gebleven. Alleen in de nummering is meermalen verandering aangebracht. In 1815 was het artikel 194, in 1848 werd het 168, in 1887 171, in 1922 172, in 1938 178, terwijl het in 1953 artikel 185 is geworden en zo is het tot nu toe gebleven. Dit Grondwetsartikel luidt: „De traktementen, pensioenen en andere inkomsten, van welke aard ook, thans door de onderscheidene godsdienstige gezindheden of derzelver leraars genoten wordende, blijven aan dezelve gezindheden verzekerd. Aan de leraars, welke tot nog toe uit 's Lands kas geen, of een niet toereikend traktement genieten, kan een traktement toegelegd, of het bestaande vermeerderd worden." Dit artikel heeft natuurlijk een achtergrond, maar we gaan op de historie daarvan maar niet in, omdat dit een zeer ingewikkelde geschiedenis is, waarover vele juristen en ook theologen met meer of minder kennis van zaken en meer of minder duidelijkheid geschreven hebben — wie er meer van weten wil raadplege het, naar het mij voorkomt, duidelijke overzicht in het belangrijke werk van prof. dr. I.A. Diepenhorst, De verhouding tusschen Kerk en Staat in Nederland, Utrecht, z.j., voornamelijk de bladzijden 228— 270. Alleen dit is nodig op te merken, dat er in de historie rechtsgronden liggen voor deze uitkeringen van de Staat, welke rechtsgronden, kortweg gezegd, hierop neerkomen, dat de Overheid vroeger bezittingen van de kerken enz., aan zich had getrokken of in beheer had genomen. Op grond hiervan komt dus bovengenoemde bepaling in de Grondwet voor, en worden er aan kerken financiële toelagen verstrekt.
Maar, en nu komen we tot het punt, dat ons in dit artikel voornamelijk bezig houdt, de kerken der Afscheiding ontvingen geen uitkeringen. Een deel der Afgescheidenen had van het recht op de goederen der Ned. Herv. Kerk enz. afstand gedaan, omdat dit de voorwaarde was, waarop de Koning vrijheid van godsdienst wilde verlenen, een ander deel vond het vragen om vrijheid en het afstand doen van de goederen der aloude Gereformeerde kerken in ons land uit den boze, want de Afgescheidenen waren immers de wettige voortzetting van die aloude Gereformeerde kerken en hadden dus recht op goederen en uitkeringen. Dit verschil was één van de oorzaken van het uiteengaan der Afgescheidenen in twee hoofdgroepen, nl. de Christelijk Afgescheiden Gereformeerde Kerk en de Gereformeerden onder het kruis, de z.g.n. Kruisgemeenten, of zoals ze zichzelf officieel noemden de Gereformeerde Kerk, welke breuk gelukkig in 1869, althans grotendeels, weer werd geheeld. Op verschillende synodale vergaderingen nu kwam het feit, dat de Afgescheidenen geen uitkering van de Staat ontvingen ter sprake. In een volgend artikel willen we hiervan iets vertellen.

A. (Apeldoorn) H.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 april 1958

De Wekker | 4 Pagina's

Overheidssteun bij kerkbouw (II)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 april 1958

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken