Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De kinderdoop in geding (4)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De kinderdoop in geding (4)

De bezwaren tegen de kinderdoop

6 minuten leestijd

Het is opmerkelijk, dat er door de tegenstanders van de kinderdoop, die er voor en na geweest zijn, niet veel nieuwe argumenten zijn toegevoegd aan de Doperse kritiek. Er zijn enige variaties, maar het komt toch in hoofdzaak op hetzelfde neer.
Er is allereerst een biblicistisch bezwaar. Wij lezen in het N.T. nergens, dat kinderen gedoopt behoren te worden, of dat er kinderen gedoopt zijn. Het doopbevel, dat Christus gegeven heeft (Matth. 28:19), houdt niet in, dat de doop ook aan kinderen moet worden bediend.
Verder speelt het correlatie-motief een beslissende rol. De doop is in het N.T. het antwoord op een vraag van de mens, die tot geloof gekomen is, een antwoord op zijn begeerte naar de verzegeling van zijn geloof (Barth). De bijbelse orde is: geloof-doop. Hierbij wordt dikwijls verwezen naar Marc. 16:16: Wie geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden. En daar wordt dan de conclusie uit getrokken, dat de kinderen niet gedoopt mogen worden, zolang zij nog niet geloven kunnen.

Het eerste bezwaar.
Als wij in de Bijbel nergens van de doop van kinderen lezen, is de kinderdoop daarmee nog niet veroordeeld.
Niet alles, wat God van ons vraagt, staat letterlijk in de Heilige Schrift. De Bijbel is geen reglementenbundel. Er komt geen artikel over de doop in voor, dat wij maar voor het naslaan hebben.
De openbaring Gods geeft echter ook over die vragen licht, die er niet uitdrukkelijk in genoemd worden. Ook over de doop van de kinderen der gelovigen!
Het is ongeoorloofd om uit het zwijgen van het N.T. af te leiden, dat de kinderdoop in de tijd van de apostelen nog onbekend was.
In die periode kwam de groei van de kerk niet zozeer van binnenuit als wel van buitenaf. Joden en heidenen gingen tot het christendom over. Zij beleden hun geloof en werden gedoopt.
Wij zouden de kerk van de apostolische eeuw het best kunnen vergelijken met de kerk op het zendingsveld. Ook daar begint het met de doop van volwassenen, die voor Christus gewonnen zijn.
Zo is het al enigszins te begrijpen, dat het N.T. geen gewag maakt van de doop van kinderen. Maar daar komt nog iets bij.
Ieder weet, dat de kinderen onder de oude bedeling het teken en zegel van het genadeverbond in de vorm van de besnijdenis ontvingen.
Als het N.T. zwijgt, spreekt het daarmee uit, dat er geen wijziging is gekomen in de regel, dat ook de kinderen des verbonds het verbondsteken behoren te dragen.
Op de vraag, of wij uit het N.T. kunnen bewijzen, dat de kinderen gedoopt moeten worden, antwoorden wij met de wedervraag, of uit het N.T. te bewijzen is, dat ze niet gedoopt moeten worden!
De kinderdoop wordt niet met zoveel woorden geboden, maar hij wordt zeker niet verboden.
En men mag niet beweren, dat er in het geheel geen sprake is van de doop van kinderen.
De apostelen hebben wel gezinnen gedoopt: het huis van Lydia en dat van de stokbewaarder (Hand. 16:15 en 33) en dat van Stephanas (1 Cor. 1:16). Wij weten niet, of dat gezinnen met kinderen waren. Maar het gebruikte woord „huis" sluit de kinderen in elk geval eerder in dan uit. Men denke aan het woord van Jozua: Maar aangaande mij en mijn huis, wij zullen de Heere dienen (Jozua 24:15).
In de tijd van het N.T. werd er niet zo individualistisch gedacht als later. Dat blijkt b.v. uit de proselietendoop, die bij een overgang uit het heidendom naar het Jodendom werd toegepast. Kwam er een gezin over, dan ontving de man de besnijdenis en de doop. De vrouw werd gedoopt. En de kinderen eveneens. Zo'n proseliet werd dus gedoopt met zijn huis. En men bracht daar niet tegen in, dat de kinderen toch zelf het geloof nog niet beleden hadden.

Het tweede bezwaar.
Degenen, die de kinderdoop bestrijden, menen niet alleen, dat het Schriftbewijs ervoor ontbreekt, maar leren ook, dat het geloof altijd aan de doop vooraf moet gaan. Dan is het niet in orde om kinderen te dopen, die nog niet geloven kunnen.
Wij wijzen er echter op, dat het niet ons geloof is, dat de doop tot een ware doop maakt. De kracht en de waarheid van het sacrament hangt niet af van de staat van hem, die het ontvangt (Calvijn).
De Doperse richting legt de nadruk op de daad van de mens, die zijn geloof belijdt en de verzegeling ervan ontvangt.
Maar Gods Woord laat ons het sacrament in de eerste plaats zien als een daad Gods, waardoor Hij ons Zijn belofte te verstaan geeft en verzegelt.
Als ergens duidelijk is, dat het allereerst gaat om Gods genadedaden, dan bij de doop. Wij ondergaan de handeling. En dan is er geen essentieel verschil tussen het gedoopt worden als kind en het zich laten dopen als volwassene.
Maar er staat toch: Wie geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden!
Wij zullen ook deze tekst moeten lezen in zijn verband. Het gaat in Marc. 16:15 over de prediking van het evangelie aan alle creaturen. Ook vers 16 heeft betrekking op hen, aan wie het Woord verkondigd wordt. Voor hen geldt: Wie geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden. De keerzijde is: Maar wie niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden.
Wie in dit woord een algemene regel wil zien: „Eerst geloof, dan doop" komt tot zeer bedenkelijke gevolgtrekkingen ten opzichte van de kinderen.
Uit vers 16a leidt men dan af, dat de kinderen niet gedoopt mogen worden, omdat zij nog niet geloven.
Maar uit vers 16b zou men dan moeten opmaken, dat de kinderen verdoemd zullen worden, omdat zij niet geloven...
Men mag bij het lezen van Marc. 16:16 echter niet zo generaliseren. Het gaat hier over de volwassenen, tot wie de prediking komt, en niet over de kinderen.
Er zijn meer van die teksten, die wel absoluut klinken, maar toch niet zo volstrekt bedoeld zijn.
Calvijn heeft al gewezen op 2 Thess. 3:10: Dat zo iemand niet wil werken, hij ook niet ete. Generaliseert men hier even simplistisch, dan komt men tot deze conclusie: Kleine kinderen mogen niet eten, want zij willen nog niet werken....
Dit woord is echter een vermaning aan het adres van hen, die wel kunnen werken, maar het niet willen. Paulus heeft de kinderen hier niet op het oog gehad. En zo moet men ook voorzichtig zijn met Marc. 16:16.
Wij menen vast te mogen stellen, dat er in het N.T. niets is, dat tegen de kinderdoop pleit.
Maar dat is nog niet genoeg.
Is de kinderdoop ook op de Schrift gefundeerd?

Van Genderen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 september 1958

De Wekker | 4 Pagina's

De kinderdoop in geding (4)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 september 1958

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken