Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Rondom 1892 (III)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Rondom 1892 (III)

6 minuten leestijd

We hebben in het vorige artikel gezien, dat Van Lingen in het begin voor de Doleantie geijverd heeft. Maar al heel spoedig kwamen er bedenkingen bij hem tegen het Doleantie-beginsel. Dit was te begrijpen van een man als Van Lingen, die Schrift en belijdenis gelovig wilde naspreken en handhaven.
Om zijn bezwaren recht te verstaan moeten we weten, hoe de Dolerenden de Hervormde Kerk zagen. Dat is vandaag nog actueel. In het „Tractaat van de Reformatie der kerken" had Dr. Kuyper uiteengezet, dat er nog geen valse kerken waren. De valse kerk zal komen, wanneer de antichrist tot zijn hoogtepunt zal gekomen zijn. Dus in de eindtijd. Dr. Kuyper zei: de Hervormde Kerk is geen valse kerk. Terecht schreef Ds W. H. Gispen in 1884: „Het Tractaat is het machtigste pleidooi tegen de Afscheiding, dat ik ooit gehoord en gelezen heb."
In de Heraut werd het kerkbegrip der Doleantie ook beschreven. In Heraut nr. 460 lezen we: „De Dolerende Kerk is niet een tweede Kerk naast de bestaande (Hervormde Kerk), maar het is en blijft geheel dezelfde Kerk, slechts met dit onderscheid, dat zij thans doleert." In Heraut nr. 598 staat: „Bij de Doleantie handelen zij (de gelovigen) als de gelovigen, representerende heel de Kerk". Met „heel de Kerk", wordt bedoeld, de plaatselijke afdeling van het Hervormd Kerkgenootschap; dus het geheel van leden. De Dolerenden berichtten in 1886: Wij hebben het Synodale juk afgeworpen, wij hebben ons van de organisatie van 1816 vrijgemaakt. De organisatie van 1816 was volgens de Dolerenden een valse — maar de Hervormde Kerk was een ware kerk. Dus was er een breken met de valse organisatie, maar niet met de Hervormde Kerk.
Dit werd ronduit gezegd.
Dr. W. v. d. Bergh, genoemd „het geweten der Doleantie", zei in 1886: „Wij zullen noodkerken bouwen, al moet het ook tot de jongste dag toe". Ds Ploos van Amstel, „de Vader der Dolerenden", schreef in 1886: „Hebt gij de gemeenschap met Uw broeders, die in de Hervormde Kerk zijn afgesneden? Volstrekt niet. Die zijn dwangbuis uittrekt, trekt daarom zijn leden niet uit. Slechts een zware band is verscheurd en wel de Synodale band." Ds v. d. Vlugt zei in 1886: „Wij hebben de organisatie van 1886 verbroken, maar niet ons van de Hervormde Kerk ter plaatse afgescheiden." Ds Lion Cachet sprak hetzelfde uit. Dr. Schot was zo scherp tegen de afscheiding gekant, dat hij uitsprak; ,,In de Afscheiding is niets van de Heilige Geest".
Op het Gereformeerd Kerkelijk Congres in jan. 1887 en het Synodaal Convent in juni 1887 gehouden spraken de Dolerenden uit: De historische Gereformeerde Kerken zijn de Dolerende Kerken, die door de Dolerenden zijn vrijgemaakt. Krachtens het kerkelijk ambt, krachtens het ambt der gelovigen hadden de Dolerenden de onder het juk zuchtende kerk vrijgemaakt, gereformeerd. Het afscheidingsbeginsel en dat der Doleantie verschillen nog al van elkaar. Op het Synodaal Convent werd gezegd in betrekking tot de Christelijke Gereformeerden: ,,die reeds vroeger het juk der Hiërarchie afwierpen en zich voorhands op eigen voet hebben ingericht". De Dolerenden spraken hiermee uit: De Afscheiding van 1834 was geen Reformatie geweest. Het was te vroeg gebeurd. De Dolerenden reformeerden in 1886. Toen was het de juiste tijd. Er werd dan ook gezegd: De Christelijke Gereformeerden moesten weer met de historische Gereformeerde Kerken, de Vrijgemaakten door de Doleantie, in één kerk komen wonen. Er werd geponeerd op het Convent van 1887: De Christelijke Gereformeerde broeders zijn „in de wortel" nog met de historische Gereformeerde Kerken, Dolerenden, verbonden. De naam kerk werd de Christelijke Gereformeerden onthouden. De Christelijke Gereformeerden hadden zich op eigen voet voorshands, dit is voorlopig, ingericht. De Dolerenden hebben dit standpunt nooit radicaal prijs gegeven, al hebben ze ook nog zulke boetvaardige woorden in 1892 gesproken.
Tussen haakjes zij nog opgemerkt, dat de geschiedschrijvers uit het Dolerende kamp getracht hebben de Afscheiding te beschrijven als een vervroegde Doleantie. Mannen als Dr. Dijk, Dr. Kaajaan, Ds Fernhout, Dr. Rullmann en anderen hebben geponeerd, dat de afgescheidenen zich ook van het kerkbestuur hebben afgescheiden gelijk de Dolerenden. De officiële stukken weerspreken dit echter. Het zou te ver voeren dit hier grondig te bewijzen. Ds A. M. Lindeboom heeft het Dolerende geschiedschrijven in de 47ste jaargang 1947 van het Geref. Teologisch tijdschrift grondig weersproken met de officiële stukken. Hij schrijft: ,,De Gereformeerde geschiedbeschrijving is niet naar waarheid. De gehele rij der geschiedschrijvers heeft zich op dit punt vergist, niemand heeft het goed gedaan." Hij zegt dan: „Zoals het staat in „Het Rapport" van de Christelijke Gereformeerden 1935 is het verschil tussen Afscheiding en Doleantie naar mijn mening volkomen juist uiteengezet." Hij wijst er dan nog op, dat er aan de VU. weinig liefde voor de Afscheiding gekweekt is, en dat de werken van Ds. Ten Hoor, Prof. Lindeboom en anderen daar verwaarloosd zijn. Hun geschriften zijn te weinig gelezen. Dit geldt zeer zeker vandaag niet minder.
Ds Van Lingen heeft vóór 1892 deze werken wél gelezen en hij kwam er al meer door tot een beslissing. Hij heeft het Afscheidingsbeginsel gehandhaafd en verdedigd, toen er vele Christelijke Gereformeerden overstapten op de lijn der Doleantie. Trouwens Van Lingen zag de dingen anders dan velen voor 1892. Als Hervormd predikant was hij al zeer bezwaard over de Herv. Kerk. Op de predikantenvergaderingen sprak hij het al uit en in een protestschrijven aan de Herv. Synode eveneens. In de Dolerende Kerk verbloemde hij zijn bezwaren ook niet. Hij stond toen al op het standpunt der Afscheiding.
Een enkel bewijs. In 1889 beriep de Ned. Ger. Kerk te Alkmaar Van Lingen.
Hij was toen Director van het Gymnasium te Zetten. Hij bedankte echter voor het beroep van Alkmaar. Hij schrijft in „Petahja": „Mijn antwoord aan de kerkeraad te Alkmaar": „Ik meen geen ambtsbediening te kunnen aanvaarden in een gemeente, welke niet met het gehele genootschap, dat zich Herv. Kerk noemt, brak."
Ds Lion Cachet schreef toen in „De Hoop": „Ds Van Lingen kan soms vreemd en onverklaarbaar handelen". In de jaargangen 1888, '89, '90 van Petahja geeft Van Lingen dan antwoord aan ds Lion en zet zijn bezwaren betreffende de Doleantie duidelijk en scherp uiteen. Hij beroept zich op Schrift en Belijdenis en toetst daar de Doleantie-beweging aan. Leerzaam is het vandaag te luisteren naar wat Van Lingen schreef. De volgende keer willen we zijn bezwaren onder de ogen zien, die nóg actueel zijn.

M. (Midwolda) H. U. Westerterp

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 augustus 1962

De Wekker | 8 Pagina's

Rondom 1892 (III)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 augustus 1962

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken