Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Vrijgemaakten en wij (II)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Vrijgemaakten en wij (II)

9 minuten leestijd

Het brede artikel van ds. G. Visee te Kampen is aanleiding dat we ons in ons blad bezig houden met bovenstaand onderwerp. Het is goed dat het aan de orde blijft: zowel onze verhouding tot de Geref. Kerken (vrijgemaakt) als tot andere kerken van gereformeerde belijdenis. We accepteren de kerkelijke gescheidenheid maar al teveel als een vanzelfsprekende zaak en we zijn in gedachten, gebed en daad te weinig bezig met het opruimen van belemmeringen. Daarom mogen we elkaar niet loslaten. Tot dat elkaar niet loslaten behoort ook dat we steeds weer aanwijzen, waar eventuele knelpunten liggen. En dat niet om ons af te zetten tegenover elkaar of ons „eigen eindje" vast te houden, koste wat kost; maar wel om naar elkaar toe te groeien door elkaar te gaan begrijpen en elkaar aan te gaan voelen.

1869 en 1892
Dit zijn twee belangrijke jaartallen uit de vorige eeuw, die ook in het genoemde artikel worden besproken. In 1869 had een hereniging plaats tussen de afgescheidenen en de kruisgezinden tot de Chr. Gereformeerde Kerk en in 1892 verenigden de dolerenden en de chr. geref. zich tot de Geref. Kerken. In 1869 gingen enkele kerken niet mee; de grondslag voor de latere Geref. Gemeenten werd toen gelegd. In 1892 gingen ook enkele kerken niet met de Vereniging mee en bleven voortbestaan als Chr. Geref. Kerken.
Moeten we over de feiten, die toen plaats hadden, gelijk denken om tot kerkelijke eenheid te komen? Als we eens kwamen tot een nader contact met de Geref. Gemeenten, zal blijken dat deze kerken 1869 anders waarderen dan wij. En de vrijgemaakten waarderen 1892 weer anders dan wij. „Ik voor mij ben nog altijd van mening dat 1892 juist een daad van gehoorzaamheid en ook van zegen was " (Visee).
We zullen hier goed moeten onderscheiden.
Enerzijds: we mogen elkaar niet ophangen aan hetgeen in het verleden gebeurd is. Het is niet de vraag hoe onze vaderen tegenover elkaar stonden, maar hoe wij vandaag tegenover elkaar staan. Als er werkelijk eenheid is, echte geestelijke eenheid tussen twee kerken, dan mogen ze niet gescheiden blijven vanwege een verschillende beoordeling van het verleden.
Anderzijds: kan die verschillende beoordeling van het verleden een teken zijn van het ontbreken van geestelijke eenheid, althans van een niet voldoende begrijpen en aanvoelen van de motieven van de kerk met welke men verenigen wil?
Deze mogelijkheid is er zeer zeker; we zullen er rekening mee moeten houden.
Zo is het niet juist om niet het onderscheid aan te geven tussen 1869 en 1892. De vergelijking tussen deze beide jaartallen en feiten ligt voor de hand. In beide jaren kwamen kerken bij elkaar. Maar er is onderscheid. In 1869 was er confessionele en geestelijke eenheid; in 1892 was die eenheid er niet tussen de Chr. Geref. Kerken en de Nederduits Geref. Kerken. In 1869 ging het om twee kerken, die ruim dertig jaar geleden uit elkaar waren gegaan; in 1892 ging het om kerken, die beiden uit de Hervormde Kerken kwamen, maar die toch een geheel verschillende ontwikkeling hadden doorgemaakt.

1905
De Kamper pastor besteedt ook aandacht aan 1905 in zijn artikel. Volgens hem is de Utrechtse synode van dat jaar een goede synode geweest. De besluiten, die toen zijn genomen, hebben in alle aanvechtbaarheid samenbindend gewerkt. Hij stemt toe: over deze zaken denken de Chr. Geref. broeders anders. „Zij hebben zich altijd weer op 1905 beroepen ter rechtvaardiging van hun eigen kerkelijk standpunt". Bovendien is de uitspraak van 1905 door de vrijgemaakte kerken teruggenomen. Nu is dus het struikelblok verdwenen. „We hebben een schone lei". „Ook nu behoeft een verschillende beoordeling van 1905 ons vandaag niet te verhinderen om samen één weg te gaan".
Juist deze passage uit dit artikel doet me vrezen dat de verschillende kijk op het verleden maar niet alleen een historisch tintje heeft, maar andere achtergronden heeft, die beslist besproken dienen te worden.
Er staan trouwens een paar onjuistheden in deze passage, die niet zonder betekenis zijn.

Welke waarde?
Wij zouden ons steeds weer op 1905 hebben beroepen ter rechtvaardiging van eigen kerkelijk standpunt. We zouden 1905 altijd aangehaald hebben alsof toen het standpunt van Kuyper de kerkelijke ijk ontving.
Ik weet niet waarop deze mening gegrond is. De scribent citeert hier uiteraard particuliere meningen of geeft een indruk van bepaalde artikelen. Kerkelijke uitspraken zijn hier op dit punt niet. Geen enkele synode heeft zich over 1905 uitgesproken. Wel sprak de synode van 1893 uit van gevoelen te zijn dat de steeds meer doordringende leer omtrent de veronderstelde wedergeboorte bij de doop geen leer der Gereformeerde Kerk is. Met Gereformeerde Kerk wordt hier bedoeld: een kerk, die een gereformeerd karakter draagt en de gereformeerde belijdenis handhaaft.
Overigens kunnen we ds. Visee toestemmen dat we wel eens de indruk hebben gegeven dat we Christelijk Gereformeerd zijn terwille van „1905". Ons niet meegaan met de Vereniging van 1892 zou dan in 1905 pas een acceptabele grond hebben gekregen.
Nu spijt het me dat ds. Visee, nu hij over deze dingen schrijft, ook niet doorgeeft dat er in onze kring toch niet steeds zo gesproken en geschreven is, als hij het laat voorkomen. Ik moge verwijzen naar wat ik in 1952 schreef in m'n brochure „Onze verhouding tot de Geref. Kerken (onderh. art. 31) nú":
„1905 is niet het motief waarom we Christelijk Gereformeerd zijn alsof we achteraf ons niet meegaan met de Vereniging daarop gefundeerd hebben, zoals van de zijde van sommige Vrijgemaakten wel eens gezegd wordt, b.v. ds. J. van Raalte in „De worsteling om de eenheid". Maar de bezwaren, in 1892 door onze vaderen gesignaleerd, werden in 1905 wel gerechtvaardigd toen de veronderstelde wedergeboorte toelaatbaar werd geacht binnen de grenzen der belijdenis, al is het dan niet zo dat in 1905 — zoals van onze zijde wel eens is gezegd — de veronderstelde wedergeboorte als de exclusieve leer der Geref. Kerken werd aanvaard. Dit geschiedde pas in 1942 en volgende jaren".
In 1905 werd aan Kuyper een halt toegeroepen. Maar dit halt klonk niet krachtig. Bovengronds betekende 1905 een nederlaag voor Kuyper; ondergronds was 1905 een overwinning — zijn leer werd niet veroordeeld noch absoluut afgewezen.
We hebben ons daarom tegen 1905 verzet, omdat 1905 een bevestiging was van 1892: twee elkaar uitsluitende leer voorstellingen worden geduld in één kerk.
Dit is altijd het punt van verschil tussen onze kerken en de Geref. Kerken (syn.).
Het feit dat ds. Visee over deze betekenis van 1905 heenhuppelt doet vermoeden dat hier toch meer verschil is dan wel wordt toegegeven.

Teruggenomen?
We lezen in dit artikel dat 1905 is teruggenomen. Hier slaat de Kamper predikant de plank mis. Ik zou willen vragen: wanneer is 1905 teruggenomen? Een voorstel dienaangaande werd door de vrijgemaakte synode van 1946 niet aangenomen. In het rapport over de bespreking van deze materie is duidelijk geworden dat men deze uitspraak niet kon terugnemen omdat ze een pacificatie-formule was. Daarom werd uitgesproken dat deze verklaring „veelzins onjuist en daarom reeds als pacificatie-formule ondeugdelijk is" en „door onze kerken niet meer voor haar rekening wordt genomen".
De hele kwestie is uitvoerig aan de orde geweest in de correspondentie tussen deputaten van beide kerken in 1948-1950. En bij de eerste samenspreking, die in mei 1950 werd gehouden verklaarden vrijgemaakte deputaten dat 1905 nimmer confessionele binding had. „Was dit inderdaad het geval geweest, dan moest 1905 worden teruggenomen. Nu echter 1905 altijd als pacificatieformule werd gewaardeerd, kon men — om deze formele redenen — volstaan met de uitspraak „niet langer voor onze rekening nemen". Het betreft hier — zo zei men — een kwestie van zelfrespect! We zouden 1905 meer eer aandoen dan het waard is, wanneer we het terugnamen".
Toen deze deputaten bij deze gelegenheid ook verklaarden dat de leer der veronderstelde wedergeboorte niet tolerabel is, kwam hierover enige opschudding in de kring van deze kerken. De classis Stadskanaal maakte bezwaar bij de synode van Kampen 1951 tegen de uitdrukkingen van deputaten over 1905. Een predikant verklaarde dat de deputaten zich hebben laten gaan om daarover meer te verklaren dan zij in het licht van de historie zowel als van het heden kunnen verantwoorden. De kerk van Maartensdijk vroeg om een nadere uitspraak t.a.v. de huidige betekenis van 1905. Maar de Kamper synode sprak uit geen nieuwe uitspraak in dezen noodzakelijk of wenselijk te achten.
Een en ander maakt duidelijk dat 1905 niet zonder meer is teruggenomen.
Niet graag zou ik willen dat in ons gesprek met de vrijgemaakten 1869, 1892 of 1905 de beheersende onderwerpen waren. We willen heus het verleden niet oprakelen.
Een andere vraag is echter: hangt de aarzeling, die er wederzijds is, niet samen met een verschillende beoordeling van het verleden? Werkt het verleden — in concreto 1905 — niet door in het heden? En moeten we daarover geen klaarheid krijgen?
In het deputaten-gesprek is 1905 nauwelijks een onderwerp van gesprek geweest, nadat duidelijk was geworden hoe de stand van zaken was. Nu in het door ons blad overgenomen artikel 1905 aan de orde werd gesteld — onjuist en onnauwkeurig — blijft de vraag aktueel in de praktijk van de plaatselijke samensprekingen: begrijpt men in vrijgemaakte kringen welke bezwaren wij tegen 1905 hebben? Is men het met ons eens dat de geschiedenis van de verklaring van 1905 ons wat heeft geleerd en dat er moeilijkheden komen, wanneer men ruimte geeft aan twee elkaar op een belangrijk punt weersprekende leervoorstellingen?
De vraag, waar het steeds weer om draait, is: wordt in prediking en gemeentebearbeiding voldoende beklemtoond dat er onderscheid is tussen de belofte en de vervulling van de belofte; de toezegging en de toeëigening van het heil?
Om deze vragen ging het bij ons verzet tegen Kuypers leer. Om deze vragen gaat het in het gesprek met de vrijgemaakten.
Het verleden werkt door in het heden. Daarom moeten we niet uitgaan van het verleden, maar staan in het heden. We ontdekken dan dat we ons niet helemaal los kunnen maken van het verleden.
In het licht van de uitspraak van onze laatste synode komen we daar een volgende keer — over enkele weken D.V. — op terug.

J.H.V.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 augustus 1964

De Wekker | 8 Pagina's

De Vrijgemaakten en wij (II)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 augustus 1964

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken