Bekijk het origineel

De Zondag in geding (III)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De Zondag in geding (III)

8 minuten leestijd

We willen deze week aandacht geven aan de stand van zaken met betrekking tot Zondagsopvattingen in de kring van eigen kerken nadat we de vorige keren de lens richtten op Zondagsopvattingen in de Geref. Kerken en in de Geref. Bond. We zouden ook nog kunnen schrijven over de discussie die in de Geref. Kerken (vrijgemaakt) is gevoerd voornamelijk tussen de predikanten Venema en Francke over Sabbat en Zondag - een theoretische polemiek. Maar we laten deze discussie rusten en willen eens zien hoe in onze kerken de stukken momenteel liggen.

Synodale bepalingen
Allereerst wijzen we op de verschillende synodale bepalingen, die in onze kerken geldigheid hebben.
Art. 67 D.K.O. sub 1 luidt: „De Kerken worden ernstig opgewekt tot getrouwe heiliging van de dag des Heeren, zodat, uitgezonderd de werken der barmhartigheid, liefdadigheid en noodzakelijkheid, de wekelijkse arbeid en nering moeten nagelaten, opdat niet de toorn des Heeren over Zijn gemeente grotelijks ontsteke wegens de schending van de Rustdag"
Het is vooral het begrip noodzakelijke of niet-noodzakelijke Zondagsarbeid dat een rol gaat spelen. De Synode van 1919 sprak uit: ,,Een huwelijk aangegaan met iemand, die niet-noodzakelijke Zondagsarbeid verricht, kan niet kerkelijk worden bevestigd" (Art. 79 sub Ib D.K.O.)
Een andere bepaling - te vinden bij art. 67 D.K.O. sub 2 - luidt: „Zij die niet-noodzakelijke Zondagsarbeid verrichten, kunnen geen leden der gemeente zijn".
De vraag komt dan op: wat is noodzakelijke en wat is niet-noodzakelijke Zondagsarbeid? De Synode van 1947 bepaalde - en dat was een hele verruiming, al betekende dat ook een verschillende kerkelijke praktijk - ,,De beoordeling van ieder bepaald geval staat aan de Kerkeraad".
We weten hoe de praktijk is geworden. Iemand, die werkt bij de Spoorwegen, kan geen lid van onze kerken zijn. Zodra hij echter gepensioneerd is meldt hij zich als lid en kan daarna nog dienst doen als ambtsdrager. Deze gang van zaken heeft minstens iets onbevredigends en zeker nu onze jongens in militaire dienst in heel veel gevallen op Zondag reizen. Ook in dat opzicht is er een verschuiving gekomen. We kunnen rustig stellen dat zeker 95% van onze militairen 's Zondags met de trein terugkeert naar zijn kazerne. Voor en vlak na de oorlog lag dit anders. Nu zijn er vele leger- en plaatselijke predikanten die adviseren om de Zondagen in de huiselijke kring en in eigen gemeente door te brengen en dan 's avonds, indien nodig, terug te keren.
In het pas verschenen handboekje voor onze militairen lezen we: „Inwilliging van het verzoek om op maandagmorgen naar het onderdeel te mogen terugkeren, is een gunst van de betreffende Commandant, zij wordt soms verleend, nadat metterdaad gebleken is, dat de militair op Zondag van bus of trein geen gebruik maakt". Nu in Noord en Zuid toch van de trein gebruik wordt gemaakt en de betrokkenen dit doen zonder vermaand te worden is het niet consequent dat treinpersoneel geen lid van de kerk kan worden. Afgedacht nog van gebruik van de trein om andere, al of niet noodzakelijke, redenen.
Het begrip „werken van noodzakelijkheid" is trouwens steeds in discussie geweest. De Synode van 1840 vermaande om werken "die niet tot de godsdienst noodzakelijkheid en liefdadigheid behoren" niet te doen. „En indien al ergens de uitoefening van zodanige werkzaamheden in de gemeenteleden geduld wordt, is zulk nochthans in de opzieners en diakenen niet te verdragen, dewijl deze daardoor een kwaad voorbeeld aan de leden geven". Tweeërlei moraal dus: in de leden kan desnoods niet-noodzakelijke Zondagsarbeid geduld worden; niet in de ambtsdragers.
De Synode van 1857 sprak uit: „Op grond van de mindere werkzaamheden op de sabbat met het gaslicht dan met enige andere verlichting, besluit de vergadering dat het zonder gewetensbezwaar kan gebruikt worden, en derhalve leden, die in zulke fabrieken werken, geacht moeten worden werken der noodzakelijkheid te verrichten".
De Leidse Synode zal met de sabbat de Zondag bedoeld hebben, maar deze gelijkstelling is typerend.
Vermelden we tenslotte nog tot welke ingewikkelde situaties men kan komen bij de onderscheiding van noodzakelijke en niet-noodzakelijke arbeid. Arbeiders op een gasfabriek of electrische centrale mogen kerkleden zijn: de kerk maakt in haar kerkdiensten ook gebruik van gas en licht. Spoorwegpersoneel is uitgesloten. Maar een machinist, die 's Zondags een wagon kolen moet lossen bij een electrische centrale ontmoet op die dag een arbeiderkerkganger die van de kant van de centrale behulpzaam moet zijn bij het lossen van de wagon. De ene broeder mag geen, de andere wel lid van de Chr. Geref. Kerk zijn. Een vreemde situatie, die historisch is!

Glijdende werkweek
De classis Apeldoorn onzer kerken kreeg met het probleem van de Zondagsarbeid en de glijdende werkweek te maken in 1957 door een instructie van de kerk van Hengelo - een industriestad, waar men de ontwikkeling zag aankomen. De classis benoemde een studiecommissie, die de classis in april 1958 van rapport diende. Dit rapport werd toegezonden aan de Gen. Synode van 1959 ter begeleiding van de instructie, waarin gevraagd werd om een deputaatschap ter nadere bestudering van het vraagstuk „Kerk en industrie". Het rapport is opgenomen in de Acta van 1959; telkens weer wordt me gevraagd dit rapport toe te zenden, maar het is te vinden in genoemde Acta en het mag toch verondersteld dat iedere predikant en iedere kerkeraad een exemplaar van de Acta bezit zó dat dit exemplaar ten alle tijde kan worden geraadpleegd.
In dit rapport wordt de ontwikkeling naar de glijdende werkweek getekend tengevolge van de geleidelijke doorwerking van de automatisering. Betreffende de Zondag worden vele opmerkingen gemaakt. Wat de fundering betreft: „De Zondag heeft in de scheppingsorde een bijzondere plaats gekregen". Alle dagen zijn „dagen des Heeren", doch de sabbat is de dag des Heeren bij uitnemendheid. ,,De sabbat herinnert de mens er aan, dat zijn arbeid als zodanig niet de zin van het leven uitmaakt". „Hij Die deze dag in Zijn scheppingsorde heeft vastgelegd, deed dit, opdat die dag aan Hem gewijd zou worden".
Betreffende de Zondagsarbeid wordt duidelijk onderscheid gemaakt tussen noodzakelijke reparatie-werkzaamheden en Zondagsarbeid om economische redenen, omdat anders het produktieapparaat niet rendabel kan worden gemaakt. Het rapport wijst de gedachte af dat alle arbeid op Zondag moet worden afgewezen. „Maar dan kent men de praktijk van het leven niet. Er zijn nu eenmaal van die werkzaamheden, die ook op Zondag doorgang moeten vinden om zowel het sociale als ook het economische leven niet onmogelijk te maken". Gewezen wordt dan op de voedselvoorziening, de gas-, elektriciciteit- en watervoorzieningen. Weliswaar is men niet overtuigd dat dit alles tot het hoogst noodzakelijke wordt beperkt. Maar alle Zondagsarbeid zonder meer afwijzen betekent dat anderen worden gedwongen veelvuldiger hun plaats in het Zondagsarbeidsproces in te nemen. Het rapport loopt uit op een verwerping van de glijdende werkweek en van Zondagsarbeid terwille van de welvaartshoging etc. ,,Het kan niet in de bedoeling van Gods schepping hebben gelegen de techniek zo te doen ontwikkelen, dat hierdoor Zijn dag in het produktieproces moet worden opgenomen. Hierdoor zou God Zijn eigen scheppingsorde verloochenen. Laten wij als nietige mensjes het dan ook niet beter willen weten dan God in Zijn wijsheid heeft besloten en vastgesteld. In zes dagen zal het mogelijk moeten zijn het produktieapparaat rendabel te maken en een behoorlijk levensbestaan op te bouwen". De conclusies van het rapport lopen dan ook uit op verwerping van niet noodzakelijke Zondagsarbeid en een opwekking bij de leden van de kerken een positief afwijzend standpunt in te nemen tegen Zondagsarbeid, die de glijdende werkweek met zich meebrengt.
De Gen. Synode van Rotterdam 1959 aanvaardde grotendeels de conclusies van dit rapport en sprak uit dat hier een vraagstuk aan de orde is dat bezinning behoeft; dat ernstig gewaakt dient te worden tegen toegeeflijkheid inzake Gods gebod onder invloed van voortgaande mechanisatie en automatisering en dat de z.g. glijdende werkweek voor een christen ten enenmale onaanvaardbaar is.
De zaak werd ter verdere bestudering opgedragen aan deputaten „voor algemene diakonale en sociale aangelegenheden". Deze deputaten boden aan de Synode van 1962 een rapport aan met verschillende bijlagen. In bijlage 4 wordt uitvoerig op deze materie ingegaan. We lezen o.a.: ,,En als God in Ex. 20:11 het sabbatsgebod motiveert met een beroep op Zijn scheppingsritme, dan betekent dat in de eerste plaats dat de rustdag niet een joods-religieuze instelling is, die door de komst van Christus werd afgeschaft, maar een dag die ,,dateert" van de schepping en dus doorgaande geldigheid bezit". Het continustelsel wordt door deputaten afgewezen, indien daarbij louter economische motieven een rol spelen. ,,De consequenties daarvan zullen in het geloof moeten worden geaccepteerd. Primair is niet het economisch welzijn, maar het dienen van God, onder meer in de rust van de Zondag. De derde conclusie luidt dan ook: ,,Aan het karakter van de Zondag als de dag des Heeren en aan de in het vierde gebod aan de besteding van die dag gestelde eisen moet onverkort worden vastgehouden".
De ruimte voor deze rubriek is verbruikt. Volgende keer D.V. verder.

J. H. V.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 mei 1966

De Wekker | 8 Pagina's

De Zondag in geding (III)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 mei 1966

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken