Bekijk het origineel

De Zondag in geding (IV)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De Zondag in geding (IV)

Geen Zondagsarbeid

8 minuten leestijd

In het nummer van 20 mei j.l. werd het derde artikel in deze serie gepubliceerd. We gaven toen een overzicht van de stand van zaken zoals die tot uiting kwam op de Synodes van 1959 en 1962. In dit artikel komen we nog even op het rapport-1962 terug en gaan we verder met een uiteenzetting van wat tot dusver onder ons op dit punt werd geschreven.

In het rapport van deputaten voor algemene diaconale en sociale (in 1962 veranderd in: maatschappelijke) aangelegenheden aan de Synode van 1962 werd in bijlage 4 uitvoerig geschreven over deze problemen. We citeerden de vorige keer reeds de derde conclusie: ,,Aan het karakter van de Zondag als dag des Heeren en aan de in het vierde gebod aan de besteding van die dag gestelde eisen moet onverkort worden vastgehouden".
De vierde conclusie luidt dan ook, uit het vorige voortvloeiend: ,,Het verrichten van niet noodzakelijke beroepsbezigheden op Zondag moet worden afgewezen". We ontveinzen ons niet dat deze conclusie tegelijk vragen oproept. Welke zijn niet noodzakelijke beroepsbezigheden?
Bestaat de mogelijkheid dat door de structuur van deze tijd en andere vroeger in de verste verte niet voorziene ontwikkelingen, zelfs een paar jaar geleden nog niet, niet-noodzakelijke beroepsbezigheden noodzakelijk kunnen worden? Welke normen gelden in dit geval en wat beslist hier uiteindelijk?
In dit rapport werd ook duidelijk gesteld: Het heiligen van de rustdag wil nadrukkelijk zeggen, dat deze dag voor God wordt afgezonderd. Daarom is de rust op deze dag niet slechts een krachten verzamelen voor de komende werkweek, nog minder een zich verstrooien in de wereld, maar een rust welke ter beschikking wordt gesteld aan God. Dit geschiedt op zinvolle wijze in de samenkomst der gemeente, waar dank kan worden gebracht voor de zegen van de arbeid en vergeving kan worden gevraagd voor de zonden van de arbeid.
Hierin wordt een belangrijk beginsel uitgedrukt, dat we steeds voor ogen dienen te houden. De Zondag is er niet allereerst opdat de mens eens lekker uit kan rusten of kan genieten, maar terwille van de Heere. Als Gods rusten betekent een zich verlustigen in Zijn werk, dan wordt ons rusten alleen dan positief geladen wanneer we ons verlustigen in de Heere.
Terecht volgt op de geciteerde passage dan ook direct dat er een belangrijk verschil is tussen de rust op een vrije zaterdag en die op de dag des Heeren. De rust van de vrije zaterdag en in vakantietijd valt niet onder het rustgebod van de tien geboden. De rust op de vrije zaterdag kan worden verstaan als een zich ontspannen of een zich inspannen op zodanige wijze, dat men toch van ontspanning kan spreken.
Voor de conclusies getrokken worden wordt resumerend vastgesteld in dit rapport: ,,dat de kerk zich duidelijk zal hebben uit te spreken tegen de verstoring van de zondagsrust door het bedrijfsleven of door de wedstrijdsport, maar eveneens leiding zal moeten geven aan een verantwoorde besteding van de rust". Zo zal zij negatief moeten aandringen bij de grote bedrijven op loslating van het continustelsel en bij de K.N.V.B. op verschuiving van de wedstrijdsport naar de zaterdag en positief op de mogelijkheden van zondagsontspanning die strekt tot ontmoeting met God".
Het is goed dat ook dit laatste element genoemd wordt. Jammer, dat het niet verder wordt uitgewerkt. We zijn in de regel sterk in het zeggen hoe het niet is en moet, maar zwak in het aanwijzen hoe het dan wel is en moet. Daarom waarderen we het dat op de positieve besteding van de Zondag wordt aangedrongen. Juist het feit dat men negatief zich onthouden heeft van zondagsontheiliging, maar positief zo weinig gedaan heeft aan zondagsheiliging, heeft de Zondag bij mensen buiten en bij jongeren in de kerk in een kwade reuk gebracht. We zijn er immers niet wanneer de Zondag stipt in ere wordt gehouden, geen werk wordt gedaan, zelfs gelijk in sommige kringen nog te doen gebruikelijk is - geen wandeling wordt gemaakt. Als men thuis bezig is met dingen, die met de Zondag niets te maken hebben of praat over dingen en mensen op een wijze, die achterklap of laster nadert, dan heeft men het zondagsgebod eveneens overtreden, ook al heeft men zich tegen welke vorm van arbeid dan ook zeer verzet. Of wanneer ouders hun kinderen op Zondag vanwege de heiliging van die dag van straat weten te houden en in huis opsluiten, maar zelf 's middags gaan slapen en hun kinderen aan hun lot overlaten, zodat die kinderen zich gaan vervelen, dan wordt de Zondag op deze wijze niet minder ontheiligd dan wanneer die dag gebruikt wordt voor allerlei genot en vermaak buitenshuis. We moesten er feitelijk van doordrongen zijn dat we onze positie tegen de Zondagsontheiliging verzwakken als we geen oog hebben voor de eveneens geboden Zondagsheiliging.
We merken dit n.a.v. dit rapport nu reeds op.

Nieuwe bezinning
In juli 1965 zonden dezelfde deputaten een missive naar de kerkeraden naar aanleiding van recente ontwikkelingen in het bedrijfsleven o.a, de invoering van de continu-arbeid in de papierindustrie.
De ontwikkeling is in die drie jaren snel gegaan. Deputaten spreken nu iets genuanceerder over Zondagsarbeid, Terecht wordt gesteld: het vraagstuk heeft verschillende kanten en het is niet mogelijk hierover een allesomvattende uitspraak te geven. In ons maatschappelijk bestel zijn er altijd bepaalde vormen van zondagsarbeid geweest. We gebruiken allen heel wat producten waaraan Zondagsarbeid besteed is. Gewezen wordt op diensten als ziekenhuizen, produktie en distributie van water, gas, electriciteit enz. Afwijzing van alle Zondagsarbeid zonder meer zou inhouden, dat we anderen daardoor zouden dwingen dit soort arbeid ook voor ons te verrichten.
Ook in dit stuk, dat we uitvoerig citeren, omdat het m.i. te weinig bekend is bij onze kerkleden, wordt met nadruk gezegd dat het onmogelijk is de rustdag willekeurig naar een andere dag te verleggen. „Een glijdende werkweek zal de mens isoleren en de gemeenschapsbeleving in gezin en kerkelijke gemeente, en daardoor ook de dienst aan God, belemmeren".
Deputaten komen verder te schrijven over de techniek, die onvoorstelbare mogelijkheden opent, maar ook ernstige gevaren en verzoekingen meebrengt. Er bestaan technische processen waar, bij de huidige technische kennis, Zondagsarbeid nog niet voorkomen kan worden. De techniek dient in dienst gesteld te worden van de Zondagsviering en niet omgekeerd.
Als het gaat om het economisch motief tot Zondagsarbeid moet gevraagd worden, even als bij het technisch motief: Is werkelijk alles gedaan, is werkelijk alle technisch kunnen te baat genomen om dit te voorkomen?
Deputaten erkennen dat economische eisen zeer zwaar kunnen wegen. ,,De bevolkingstoename en de dreiging van massale werkeloosheid (die materieel en geestelijk rampzalige gevolgen meebrengt) als ons land niet zou concurreren tegen het prijsniveau in het buitenland, noodzaken ons bedrijfsleven tot zo groot mogelijke efficiency".
Een papierfabriek op de Veluwe schreef daarom onlangs aan een aantal kerkeraden, die bezwaard waren over de voorgenomen vol-continudienst: ,,Bij een verdere daling van de verkoopprijzen van papier, die helaas niet geheel denkbeeldig is, zou een uiterste consequentie hiervan kunnen zijn het verminderen of stilleggen van de activiteiten van onze papierfabriek. Dit zou ongetwijfeld voor deze streek een economisch en maatschappelijk verlies betekenen". Even verder: „Naar onze mening zouden de morele bezwaren tegen de volcontinudienst toch met zorg te dienen worden afgewogen tegen het feit, dat ons bedrijf, door het bieden van een vaste en deels hooggeschoolde werkgelegenheid, in onze streek een stabiliserende factor vormt, ook in de zin van geestelijke waarden die door de kerkeraden worden voorgestaan". Met andere woorden: als ons bedrijf door het niet invoeren van de volcontinudienst gesloten moest worden, zouden vele waarden verloren gaan. Beseft u, kerkeraden, dat u op deze wijze ook verantwoordelijkheid op u laadt?
We stippen deze ingewikkelde problematiek maar even aan om te laten voelen dat we hier niet met een eenvoudig vraagstuk te doen hebben en dat we hier goed dienen te overwegen welke beslissing voor Gods aangezicht verantwoord is.
In het stuk van deputaten wordt verder gezegd: deputaten oordelen niet dat iedere Zondagsarbeid moet worden afgewezen. Gedacht wordt aan dienstverlenende sectoren.
Noodzakelijke zondagsarbeid mogen we ook niet overlaten aan niet-christenen. Voor gelovige en niet-gelovige stelt God dezelfde wet. Het is goed dat dit laatste ook nog eens gezegd wordt. We mogen, als het om noodzakelijke zondagsarbeid gaat, de ongelovige er niet voor laten opdraaien. Iets anders is natuurlijk niet-noodzakelijke zondagsarbeid, waarbij direct kan worden opgemerkt dat er bepaalde beroepen zijn, die voor een christen niet aanvaardbaar zijn.
Aan het slot van dit gedeelte van hun missive zeggen deputaten: Er is geen codex samen te stellen van werkzaamheden, die op Zondag verricht mogen worden. In voorkomende gevallen moet het goed duidelijk zijn, waarom een bepaalde soort van Zondagsarbeid verricht moet worden. Pas dan kan een christen trachten uit te maken of in dat geval Zondagsarbeid noodzakelijk is of niet. Aangedrongen wordt om pastorale aandacht te geven aan al deze gevallen.
Concluderend menen we te mogen zeggen dat deputaten het beginsel van het rapport van 1962 vasthouden, maar iets genuanceerder spreken over Zondagsarbeid en meer oog hebben voor het feit dat het terrein van niet noodzakelijke zondagsarbeid wordt uitgebreid.

J. H. V.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juni 1966

De Wekker | 8 Pagina's

De Zondag in geding (IV)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juni 1966

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken