Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De vrouw op de kansel? (II)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De vrouw op de kansel? (II)

7 minuten leestijd

De vorige maal gaf ik een kort overzicht van de inhoud van het boekje van Dr. Goedhart over de kerkelijke positie van de vrouw ten aanzien van de ambten. Duidelijk bleek zijn afwijzend standpunt in deze. Dr. Goedhart — en met hem vele anderen — menen tot dit afwijzend standpunt te moeten komen louter op grond van wat de Schrift zegt. Een ander argument mag in deze kwestie volgens hem geen enkele rol spelen. Hij wil zich door niets anders laten leiden dan door de uitspraken van Christus en van Zijn apostelen.
Hoewel ik voor het boekje van Dr. Goedhart veel waardering heb vanwege de ernst en de helderheid waarmee het geschreven is, meen ik toch dat het niet het laatste woord kan zijn. Ongetwijfeld worden waardevolle overwegingen ingebracht in de diskussie omtrent de vrouw in het ambt. De teksten die worden aangevoerd zijn inderdaad de Schriftwoorden, waaromtrent in verband met het onderwerp duidelijkheid moet komen. Maar ook na dit boekje blijven nog allerlei vragen over, die de kern van de zaak betreffen. Het vraagstuk is ook vanuit de Schrift genuanceerder, dacht ik, dan dat Dr. Goedhart doet voorkomen. En soms worden door hem konklusies getrokken, die voor de hand kunnen liggen, maar niet dwingend noodzakelijk zijn.
Ik zeg niet dat ik mij stel aan de zijde van hen, die het ambt in de kerk thans ook voor de vrouw willen openstellen. En zeker niet wanneer hier motieven buiten de Schrift om of zelfs over de Schrift heen een rol spelen. Met het argument van de tijdgebondenheid der Schrift en veranderd kultuurpatroon in onze tijd zijn we zonder meer niet klaar. De eerste vraag is en blijft: wat zegt de Schrift? Maar dat geldt natuurlijk evenzeer voor hen, die zomeer de traditie willen handhaven omdat zij de eeuwen door gegolden heeft.
Het kan ook zijn dat de Schrift eeuwen lang op een bepaald punt verkeerd verstaan is. De kerk heeft zich vaker moeten herzien en er zijn in vroeger eeuwen soms verklaringen van Schriftwoorden gegeven, die wij thans zo niet meer volgen.
De vraag moet zijn: wat zegt de Schrift? En dan dacht ik dat ook na het boekje van Dr. Goedhart nog vragen overblijven. Hij wijst op de verschillen tussen het charismatisch en het officiële ambt (bl. 17). Die verschillen zijn er inderdaad. Maar is die grens in de eerste christelijke kerk werkelijk zo scherp als door Dr. Goedhart wordt aangewezen? Zijn de grenzen niet veel vloeiender dan hij stelt?
In Rom. 12:6-8 noemt de apostel de charismatische gaven, die Christus geeft aan Zijn kerk; hetzij profetie, naar de mate des geloofs, hetzij bediening in het bedienen; hetzij die leert in het leren hetzij die vermaant in het vermanen; die uitdeelt in eenvoudigheid; die een voorstander is in naarstigheid.
De profetie was in de eerste christelijke kerk een charimatische gave, die ook aan vrouwen werd verleend (Hand. 21:9; 1 Kor. 11:5). Maar wat wordt met die andere gaven bedoeld? Paulus spreekt van de gave der „bediening". In het Grieks staat het woord ,,diakonia", ons woord ,,diakonie", het wil eigenlijk zeggen: ,,dienst".
Vervolgens spreekt Paulus van de gave om te leren, d.i. de gave van de ,,leraar", van wie we ook lezen in Hand. 13:1; 1 Kor. 12:28 en Efeze 4:11. Verder van de gave om te vermanen en van de „voorstander". In het Grieks hangt dit laatste woord samen met een werkwoord, dat ,,aan het hoofd staan", ,,leiden", „besturen" betekent. Het werkwoord komt ook voor in 1 Thess. 5:12, waar het betekent ,,leiding geven" en in 1 Tim. 3:4, waar van een ouderling wordt gezegd, dat hij een goed ,,bestierder" van zijn huis moet zijn. Hij moet zijn eigen gezin kunnen ,,leiden", ,,bestieren"; de St. Vert. heeft ,,regeren". In 1 Tim. 3:12 wordt hetzelfde gezegd van de diakenen en hetzelfde werkwoord gebruikt.
In 1 Tim. 5:17 wordt het van de ouderlingen gebruikt, die ,,goede leiding geven" (N.V.) of „wel regeren" (S.V.). Een ,,voorstander" is dus iemand die leiding geeft. De N.V. heeft dan ook ,,wie leiding geeft".
Hier worden duidelijk diensten genoemd, die later worden uitgeoefend door ouderlingen en diakenen. Zij zijn er voor de leiding in de gemeente en de dienst van de barmhartigheid. En de ,,leraar" is later de figuur in de kerk, die het Woord Gods verkondigt, dat uitlegt, toepast en vermaant, de dienaar des Woords.
Nu kan men zeggen dat Paulus hier de ambten van dienaar des Woords, ouderling en diaken niet op het oog heeft. „De apostel spreekt niet strikt alleen over de bijzondere ambten en hunne bedieningen" (Greijdanus). Maar Calvijn dacht daaraan wel. Hij schrijft: „Onder degenen die geven, verstaat hij (d.i. Paulus) hier niet die van het hunne geven, maar de diakenen, die verordend zijn om de gemene goederen der gemeente uit te delen". En wat de ,,voorstanders" betreft meent Calvijn dat Paulus spreekt „van de ouderlingen, die op het leven en de zeden acht namen".
Ook het bevestigingsformulier voor ouderlingen en diakenen, betrekt de woorden van Paulus op deze ambten: „Want Paulus, gesproken hebbende van het leerambt, en ook van het ambt der uitdeling of diakenschap, spreekt daarna van deze dienst (d.i. het ambt van ouderling) afzonderlijk, zeggende ,,die een voorstander is, dat hij zulks doe in naarstigheid". En als Paulus in Rom. 12:8 zegt, dat degenen die uitdelen zulks doen zullen in eenvoudigheid, spreekt hij van het diakenambt.
Maar ook wanneer men deze exegese van Calvijn en van het bevestigingsformulier niet aanvaardt, blijkt toch heel duidelijk het nauwe verband tussen het charismatische en het gewone ambt. Want het is toch voor geen tegenspraak vatbaar dat wat Paulus in Rom. 12 bedoelt ten nauwste samenhangt met de ambten van predikant, ouderling en diaken. Deze van oorsprong charimatische ambten hebben zich tot de gewone ambten ontwikkeld. De laatste zijn ontstaan uit de charismatische
Hetzelfde zien we ook in 1 Kor. 12: 28 vv. Daar worden apostelen, profeten, leraars, krachten, gaven van genezing, bekwaamheid om te helpen, om te besturen en verscheidenheid van tongen op één lijn gezet. Het gaat hier ook om de charismatische gaven. Daaronder vallen ook de leraars en zij, die bekwaam zijn om te helpen en te besturen.
Er zijn exegeten, die ook hier niet aan predikanten, diakenen en ouderlingen willen denken. Calvijn doet dat wel. Misschien is dat niet helemaal juist. Als we daarvan spreken denken we meer aan de gewone ambten en hier dragen ze nog een charismatisch karakter. Maar duidelijk blijkt dat oorspronkelijk tussen de gewone en de buitengewone ambten niet zo'n groot verschil bestond.
Tenslotte kan nog gewezen worden op Efeze 4:11: En Hij (d.i. Christus) heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders en leraars. Ook hier vallen de leraars onder de charismatische ambten, terwijl daaruit later het gewone ambt van dienaar des Woords ontstaan is.
Ook Calvijn zegt dat. Volgens hem heeft God met de apostelen, evangelisten en profeten Zijn gemeente alleen een tijdlang gesierd: ,,uitgenomen waar de religie vervallen is, daar verwekt Hij evangelisten buiten orde, om de zuivere leer wederom te voorschijn te brengen. Maar zonder herders en leraars kan geen regering der gemeente zijn".
We kunnen verder wat Calvijn zegt laten voor wat het is. Men hoeft het niet in alles met hem eens te zijn. Maar feit is dat oorspronkelijk het charismatisch ambt en het gewone ambt niet zo ver uit elkaar gelegen hebben.
En als de vrouw nu wel deelde in het charismatisch ambt, waarom dan niet in het gewone ambt? Of hebben hierbij later andere motieven een rol gespeeld? B.v. motieven van gepastheid of van ondergeschiktheid van de vrouw aan de man? Vanuit de gaven van de Geest in het charismatisch ambt en de oorsprong van het gewone ambt is het niet te verklaren dat de vrouw buiten het officiële ambt is blijven staan.
Terecht merkt Dr. Goedhart op dat één van de verschillen tussen het charismatische ambt en het officiële ambt ligt in het al of niet medewerken van de gemeente. ,,De charismatische ambten komen door de werking van de Heililge Geest spontaan uit de gemeente op. Als dezelfde Geest ,,opzieners" aanstelt wordt doorgaans de gemeente daarbij ingeschakeld" (bl. 17). Maar dit is de praktijk van later of misschien een praktijk naast de andere, Maar oorspronkelijk droegen ook de ,,officiële" ambten een spontaan karakter. Maar als de gemeenten gaan kiezen, waarom blijft dan de vrouw er buiten?
We willen volgende maal verder zien.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 24 February 1967

De Wekker | 8 Pagina's

De vrouw op de kansel? (II)

Bekijk de hele uitgave van Friday 24 February 1967

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken