Bekijk het origineel

Toelichting op de Kerkorde (348)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Toelichting op de Kerkorde (348)

Disciplinaire afhouding van het Avondmaal (IV)

4 minuten leestijd

Artikel 76 noemt twee gevallen waarin de kerkeraad iemand van het Avondmaal moet afhouden. Het eerste geval betreft iemand die om een heimelijke zonde tevergeefs particulier vermaand is geworden, wiens zaak voor de kerkeraad is gebracht, die na vele vermaningen tenslotte de hardnekkigheid van de zondaar moet constateren, en die daarom door de kerkeraad van het Avondmaal wordt afgehouden. Dit eerste geval hebben wij besproken. Maar nu noemt artikel 76 ook nog een tweede geval, waarin van het Avondmaal moet worden afgehouden. De Kerkorde zegt dat „evenzeer hij die een openbare of anderszins grove zonde gedaan heeft" het Avondmaal moet worden ontzegd. Oorspronkelijk stond dit niet in de Kerkorde, maar de synode van Middelburg, 1581, nom deze bepaling op, art. 62. „En terecht, want eene openbare en grove zonde geeft openbaar en in grote mate ergernis, die weggenomen moet worden, aleer er weer gemeenschappelijk met den zondaar mag gegeten en gedronken worden aan den Avondmaalsdisch. Vandaar dat in dit geval aanstonds de schorsing van het Avondmaal moet plaats hebben en daarna alle pogingen in het werk moeten gesteld worden, om den zondaar tot inkeer te brengen. Als er b.v. eene ergerlijke zonde als diefstal of onzedelijkheid plaats heeft, die met enkele dagen algemeen ruchtbaar is, dan moet de kerkeraad, na zich eerst goed van de waarheid van het feit overtuigd te hebben, zoo iemand aanstonds, zonder voorafgaande herhaalde vermaningen, van het Avondmaal weren". Joh. Jansen, De kerkelijke tucht, Arnhem 1913, blz. 257.
Wat hier door Jansen gezegd wordt is steeds het standpunt van de gereformeerde kerken in ons land geweest. Meermalen is dit uitgesproken vooral ten aanzien van die mensen, die 'dergelijke zondaren terstond van de gemeente wilden afsnijden. Dergelijke voortvarende lieden waren er vroeger en zijn er ook thans nog wel. Maar onze vaderen stonden op het standpunt: bij openbare grove zonden wel terstond afhouding van het Avondmaal, maar eerst na vele vermaningen afsnijding van de gemeente door de ban. Dit werd bijv. duidelijk uitgesproken door de Zuid-Hollandse synode van Rotterdam in 1581. We lezen in de Acta: „Opt VIe capittel van de kerckelicke straffingen is eene vrage voirgeslagen, oft dieghene, welcke in openbare grove sonden gevallen ende groote argemisse hebben gegeven, de facto sonder eenige vermaninge mogen geëxcommuniceert worden ende daerna tot beteringe vermaent. Is by de vergaderingen geantwoirt, dat men nyemant en behoort te excommuniceren, als alleen die te voren vermaent syn ordentlïck, maer wel behooren sy van d'avontmael afgehouden te worden. Ende soe geen boetveerdichhyet gevonden en wort, sal men totter excommuncatie na intervallen ter discretie van den kerckenraedt procederen", Reitsma en van Veen, Acta d. prov. en part. syn., II, 202.
Nu kan het zijn dat een kerkeraad met een bijzonder moeilijk geval te doen krijgt Dan heeft de kerkeraad de steun, de hulp, de raad, nodig van de zusterkerken. Naar analogie van andere kerkelijke bepalingen zou zulk een kerkeraad zich dan kunnen wenden tot de kerkeraad van de dichtsbijgelegen gemeente, zoals dat ook dient te gebeuren als er censuur over ambtsdragers moet worden geoefend, art. 79. Maar de kerkeraad kan ook twee kerkeraden te hulp roepen, zoals bijv. voorgeschreven is bij de verzoening, art. 75. Natuurlijk kan de kerkeraad zich ook tot de gehele classis wenden als er tijd en gelegenheid voor is, of men kan de hulp van de consulent inroepen, die het kerkverband vertegenwoordigt. De kerkeraad is, naar het mij voorkomt, geheel vrij in het kiezen van de bovengenoemde mogelijkheden, want de Kerkorde schrijft hierover niets voor. Er zou nog meer te zeggen zijn over dit vragen van advies, maar dit is thans niet nodig.
Zo zijn er dus twee gevallen waarin afhouding van het Avondmaal dient te geschieden: Iemand die hardnekkig de vermaning van de kerkeraad verwerpt en evenzeer hij die een openbare grove zonde gedaan heeft, zal van het Avondmaal des Heren worden afgehouden. Dit is geheel in overeenstemming met wat wij belijden in zondag 30 van de Held. Cat., vr. en antw. 82: Zal men ook diegenen tot dit avondmaal laten komen, die zich met hun belijdenis en hun leven als ongelovige en goddeloze mensen aanstellen? Neen; want alzo wordt het verbond Gods ontheiligd, en Zijn toorn over de ganse gemeente verwekt. Daarom is de Christelijke kerk schuldig, naar de ordening van Christus en van Zijn apostelen, zulken, totdat zij betering huns levens bewijzen, door de sleutelen des hemelrijks uit te sluiten.
In een volgend artikel willen wij dan het tweede gedeelte van artikel 76 behandelen.

A.[Apeldoorn], H.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 april 1970

De Wekker | 8 Pagina's

Toelichting op de Kerkorde (348)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 april 1970

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken