Bekijk het origineel

Toelichting op de Kerkorde (349)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Toelichting op de Kerkorde (349)

Disciplinaire afhouding van het Avondmaal (V)

5 minuten leestijd

Het tweede gedeelte van artikel 76 luidt: Indien hij desondanks na verscheidene vermaningen geen tekenen van boetvaardigheid vertoont, zal men tenslotte gebruik maken van het laatste middel om hem tot inkeer te brengen, namelijk afsnijding volgens het formulier van de ban. Niemand mag echter zonder voorafgaand advies van de classis worden afgesneden. Als de afhouding van het Avondmaal, zoals in het eerste gedeelte van artikel 76 omschreven, heeft plaats gehad, dienen nog, zoals de Kerkorde zegt, onderscheidene vermaningen te volgen, indien namelijk de afhouding van het Avondmaal niet tot de gewenste boetvaardigheid bij de zondaar heeft geleid. Dat zijn dan geheime vermaningen van de zijde van de kerkeraad. Nu zegt de Kerkorde niet hoe dikwijls een kerkeraad, na de afhouding van het Avondmaal, moet vermanen. Dat hangt uiteraard van personen en omstandigheden af. Maar het moeten in elk geval onderscheidene vermaningen zijn. De synode van Emden, 1571, sprak van vele vermaningen, art. 30. Dat wil dus zeggen, dat een kerkeraad altijd zeer lankmoedig moet zijn en niet te spoedig tot de afsnijding, in „drie trappen", moet overgaan. De gereformeerde vaderen hebben op deze lankmoedigheid sterke nadruk gelegd. De Wederdopers en later de Labadisten waren er in de regel heel spoedig bij om iemand van de gemeente af te snijden; zij beschuldigden de gereformeerden van laksheid en traagheid in de uitoefening van de kerkelijke tucht omdat dezen meestal niet zo spoedig klaar stonden om de excommunicatie toe te passen. Maar deze beschuldiging werd ten onrechte geuit. De gereformeerden namen juist de excommunicatie zeer ernstig op, zoals bijv. uit het formulier van de ban kan blijken, maar daarom juist gingen zij niet overhaast te werk. Voetius schrijft hierover breedvoerig en zegt: „De praktijk van onze kerken verkiest de langzaamheid boven de snelheid en spoed, uit kracht van de hoop en de verwachting, dat er van de zijde van een of ander zondaar, of van een andere kant iets tussenkomen zou, waardoor de publieke uitvoering en bekendmaking van de excommunicatie zou worden belet of uitgesteld. God prent het door zijn lankmoedigheid en barmhartigheid de vorsten en overheden in, dat zij mild zullen zijn, langzaam in het geven van het kwaad der straf, tenzij dan dat het heil van de staat of de goddelijke wet dit noodzakelijk eist," Pol. Eccl. IV, 910. Zeer terecht hebben de gereformeerden vroeger de haast die Anabaptisten en Labadisten bij de toepassing van de tucht maakten, afgewezen, al moet er terstond aan toegevoegd worden dat er, helaas, bij de gereformeerden een steeds grotere verslapping in de tuchtoefening te constateren viel. En dat is natuurlijk evenzeer te veroordelen. Want wel moet een grote mate van lankmoedigheid betracht worden, maar dat betekent niet dat een kerkeraad slap moet optreden bij gebleken onboetvaardigheid. De lankmoedigheid mag geen slapheid worden. Dat wil dus zeggen, dat een kerkeraad voortdurend en met grote ernst de zondaar, die reeds van het Avondmaal is afgehouden, liefdevol moet vermanen. Juist in dit vermanen mag de kerkeraad niet verslappen, want hij mag het schaap der kudde, dat afdwaalt, niet aan zijn lot overlaten maar moet alles in het werk stellen om het te behouden. Doch deze lankmoedigheid betekent niet dat er geen voortgang bij de tuchtoefening kan en mag zijn, integendeel. De kerkeraad dient toch voort te gaan, zij het dan, zoals Voetius ook reeds opmerkt, naar de regel „festina lente", d.i. haast u langzaam, Pol. Eccl. IV, 910. Gaarne citeren wij hier prof. ds. F.L. Rutgers: „Goed was, dat de Gereformeerde kerken vasthielden aan den regel, om met betrekking tot de kerkelijke tucht het „festina lente" toe te passen. Schade kon dit niet hebben, wanneer men, zoolang de zaak hangende was, afhouding van het Avondmaal toepaste, een maatregel, zooals in het burgerlijke leven in preventieve gevangenschap voorkomt. Het „festina lente" mag niet ontaarden, zoo dat het „lente" alleen overblijft en het „festina" achterblijft. Langzaam voortvaren met toepassing van kerkelijke tucht zegt nog niet, dat er in het geheel geen voortgang met kerkelijke tucht wordt gemaakt. Niet overhaast te werk gaan, maar langen tijd door middel van vermaning op den afgewekene inwerken, is het beginsel bij Gereformeerde toepassing van kerkelijke tucht", Verkl. v.d. Kerkverordening, IV, 63.
Als de kerkeraad dus, na de afhouding van het Avondmaal, vele malen in liefde vermaand heeft, en er komen nog geen tekenen van boetvaardigheid, dan is de tijd aangebroken, zegt de Kerkorde, om het laatste, het uiterste geneesmiddel te beproeven en dat is het middel van de afsnijding, de excommunicatie. Let wel, deze afsnijding mag alleen plaatsvinden indien de hardnekkigheid, de onboetvaardigheid van de zondaar vaststaat. Zij moet vaststaan vóór de kerkeraad afhoudt van het Avondmaal, zij moet ook vaststaan vóór de kerkeraad, na deze afhouding, overgaat tot de afsnijding. En zij kan slechts geconstateerd worden, indien vele malen in liefde vermaand is geworden. In een volgend artikel nog iets over artikel 76.

A.[Apeldoorn], H.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 mei 1970

De Wekker | 8 Pagina's

Toelichting op de Kerkorde (349)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 mei 1970

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken