Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Een ontdekkende vraag

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Een ontdekkende vraag

6 minuten leestijd

Wat hebt gij gedaan? Richteren 2: 2 slot

In het dagelijkse leven komt het nogal eens voor in alle mogelijke situaties dat de vraag gesteld wordt: Wat heb je gedaan? Meestal heeft ze een min of meer ongunstige betekenis. De vrager stelt hierin een onderzoek naar het verleden aan de orde. Het gaat daarin dan niet alleen om de constatering van feiten, maar ook om de beoordeling daarvan.
Zulk een vraag is niet zo best, want de mens — vooral van onze tijd — wil liever geen navraag naar het verleden. Je kunt het verleden beter laten rusten en je met de toekomst bezig houden. Maar het feit is nu eenmaal waar, dat niemand zich van zijn daden en woorden uit het verleden los kan maken. Het volk te Bochim ook niet. De Engel des Heren stelt genoemde vraag aan de kinderen Israëls in verband met de verbondsopdracht die zij ontvangen hadden.
Wat was het geval?
Israël had van God voor de intocht in het beloofde land de opdracht ontvangen om de oorspronkelijke inwoners, de Kanaänieten, te verdrijven en uit te roeien. Het ging daarbij in de eerste plaats niet om die mensen, maar om het gevaar van hun inwoning bij de Israëlieten. Zij waren afgodendienaars en hun levensopvattingen en gewoonten gingen regelrecht tegen de geboden van God in. Van samenleving kan er daarom geen sprake zijn. Dat moeten de Israëlieten heel goed begrijpen. De Here kende zijn woestijnvolk en wist dat zij heel spoedig tot afgoderij vervielen. Denk maar aan de geschiedenis van het gouden kalf en andere momenten op de reis naar bet door God beloofde land.
Deze opdracht tot verdrijving en uitroeiing van de Kanaänieten was voor het bestwil van de kinderen Israëls gegeven.
Maar helaas . . . in Richteren 1 lezen we, dat er wel een begin werd gemaakt met de uitvoering van de opdracht van God, maar dat na plus minus 15 jaar er nog niet veel schot in was gekomen. Van uitroeien was dan ook geen sprake. In verschillende verzen van het voorafgaande hoofdstuk lezen we dat er nog verschillende plaatsen en dorpen gespaard bleven.
God kan met zulk een uitvoering van zijn opdracht geen genoegen nemen.
Gehoorzaamheid is dan pas gehoorzaamheid wanneer de opdracht voor de volle 100% wordt verricht. Israël heeft zich schuldig gemaakt aan de zonde van Achan; het heeft degene gespaard, waarover de banvloek was uitgesproken. En nu is te Bochim de tijd voor de uitvoering van de goddelijke opdracht ruimschoots voorbij. En overal staan nog de altaren van Baäl en de Astartes. Dat is bondsbreuk. Nu worden de Israëlieten door de Here in eigen garen gevangen.
De Kanaänieten zullen in het midden van de Israëlieten blijven leven om hen te verdrukken. Het kwaad straft zichzelf en loont zijn meester. Wie met de zonde een accoord sluit, wordt haar slaaf. Deze blijvende Kanaänieten zullen lastige buren worden. Het ergste is wel, dat Israël besmet zal worden met hun afgoderij en dat brengt in geestelijk opzicht onnoemelijke schade aan. Het is met afgoderij als met een besmettelijke ziekte, die zich snel verbreidt. De band tussen God en zijn volk zal losser en losser worden, dat kan niet anders. De geschiedenis van Israël in de tijd van de richters is daar wel het bewijs van. Wie God verlaat heeft smart op smart te vrezen.
Gelukkig lezen we dan in vers 4 een positieve reactie op de oordeelsaankondiging van de Engel des Heren te Bochim. Israël is nog niet zo verhard in het kwade, dat ze ongevoelig zijn geworden voor het spreken van God. We lezen: het volk brak in luid geween uit (vs. 4). Bochim betekent dan ook wenenden. De verslagenheid was algemeen. Men meende de oprechtheid daarvan te moeten tonen door op die plaats offers te brengen (vs. 5). Het vervolg laat echter zien, dat er overigens geen verandering ten goede kwam. Het was te Bochim maar een uiterlijke bekering. Op zichzelf niet te verwerpen, maar niet genoeg om de volle zegen en rust van het beloofde land te ontvangen. Daar ging het toch om in Gods verbondsbelofte.
Achter het beloofde land lag de toezegging van God voor de komst van de Vredevorst en het vrederijk.
Bochim is een teken aan de wand geworden in de historie van Israël. De dichter van psalm 64 wijst hierop in vers 7 waar we lezen: „als zij trekken door een dal van balsemstruiken maken zij het tot een oord van bronnen." Hier doorleeft de dichter in zijn geest de bedevaartsgang van Gods pelgrims naar het eeuwige Jeruzalem.
Het Baka-dal is hetzelfde als het dal van Bochim. Baka betekent - wenen. Het Bakadal is een nauwe sleuf van verschroeide aarde tussen de bergen ergens op de weg van Gilgal naar Jeruzalem. We mogen van het Bakadal geen goedkope allegorie maken: bakastruiken, struiken vol tranen - tranendal. Deze natuurlijke omstandigheden zijn voor de geïnspireerde dichter niet de aanleiding geweest om de levensmoeilijkheden van Gods kinderen op reis naar de eeuwigheid te beschrijven, echter wel punt van vergelijking.
Door dát tranendal nu voert de weg naar Jeruzalem. Door het dorre verschroeide dal waar Israël in het verleden geweend had om de bedreiging van God met de gespaarde afgoden der Kanaänieten.
Dóór het tranendal, - náár Jeruzalem!
Dat komt ook vandaag elke ware pelgrim aan de weet. Op weg naar de Godstad der eeuwige rust moeten er veel tranen geschreid worden. Er wordt daarom wel gezegd: alleen door schoongewassen vensters der ziel wordt de heerlijkheid Gods gezien. Daarom stromen de tranen van Gods pelgrims op aarde overvloedig. Niet omdat God hun weg zo moeilijk maakt, maar dat komt op rekening van de gespaarde afgoden. Dat zijn nu precies die afgoden die wij niet missen willen.
Het dal Baka of Bochim is daarom tot op vandaag toe een teken. Afgodendienst in welk opzicht dan ook brengt de verschroeide aarde mee. Ze liggen uiteindelijk op dezelfde lijn, al zijn er ook nog vele tussenstations.

Alleen waarachtig geloof in Gods Woord en volledige gehoorzaamheid aan Gods geboden maakt het tranendal van het leven tot een lustoord, tot een fontein.
Wie de rust van het eeuwige Jeruzalem wil ontvangen, moet hier en nu zijn afgoden bestrijden. Er mag er niet één in ons levenshuis overblijven. Het is dan ook zaak, dat we gaan wenen over onze gespaarde afgoden. Niet op de manier van de kinderen Israëls te Bochim, want dat waren tranen van spijt, waaraan het waarachtige berouw ontbrak. Laat God alleen uw God zijn, dan gaat de wildernis bloeien, omdat er Levend water komt. Dat zijn de fonteinen Gods die nooit verdrogen, maar die stromen tot in eeuwigheid.

N.A. [Nieuw-Amsterdam] dB

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 september 1971

De Wekker | 8 Pagina's

Een ontdekkende vraag

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 september 1971

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken