Bekijk het origineel

Generale Synode van Rotterdam (11)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Generale Synode van Rotterdam (11)

16 minuten leestijd

Opening
Op dinsdag 4 januari 1972 vergaderde de generale synode van Rotterdam opnieuw. In de derde week van september was de synode uiteengegaan om in januari weer samen te komen en de resterende agendapunten af te werken.
Het was een hele omschakeling om na de feestdagen en de Jaarwisseling ineens weer enkele dagen er uit te breken en te gaan vergaderen.
Maar tegen 10 uur op die donkere dinsdagmorgen waren de broeders weer present in de Rehobothkerk van Rotterdam-C. Het gebouw bleek goed verwarmd te zijn en de zorg van de koster was weer uitstekend.
De vergadering werd geopend door de assessor, dr. W. van 't Spijker. De praeses van de vorige zittingen, ds. I. de Bruyne, was wel aanwezig, maar aangezien hij in oktober uit Rotterdam vertrokken was naar Apeldoorn-Z kon hij niet meer als afgevaardigde fungeren van de P.S. van het Zuiden. Het zou minder juist zijn wanneer hij de vergadering had geopend.
We zongen het derde en negende vers uit het Gebed des Heren. We luisterden naar Lukas 4:16-21. Hierna ging de assessor voor in gebed. Hartelijk heette hij de broeders welkom, daarbij de wens uitsprekend dat de synodale vergadering dienstbaar mag zijn aan de komst van het Koninkrijk dat in de synagoge van Nazareth door de Here Jezus zelf werd aangekondigd.
Bij het gehouden appèl nominaal bleken tien primi-afgevaardigden vervangen te zijn door hun secundi. Vijf van hen waren er voor de eerste maal: ds. J. van Dijken, B. Bijleveld en H. v.d. Schaaf en de oud. G. Bos en R. Diepeveen.
Hierna werd een beslissing genomen over het presidium. Er zijn drie mogelijkheden: de praeses van de vorige vergaderingen presideert maar heeft geen stemrecht; een nieuwe praeses; de assessor presideert de vergadering. De laatste mogelijkheid werd de meest verkieslijke geacht. De eerste mogelijkheid zou een precedent scheppen.
Tot assessor II werd hierna bij eerste stemming ds. P. op den Velde gekozen. Ds. I. de Bruyne werd benoemd tot adviserend lid.

Regeling grote stadskerken
Op de septembervergadering was de instructie „regeling grote stadskerken" aan de orde geweest. De zaak werd toen teruggewezen naar de commissie om met een nadere regeling te komen. De commissie had zich op deze materie bezonnen en enkele richtlijnen opgesteld.
Enkele vragen werden gesteld door de brs. Brienen, Drieënhuizen, J.H. Velema, Vogel. Geïnformeerd werd: is het nu de bedoeling dat uiteindelijk op kerksplitsing wordt aangewerkt? Hebben wijkkerkeraden ook het recht van afvaardiging naar de classis?
De waarnemend rapporteur, ds. C. Verhage, legde de nadruk op het feit dat we hier met richtlijnen te maken hebben. Het kan de bedoeling niet zijn dat de synode beslist over kerksplitsing ja dan neen. Dat is een plaatselijke aangelegenheid.
De synode besloot, gezien de instructie, de volgende regeling aan te bevelen:
a. kerken met meer dan één predikant en/of spreekplaats of met een dusdanig ledenaantal dat het geheel te groot wordt, hebben - wanneer zij (nog) niet tot kerksplitsing kunnen of willen overgaan - de vrijheid een zodanige regeling te treffen, waardoor het belang van de gemeente wordt gediend in decentralisatie van bevoegdheden en verantwoordelijkheden;
b. deze decentralisatie kan geschieden door het instellen van een „kerkeraad algemene zaken" (KAZ) met daarnaast min of meer zelfstandig fungerende wijk-kerkeraden, die elk een deel van de gemeente verzorgen;
c. de kandidaatsstelling en verkiezing van ambtsdragers voor de wijkkerkeraden kan wijksgewijze geschieden; de approbatie berust bij heel de gemeente (zie art. 22 K.O.);
d. de KAZ zal zijn samengesteld uit: alle dienaren des Woords (ook zij, die voor bijzondere arbeid geroepen zijn) en uit ouderlingen en diakenen, die deel uitmaken van de wijkkerkeraden.
e. aan de KAZ worden die zaken toevertrouwd, die het belang van héél de gemeente raken (beroepingswerk, vertegenwoordiging naar buiten, afvaardiging naar de klassis, algemeen-kerkelijke zaken en samenwerking, e.d.).
f. de wijkkerkeraad heeft de verantwoordelijkheid voor de pastorale zorg in de wijk; besluiten inzake de tucht worden genomen door de KAZ.
g. voorts hebben KAZ en wijkkerkeraad elk voor zich zelfstandige bevoegdheid en verantwoordelijkheid in die zaken die aan hen zijn toevertrouwd en waarover bij onderlinge regeling een afspraak is gemaakt. In deze onderlinge regeling moet duidelijkheid komen inzake de bevoegdheid tot besluitvorming: de KAZ kan alleen die zaken behandelen, die vanuit de wijkkerkeraden aan de orde worden gesteld; zij kan geen besluiten nemen zonder overleg met of na advies van de wijkkerkeraden.
Omgekeerd zullen de wijkkerkeraden (b.v. door middel van de notulen) de KAZ informeren over hun handelingen.
h. zaken die niet in onderling overleg tussen KAZ en wijkkerkeraden kunnen worden geregeld, zullen via de KAZ aan de klassis ter beoordeling worden gegeven.
i. De regeling van een en ander zal ter beoordeling en toestemming aan de klassis worden voorgelegd.

Het is duidelijk dat deze richtlijnen geen aanspraak maken op volledigheid. Het nauwkeurig afbakenen van bevoegdheden en verantwoordelijkheden behoort tot de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk, uiteraard binnen het kader van de vigerende K.O.
De beslissing werd met algemene stemmen genomen.

Diakenen ter meerdere vergadering
De generale synode besloot in de vorige zittingsperiode de voorlopige gedragslijn inzake de afvaardiging van diakenen naar de meerdere vergadering opnieuw in studie te nemen. Het rapport van deze commissie kwam in bespreking. In het rapport werd eerst de geschiedenis beschreven; vervolgens werd iets gezegd over de ervaring van de laatste jaren. De commissie merkte o.a. op: „De vraag of door de afvaardiging van diakenen naar de meerdere vergaderingen deze vergaderingen beter functioneren dan voorheen, moet naar de mening van uw commissie alleen in die zin beantwoord worden, dat nu door meerdere personen over alle aan de orde zijnde zaken wordt beraadslaagd en beslist." Vervolgens werd iets gezegd over „principe en praktijk".
In dit gedeelte werd iets opgemerkt over de gelijkwaardigheid van de ambten en de vraag of de diakenen op de meerdere vergaderingen geen taak hebben in zaken van opzicht en tucht. Het rapport resulteerde in het voorstel uit te spreken dat de voorlopige gedragslijn betreffende de afvaardiging van diakenen naar de bredere vergaderingen wordt omgezet in een definitieve regeling.
In de bespreking van dit rapport werden opmerkingen gemaakt door de brs. De Jong, Drieënhuizen, Huizer, op den Velde en Van Vulpen.
De eerstgenoemde broeders meenden dat enerzijds wel gesproken wordt in het rapport over de gelijkwaardigheid van de ambten, maar dat anderzijds deze gelijkwaardigheid niet wordt gehonoreerd.
In het rapport was gesteld: „De afvaardiging blijkt meermalen op moeilijkheden te stuiten. Niet alle kerken zijn in staat een diaken met kennis van zaken van de betrokken problemen te zenden. Wanneer wel op deskundigheid wordt gelet, is de keuze niet groot". Ds. op den Velde meende dat dit element niet in het rapport hoort. T.a.v. ouderlingen, predikanten geeft ook de deskundigheid niet de doorslag.
De rapporteur, ds. K. Boersma, ging op verschillende vragen in, de nadruk leggend op de practische regeling, die het meest tot nut van het kerkelijke leven is. Het is beter nu geen principiële discussie te openen.
Prof. Van Genderen vond het een achteruitgang als de commissie aan de diakenen een stem willen toekennen in zaken van tucht en appèl.
De assessor attendeerde er op dat gelijkwaardigheid van de ambten nog niet betekent gelijkheid van de ambten.
Uiteindelijk werd - nadat de brs. Brienen en De Jong enkele voorstellen hadden ingediend; de laatste o.a. beogend het aantal diakenen naar de meerdere vergadering te vergroten - besloten om de voorlopige gedragslijn betreffende de afvaardiging van diakenen naar de bredere vergaderingen te continueren.
De commissie had voorgesteld deze voorlopige gedragslijn om te zetten in een definitieve regeling.
Ds. J. de Jong trok een voorstel om een deputaatschap in te stellen ter bestudering van de gelijkwaardigheid van de ambten en de consequenties daarvan voor de afvaardiging in, nadat duidelijk was gemaakt dat het op de weg van de part. synode van het Noorden ligt om deze studie op te zetten. De generale synode moet geen brievenbus worden.

Geestelijke verzorging vanlichamelijk en geestelijk gehandicapten
Het door de vorige synode ingestelde deputaatschap onder bovenstaande naam had een vrij breed rapport uitgebracht.
Deputaten gaven de volgende informatie op grond van de medio 1969 gehouden enquête. 165 kerken reageerden met een opgave van totaal 830 lichamelijk en geestelijk gehandicapten. Van 11 kerkeraden werd, ondanks herhaald verzoek, geen mededeling ontvangen. 25 kerkeraden deelden in het geheel mee geen gehandicapte leden of doopleden te hebben. In 109 van de 165 kerken bleken één of meer verstandelijk gestoorden te zijn. In totaal 342 personen. Verder werden opgegeven 42 doven (vroeger aangeduid als doofstommen), 307 slechthorenden, 21 blinden, 39 slechtzienden, 79 lichamelijk gehandicapten van andere aard. Deputaten hebben de indruk dat het totaalbeeld, zoals dit door de kerkeraden gegeven werd, een te bescheiden vorm gekregen heeft. In vergelijking met het landelijk percentage geestelijk gehandicapten van 3% op de gehele bevolking roept het aantal van 342 of ½% vragen op.
29 Kerkeraden meldden dat in de omgeving speciale diensten voor geestelijk gehandicapten gehouden worden, waaraan door 21 kerkeraden medewerking wordt verleend.
19 Kerkeraden rapporteerden speciale dovendiensten, waarbij 9 kerkeraden actief betrokken zijn. Aangenomen mag worden, dat deze aantallen inmiddels zijn uitgebreid.
Onder het hoofd „Arbeidsveld" werd gesproken over de lichamelijk gehandicapten; de doven en de geestelijk gehandicapten. Bij de laatste groep werden de aangepaste kerkdiensten genoemd. Deputaten maakten gaarne melding van het feit dat een aantal predikanten van onze kerken hieraan regelmatig hun medewerking verlenen en dat deze diensten in een behoefte voorzien. Treffende en hartverwarmende reacties worden meermalen vernomen.
Uitvoerig werd gerapporteerd over de arbeid onder de doven. De Nederlandse Christelijke Bond van Doven organiseert in verschillende plaatsen van ons land regelmatig speciale samenkomsten van doven, waarin vaak onderwijzers aan doveninstituten voorgaan. Meer en meer groeit het besef dat geestelijke verzorging een taak van de kerken is. In onze kerken werkt een broeder uit Rotterdam, ouderling met bijzondere opdracht voor het werk onder de doven, br. P.J. Madern. Hij heeft bevoegdheid om overeenkomstig de bepalingen van art. 3 K.O. een stichtelijk woord in diensten voor slechthorenden en doven te spreken.
Deputaten zijn dankbaar voor de mogelijkheden die hierdoor geopend zijn en achten dit een belangrijke stap in het belang van de zo noodzakelijke arbeid. Deputaten vinden het noodzakelijk dat dit werk thans in een kerkelijke opdracht wordt samengevat. Een van hun voorstellen was dan ook hen toestemming te verlenen een geestelijk verzorger voor de bearbeiding van doven te doen aanstellen.
Commissie IV gaf een oordeel over dit rapport. Het bleek een nieuw rapport te zijn. Hierin werd melding gemaakt van een nieuwe ontwikkeling, die haar beslag nog niet had gekregen toen deputaten hun rapport indienden. Deputaten hadden een „concept-overeenkomst van samenwerking" die was gesloten tussen de Hervormde Commissie ad hoc, de Gereformeerde deputaten ad hoc en onze deputaten inzake een gemeenschappelijke geestelijke verzorging van doven.
De commissie erkende de betekenis van deze ontwikkeling. Zij had dan ook geen vrijmoedigheid zonder meer afwijzend te adviseren. Wel bleven er enkele bezwarende vragen staan: het door deputaten voorgestelde is nog slechts een partiële vervulling van de opdracht: de geestelijke verzorging van lichamelijk en geestelijk gehandicapten. Er zijn ook nog andere gehandicapten. Het is vrijwel uitgesloten dat voor al de verschillende aspecten van het werk van deputaten gespecialiseerde krachten kunnen worden aangetrokken. Is het bovendien verantwoord een nieuwe fin. last op te leggen van omtrent ƒ 35.000,—? De commissie liet de zaak dan ook in het midden en wilde de synode hierover horen.
Een uitvoerige bespreking over deze zaak volgde.
Ds. J. de Jong pleitte sterk voor het voorstel van deputaten. Het moge waar zijn dat op deze wijze maar een gedeelte van de taak van deputaten kan worden gerealiseerd, maar dat is beter dan niets. Deze zaak wordt op deze wijze op onze weg gelegd. Hier is sprake van Gods leiding. Als we denken aan de geestelijke verzorging van de militairen zijn onze predikanten vaak voor een gedeelte van hun tijd werkzaam onder onze eigen jongens. Als kerken hebben we vaker voorbeelden gegeven van het verstaan van onze taak op het gebied van de geestelijke verzorging. Deze arbeid heeft de liefde van velen. Het geld zal er zeker komen.
Br. Douglas vond het jammer dat er geen samenkomsten konden worden gehouden voor doven en geestelijk gehandicapten samen, zoals in Engeland vaak gebeurt waar de woorden voor de geestelijk gehandicapten bestemd in gebarentaal door een „tolk" worden overgebracht voor de doven.
Ds. J.H. Velema wilde een besluit conform het voorstel van deputaten laten afhangen van de concept-overeenkomst van samenwerking. De wijze van deze interkerkelijke samenwerking roept verschillende vragen op.
Na de middagmaaltijd was het woord aan de rapporteur, ds. D. Biesma jr. Hij dankte voor de wijze waarop gereageerd werd door de synode. Hij wilde voorzichtig zijn met het woord leiding. Bijna tien jaar is deze zaak reeds aan de orde. Het is onmogelijk de arbeid onder geestelijk gehandicapten te combineren met die onder de doven, zoals in Engeland. Wat de fin. consequenties betreft: stel deze deputaten in de gelegenheid dankbaar te profiteren van de welwillendheid van de kerken. Het fin. beleid wordt niet doorkruist. Er wordt geen omslag of streefbedrag vastgesteld. Aan het einde van zijn toespraak deelde de rapporteur de jongste ontwikkeling mee: de Hervormde Commissie heeft zich teruggetrokken.
Ds. I. de Bruyne gaf vanuit zijn Rotterdamse ervaring, op verzoek van de assessor, een brede toelichting. Nu de situatie veranderd is, heeft dit z.i. zeer positieve kanten. Nu kunnen we zelf de mogelijkheid van interkerkelijke samenwerking regelen die ambtelijk en kerkelijk verantwoord is. Als God de mogelijkheden geeft, dan moeten we die aangrijpen. Het gaat hier niet alleen om arbeid onder kinderen, maar ook onder volwassenen. We kunnen niet alle taken vervullen: het is één van de taken of niets. Als deze arbeid niet kerkelijk wordt, neemt de Bond van Doven deze arbeid in handen en dat is een achteruitgang. Ds. J.H. Velema vroeg naar het standpunt van de commissie nu de situatie weer dezelfde is als toen haar eerste rapport werd ingesteld. In de bespreking kwamen vragen aan de orde betreffende de gang van zaken met persoonlijke aspecten. Om deze reden werd de bespreking in comité voortgezet. Na opheffing van het comité werd meegedeeld dat de synode met algemene stemmen besloten had uit te spreken dat deputaten over kunnen gaan tot het aanstellen van een full-time kracht voor de geestelijke en ambtelijke verzorging van doven. Dit betekent de inleiding tot de arbeid van deputaten.

Huishoudelijk Reglement
De kerkeraad van Aalsmeer had voor rozen op de synodale tafels gezorgd, vergezeld van een brief met een nieuwjaarswens voor de leden van de synode. Met dankbaarheid werd hiervan kennis genomen.
Het Huishoudelijk Reglement voor de vergaderingen van de generale synode kwam in bespreking. Het moderamen stelde voor dit huishoudelijk reglement als richtlijnen te doen fungeren. Verschillende afgevaardigden hadden amendementen ingediend.
De Synode wilde nu dit reglement niet bindend aanvaarden, maar ging mee met het voorstel van het moderamen om de artikelen in dit reglement als richtlijnen te zien.

Gastlidmaatschap
Na behandeling van het rapport van deputaten geestelijke verzorging zeevarenden - waarover volgende week - kwam het rapport van Commissie III over het gastlidmaatschap aan de orde.
De commissie rapporteerde:
Het breed moderamen van de generale synode der Ned. Herv. Kerk zond een brief met een begeleidende nota over „Het gastlidmaatschap in de Ned. Herv. Kerk".
Bij deze synode komt meermalen de vraag om de mogelijkheid te openen dat het lidmaatschap van andere kerken verenigbaar zou zijn met dat van de Ned. Herv. Kerk.
De synode besloot niet in te gaan op de verzoeken de mogelijkheid op een dubbel of bijzonder lidmaatschap te openen. Maar de synode overwoog dat die groepen, die in meer dan één kerk wensen mee te leven, gediend zouden kunnen worden met een uitbreiding van het gastlidmaatschap.
De synode is evenwel van mening dat de gewenste uitbreiding alleen dan geëffectueerd kan worden, nadat overleg gepleegd is met die kerken, wier leden van het gastlidmaatschap gebruik zouden kunnen maken. Tot die kerken behoren ook de onze.
In verband hiermee zond de synode bovengenoemde nota, waaraan de richtlijnen voor het gastlidmaatschap zijn toegevoegd. Het breed moderamen zou gaarne van ons vernemen „of de invoering van de richtlijnen naar uw inzicht plaats kan vinden, zonder dat daardoor de verhouding tot uw kerk wordt verstoord, maar veeleer de gemeenschap der kerken wordt versterkt."
De volgende overwegingen bood de commissie aan de synode aan:
1. Het gastlidmaatschap - dat kerkordelijk nergens geregeld wordt - functioneert in de praktijk alleen, wanneer de leden van een kerk zich vestigen in een plaats waar geen zusterkerk geïnstitueerd is. Zij kunnen dan „inwoning" vragen bij een kerk, die in belijdenis het meest overeenkomt met de eigen kerk. Elke kerkeraad regelt dit naar eigen inzicht. De ervaring leert dat het gastlidmaatschap in vele gevallen de weg is tot onttrekking aan eigen kerk en overgang naar de kerk, waar men reeds inwoonde.
2. Het gastlidmaatschap, dat de synode van de N.H. Kerk voor ogen staat, bedoelt tegemoet te komen aan de wens naar een dubbel lidmaatschap. Dit dubbele lidmaatschap wordt begeerd door gemengd-gehuwden, studenten-gemeenschappen; in het algemeen door hen, die practisch of principieel met de nood der verdeeldheid worstelen, daarin geen uitweg zien en nu door het dubbele lidmaatschap willen uitdrukken dat zij de bestaande situatie en de bestaande kerkelijke structuren onjuist vinden.
Uitbreiding van het gastlidmaatschap is de intentie van het verzoek honoreren, aangezien wij als kerk leven in een overgangstijd.
Kerkordelijk zegt de synode neen; maar practisch zegt zij: ja.
3. Het gastlidmaatschap anders dan sub 1) bedoeld - in feite dus lid zijn van twee kerken in dezelfde plaats, ook al is men van de ene kerk lid en bij de andere kerk gast - is niet te rijmen met de eenheid van het lichaam van Christus. In feite wordt hiermee erkend dat er meerdere instituten mogen zijn.
4. Het gastlidmaatschap is niet te rijmen met art. 28 NGB, waar gesproken wordt over het zich voegen bij de ware kerk.
5. Evenmin is dit gastlidmaatschap in overeenstemming met de kerkorde, waar uitgegaan wordt van de plaatselijke kerk; die bij vertrek attestaties geeft. Attestaties naar andere kerken worden niet afgegeven. (Art. 82 1e).
6. Het gastlidmaatschap is geen oplossing voor de nood van de verdeeldheid, onderstreept die zeer duidelijk; stelt de waarheidsvraag terzijde; vergroot de kerkelijke verwarring en ondermijnt in feite de pastorale verzorging.
De commissie stelde voor deze overwegingen mee te delen en te berichten dat de synode het niet juist zou vinden wanneer een plaatselijke N.H. Kerk leden van onze kerken zou inschrijven in plaatsen, waar geen Chr. Gereformeerde Kerk is.
Zonder bespreking werden de voorstellen van de commissie aanvaard, zodat dit agendapunt spoedig afgehandeld was.

J.H.V.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 januari 1972

De Wekker | 8 Pagina's

Generale Synode van Rotterdam (11)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 januari 1972

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken