Bekijk het origineel

Problemen in de kerkelijke maatschappelijke dienstverlening

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Problemen in de kerkelijke maatschappelijke dienstverlening

7 minuten leestijd

Over dit onderwerp begint ds. A. Romein te Wezep een serie artikelen in de Waarheidsvriend. Na het inleidende woord schrijft hij.

De gezinszorg
Er zijn heel wat diakonieën, die tegenwoordig de helft of meer van hun uitgaven bestemd zien voor de gezinszorg.
De gezinszorg was voor de oorlog in de huidige vorm volkomen onbekend. Tegen het eind van de tweede wereldoorlog kwam deze vorm van hulpverlening in de kerken op, kort na de oorlog door de overheid met enkele tientallen duizenden guldens gesteund. Niemand kon denken, dat de gezinsverzorging zulk een hoge vlucht zou nemen. Maar de ontwikkeling was inderdaad stormachtig. Steeds meer, en met snelheid, vielen familieën burenhulp weg en kwam er vraag naar gezinshulp. Het was voor de diakonieën geen vraag, of zij deze hulp moesten bieden. Overal in het land kwamen kleine stichtingen voor gezinsverzorging, vaak stonden de verzorgsters regelrecht in dienst van de diakonie. Als leidsters van de gezinsverzorgsters fungeerden meestal bekwame huisvrouwen. Een opleiding was er nauwelijks, de salarissen waren laag. Van jaar tot jaar echter werd het aantal gezinsverzorgsters groter, er kwam vraag naar een betere opleiding. Scholen voor de opleiding van gezinsverzorgsters werden gesticht. Elk jaar werden de subsidies van de overheid groter. Thans, ruim 25 jaar na de oorlog, is de gezinszorg uitgegroeid tot een stuk dienstverlening, dat niet meer weg te denken is uit de samenleving. Duizenden meisjes vinden in dit zinvolle beroep hun taak, hetzij als verzorgster, hetzij als, ongediplomeerde helpster. De aard van hun werk, de vervanging van de huisvrouw als deze door ziekte, overlijden, of andere oorzaken is weggevallen of tijdelijk uitgeschakeld, heeft veel deskundigen aan het denken en schrijven gezet, zodat men langzamerhand meer inhoud wist te geven aan de opleiding. Thans is er een net van opleidingsscholen in het land. De befaamde mammoetwet heeft ook deze tak van onderwijs een volwaardige plaats toegekend en als gevolg daarvan worden overal nieuwe schoolgebouwen gebouwd, waarin men binnenkort „gezinsverzorgster- nieuwe-stijl" kan worden, een opleiding, onmiddellijk aansluitend aan Mavo en Inas. Omdat aan de leidsters hoge eisen worden gesteld, wil men ook voor hen een speciale opleiding opzetten, waarmee thans een „proef" genomen wordt aan één der scholen voor gezinsverzorging. Kortom: bij het uitgroeien van de gezinszorg en het hoger worden van de subsidies, gaat de overheid meer eisen stellen aan de kwaliteit van de krachten.
De diakenen, die dikwijls als bestuursleden medeverantwoordelijk zijn voor de gezinszorg en, ondanks de bijsteun van de overheid en de betaling van de gezinnen, grote bedragen moeten voteren uit de diakonale kassen, hebben dat er in de regel graag voor over. Zij weten en horen wel, dat een goede gezinsverzorgster een buitengewone dienst verleent aan de gezinnen. Het valt niet moeilijk in te zien, dat het van belang is deze dienst vanuit de kerk te vervullen. Gezinnen in nood moeten geholpen worden. En het is van belang, als de huisvrouw tijdelijk vervangen moet worden, dat er jonge mensen beschikbaar zijn, die inderdaad ten volle vervangen, ook wat de opvoeding van de kinderen betreft. En waar deze opvoeding en de sfeer in huis mede bepaald worden door de Schrift en het geloof, is het nodig, dat het christelijk karakter van tal van stichtingen voor gezinszorg gehandhaafd en gewaarborgd blijft. Tevens zal er een aantal opleidingsscholen moeten zijn, die de gezinsverzorgsters opleiden in de geest van Schrift en belijdenis. De opleidingen, die deze signatuur thans hebben, verdienen een voortdurende aandacht en belangstelling van de diakonieën.

Schaalvergroting
De laatste jaren is het financiële aandeel van de overheid ook in de kerkelijke stichtingen het subsidiariteitsbeginsel van de volledige vrijheid van de gesubsidieerde instellingen uitgaat, worden toch in toenemende mate bepaalde eisen gesteld, waaraan voldaan moet worden wil men voor subsidie in aanmerking komen. De laatste jaren stuurt de overheid sterk aan op schaalvergroting. Men wil dat ook in de gezinszorg toepassen. Er moet gewerkt worden „op grotere schaal", in breder kader, waarbij de deskundigheid van de hulp verbetert, de leidinggevende krachten beter geschoold zijn, de administratie goed opgezet wordt, enz. Het is duidelijk, dat daarmee de kleine instellingen, uitgaande soms van maar één diakonie moeten verdwijnen.
In concreto is het in april 1971 door de staatssecretaris van CRM zo gesteld: instellingen met minder dan 10 gezinsverzorgsters en -helpsters krijgen tot 1 juli 1973 gelegenheid, op grond van objectieve gegevens aan te tonen dat zij vóór 1 juli 1976 kunnen uitgroeien tot een instelling met ten minste 15 fulltime verzorgsters en helpsters. Zo dit niet aantoonbaar is, dan zal moeten blijken of dit dan wel door fusie of federatie met andere instellingen haalbaar is. Zo niet: dan geen subsidie meer.
Aangezien het door de gestegen salariskosten eenvoudig onmogelijk is zonder rijkssubsidie te werken, betekent dit voor de kleine instellingen kiezen of delen. D.w.z.: ermee stoppen (maar dat wil niemand, het werk is zeer nodig), of zoeken naar een aanvaardbaar samenwerkingsverband met anderen.
Nu ligt het voor de meeste instellingen niet zo moeilijk. In de streken, waar ik zelf op dit gebied enige ervaring heb opgedaan, de Alblasserwaard en de Veluwe, zijn de meeste instellingen groot genoeg. Maar er zijn toch nogal wat kleine instellingen, waarvan de bestuursleden-diakenen momenteel voor de puzzel zitten: hoe moeten wij dit diakonale dienstwerk voortzetten? De overheid stimuleert een zo breed mogelijke opzet. Verscheidene instellingen zijn reeds opgegaan in een algemeen geheel, waarin het Hervormde of protestants-christelijke deel dan een eigen „inbreng" houdt. Deze tendens tot algemenisering is overal merkbaar. Diakenen worden stellig gevraagd mee te doen en in de besturen zitting te nemen, want men krijgt toch een volle, geldige stem! We mogen het gerust zo stellen: de kerkelijke maatschappelijke dienstverlening heeft zich opnieuw af te vragen, hoe zij haar diakonaal-christelijke karakter kan bewaren en verdiepen en hoe zij zich moet beveiligen tegen een verregaande veralgemenisering. In nog veel sterkere mate dan bij de gezinsverzorging is dit het geval bij de instellingen voor maatschappelijk werk. Daar vraagt de schaalvergroting in veel gevallen onverbiddelijk om samenwerking en fusie.

Maatschappelijk werk
Het is mijn bedoeling niet over het wezen van het maatschappelijk werk te schrijven op een uitputtende manier. Ik ben daarvoor nauwelijks competent. Als ik dat zelf niet wist, zou elke maatschappelijk werker mij daarop wel attent maken. Maatschappelijk werk is een eigen vak en een moeilijk vak. Het gaat er immers om mensen, die met zichzelf, de omgeving of de maatschappij overhoop liggen te helpen in een deskundige begeleiding. Het maatschappelijk werk tracht de mens zijn welzijn in deze wereld te doen vinden of hervinden.
Evenals bij de gezinszorg, hebben ook hierin de diakonieën van de kerken een belangrijke bijdrage geleverd. Vooral in de jaren vijftig groeide het kerkelijk algemeen maatschappelijk werk. Dit werk werd door beroepskrachten gedragen en heeft sindsdien een buitengewoon belangrijke plaats in de samenleving gevonden.
Veel instellingen van diakonaal karakter vormen een combinatie van gezinszorg en maatschappelijk werk. Soms zijn maatschappelijk werk(st)ers full-time of half-time leid(st)ers van de gezinsverzorging. Deze combinatie wordt meestal als zeer zinvol ervaren en terecht: gezinszorg en maatschappelijk werk hebben veel raakvlakken met elkaar.
Welnu: ook voor het maatschappelijk werk, dat vrijwel voor 100 pct. gesubsidieerd wordt, heeft de overheid schaalvergroting gevraagd en daarvoor duidelijke regels opgesteld. Een gesubsidieerde instelling dient op 1 juli 1976 te beschikken over ten minste 6 full-time maatschappelijke werkers en tijdig moet worden aangetoond, dat dit mogelijk is. En aangezien er tal van diakonale instellingen zijn, die 2 of 3 m.w.-ers in dienst hebben, dient er samenwerking met anderen te komen. Tenzij . . . de kerk tot de conclusie moet komen, dat het niet meer op haar weg ligt maatschappelijke dienstverlening in de zin van maatschappelijk werk te verlenen, omdat dit werk toch niet specifiek kerkelijk, christelijk of evangelisch is.
Op het ogenblik zitten veel diakenen met deze vraag.

Een aktuele zaak wordt hier aangesneden, die op vele kerkeraden en diaconale vergaderingen aan de orde is.

Wezep, A. Romein

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 april 1972

De Wekker | 8 Pagina's

Problemen in de kerkelijke maatschappelijke dienstverlening

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 april 1972

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken