Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Is het Hooglied een allegorie? (3)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Is het Hooglied een allegorie? (3)

9 minuten leestijd

Een lied der liefde
Het Hooglied bezingt de liefde tussen twee geliefden.
Over de vraag, wie die geliefden zijn, zijn de meningen verdeeld.
Reeds oud is de opvatting, dat het gaat over de liefde tussen koning Salomo en een eenvoudig meisje van het platteland, Sulamiet of Sulamietische (6:13) genoemd.
De naam Salomo komt in het Hooglied herhaaldelijk voor (1:1, 5; 3:7, 9, 11; 8:11) en dat kan moeilijk iemand anders zijn dan de bekende koning van die naam. De bruidegom wordt ook enige malen koning genoemd (1:4, 12; 3:9, 11; 7:5). En de beschrijving in 6:8 zou betrekking hebben op Salomo's haremstoet: Zestig koninginnen zijn er, tachtig bijvrouwen en jonkvrouwen zonder tal. Wel stemmen deze getallen niet overeen met 1 Kon. 11:3 , waar gesproken wordt van 700 vorstinnen van Salomo en 300 bijvrouwen, maar dat wordt dan hieruit verklaard, dat op het moment dat het Hooglied werd geschreven het aantal van Salomo's bijvrouwen nog veel minder was of dat de getallen in Koningen de som zijn van het aantal bijvrouwen dat Salomo heeft gehad gedurende heel zijn leven. Bovendien spreekt ook het Hooglied van jonkvrouwen zonder tal.
Koning Salomo zou dan verliefd zijn geworden op een eenvoudig meisje van het platteland, dat hij gebracht heeft in zijn paleis. Vgl. 1:4: De koning voerde mij naar zijn vertrekken. Dat het meisje een eenvoudig plattelandsmeisje was konkludeert men hieruit, dat de bruid van zichzelf zegt: Zwart ben ik doch, lieflijk, o dochters van Jeruzalem. Let er niet op, dat mijn huid donker is, dat de zon mij verbrand heeft. De zonen van mijn moeder waren hard jegens mij en stelden mij aan tot bewaakster der wijngaarden (1:5 - 6). Ze moest onder de harde hand van haar broers al maar buiten in de wijngaard werken, waar ze bruin gebrand werd door de oosterse zon. Ze moest de wijngaard ook bewaken tegen wilde dieren en vogels, die hem zouden willen verwoesten of de jonge vruchten wegpikken. Schalks voegt ze er aan toe: maar mijn eigen wijngaard heb ik niet bewaakt (vs. 6), daarmee doelend op zichzelf en het feit dat haar geliefde zich van haar heeft meester gemaakt.
Wel wordt ze in 7:1 „prinsendochter" of „vorstendochter" genoemd, maar dat zou beeldspraak zijn.
De benaming Sulamiet of Sulammietische wijst op de plaats van haar herkomst. Het is geen eigennaam. Daar wijst het lidwoord op: de Sulammietische. Men kan denken aan een plaats Sulam genoemd. Een plaats van deze naam is ons echter niet bekend. Daarom heeft men wel gedacht aan Sunem of Sunam een plaats, die we tegenkomen in Joz. 19:18; 1 Sam. 28:4, 2 Kon. 4:8. De verwisseling van l en n zou niet vreemd zijn. Sunem lag in de vlakte van Jizreël. En daaraan verbindt men dan weer de hypothese, dat het meisje dezelfde zou zijn als Abisag, die David op zijn oude dag verzorgde (1 Kon. 1:3, 15) en die na de dood van David door Adonia tot vrouw werd begeerd (1 Kon. 2:17). Zij wordt een „Sunamietische" genoemd. Maar dat de bruid uit het Hooglied en Abisag dezelfde zouden zijn kan door niets bewezen worden.
Er zijn echter tegen de opvatting, dat het in het Hooglied gaat over de liefde tussen Salomo en een meisje van het platteland, bezwaren ingebracht. Althans tegen de gedachte dat het daar alleen om gaat.
De geliefde van de bruid schijnt een herder te zijn. Ze zegt in 1:7: Vertel mij toch, mijn zielsbeminde, waar gij weidt, waar gij op de middag de kudde laat rusten.
Ze wil dan naar hem heengaan.
Daarop antwoordt hij: Indien gij het niet weet, o gij schoonste onder de vrouwen, volg dan de sporen der schapen en weid uw geiten bij de verblijven der herders (vs. 8). Uit dit laatste zou dan tegelijk blijken dat de bruid een herderin is.
Men wijst ook op 6:3, waar de bruid van haar geliefde zegt, dat hij weidt temidden van de leliën. Daarbij zouden we dan moeten denken aan de bloemrijke weiden waar de herder zijn kudde brengt.
Het zou dan gaan over de liefde tussen een herder en een herderinnetje, die echter tegen haar wil opgenomen is door Salomo in zijn paleis. Vandaar de woorden: De koning voerde mij naar zijn vertrekken (1:4). Salomo wil haar zijn liefde betuigen, maar zij blijft haar eenvoudige herder trouw. Ze uit haar verlangen naar hem in de woorden: Zeg mij waar je weidt (vs. 7). Dan wil ik naar je heengaan. Ze wil met hem in het veld de liefde genieten (7:11 vv.). Ze beschrijft haar liefde voor hem (2:3 vv.). Ze hoort hem komen; hij staat onder het raam van het paleis en wekt haar op om tot hem te komen: Sta toch op mijn liefste, mijn schone en kom (2:8 vv.). Ze droomde van hem, maar hij was er niet (3:1 v.) 's Nachts denkt ze aan hem. Ze hoort hem zeggen: Doe mij open, mijn zuster, mijn duive, mijn volmaakte. Maar ze maakt bezwaar: Ik heb mijn kleed reeds afgelegd, hoe zou ik het weer aandoen? Ik heb mijn voeten gewassen, hoe zou ik ze weer verontreinigen? Als ze hem echter open doet is haar geliefde verdwenen (5:2 vv.). Niets kan haar liefde voor haar geliefde veranderen. Haar liefde is als een vuur. Vele wateren kunnen de liefde niet blussen en rivieren spoelen haar niet weg (8:7).
Er zouden dan in het boek Hooglied drie personen aan het woord zijn. Het herderinnetje, dat haar liefde uit voor haar geliefde herder. De herder, die uiting geeft aan zijn liefdesverlangen naar zijn herderinnetje, en Salomo die eveneens het meisje zijn liefde betuigt.
Deze, op het eerste gezicht aantrekkelijke verklaring, is toch in het geheel van het boek Hooglied niet te handhaven. In 1:12 zegt de bruid: Zolang de koning aan zijn tafel is, geeft mijn nardus zijn geur. Dat betekent, dat wanneer zij met de koning aan tafel zit zij hem alles biedt wat zij aan bekoorlijkheid bezit. Het is niet zo dat ze van de koning een afkeer heeft. Ze geeft hem haar liefde.
Maar waarom spreekt de bruid dan in die herderstaal: Vertel mij waar gij weidt, waar gij de kudde op de middag rusten laat (1:7) en antwoordt de bruidegom in woorden, die passen bij een herder (vs. 8)?
Men heeft gezegd: De koning is ook herder. Hij is de herder van zijn volk en wordt vaak zo genoemd. En daarom wanneer de bruid vraagt: „zeg mij, mijn zielsbeminde, waar gij weidt, waar gij des middags de kudde laat rusten", dan bedoelt zij daarmee: „waar bevindt gij u thans, bezig met uw regeringswerkzaamheden? waar zijt gij doende met de vervulling van uw heerserstaak?" En het prachtige antwoord van de bruidegom: „volg de sporen der schapen en weid uw geiten bij de verblijven der herders" wil dan zonder beeldspraak alleen maar zeggen: „zij moet maar kalm en rustig zich wijden aan wat in het koninklijk paleis tot haar domein behoort, dan komt het ogenblik om haar koninklijke bruidegom weer te ontmoeten vanzelf" (aldus Aalders).
Dit lijkt mij echter in een liefdeslied nog al prozaïsch. Het zijn beelden, waarin bruidegom en bruid worden voorgesteld als een herder en een herderinnetje, die verlangen naar elkaars liefdesgemeenschap.
Bovengenoemde opvattingen rusten op de gedachte dat het boek Hooglied een gesloten eenheid is en één doorlopend verhaal bevat. Het is zeer de vraag of dit zo is. Tegenwoordig vat men het boek Hooglied op als een verzameling van verschillende gedichten, die gemeen hebben, dat zij de liefde tussen twee geliefden bezingen. De bruidegom wordt een koning genoemd, zoals de bruid als „vorstendochter" was aangesproken (7:1). Salomo is alshetware de verpersoonlijking of de patroon van de liefde. De liederen kunnen verschillende achtergronden hebben. Wat is er op tegen aan te nemen, dat ook een herderinnetje haar liefde voor haar herder bezingt maar dat die liefde wordt overgedragen op de liefde tussen twee geliefden in het algemeen?
Met allerlei beelden, ontleend aan het paleis van Salomo (zijn gordijnen, 1:5, zijn paarden, 1:9, enz.), en aan het herderleven (1:6vv.) en aan het landleven in het algemeen (bloemen, 2:1, bomen, vs. 3, een hof, 4:12 vv.), aan de dierenwereld (gazelle als beeld van de bruidegom en duif als beeld voor de bruid, 2:9 ; 4:1 enz., enz. wordt de liefde tussen twee geliefden bezongen.
Het is mij niet mogelijk dit nu verder uit te werken. Dat zou hier thans te ver voeren. Maar duidelijk is dat het Hooglied een lied of een verzameling van liederen is, dat de liefde bezingt tussen twee geliefden.
Dat het Hooglied een lied is, blijkt ook uit zijn naam. Letterlijk uit het hebreeuws vertaald is de naam: Lied der liederen. Dat wil zeggen: het allermooiste lied. Zoals „knecht der knechten" in het hebreeuws wil zeggen: de allerlaagste knecht. En „heilige der heiligen" betekent: het allerheiligste.
Luther heeft vertaald: Das Hohelied. Daar hebben wij ons woord Hooglied vandaan. „Hohelied" betekent; allermooiste lied. Welke gave is mooier dan de liefde? En welk lied mooier dan het lied, dat de liefde bezingt? En de bijbel ruimt er zelfs een heel boek voor in.
Want het gaat in het boek Hooglied in eerste instantie om de liefde. De liefde tussen twee mensen, hoe men dat verder ook wil opvatten. Daar heeft ook prof. v.d. Meiden duidelijk op gewezen. Ik haal maar weer een paar uitspraken aan van hem uit zijn reeds eerder genoemde boek: „Het Hooglied bezingt die liefde, welke op de vrije keus van het hart, ook van de zijde der vrouw, gegrond is. Geschilderd wordt het geluk van zulk een huwelijk. Het Hooglied is een soort dichterlijke dialoog over de wederkerige liefde, de zuivere huwelijksliefde". „Bezongen wordt de echtelijke liefde in haar ontstaan, beproeving, loutering en volharding". „Het ideale, reine, echte, monogame huwelijk wordt bezongen" (bl. 17, 29).
De gedachte, dat het boek Hooglied dat bezingen wil, is vaak vergeten, zo niet geheel verdoezeld.
Hooglied is het lied van de liefde.
We willen de volgende maal zien wat dat wil zeggen.

Oosterhoff

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 september 1972

De Wekker | 8 Pagina's

Is het Hooglied een allegorie? (3)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 september 1972

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken