Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Geestelijke leiding - na 20 jaar

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Geestelijke leiding - na 20 jaar

8 minuten leestijd

Aanleiding
Het was 13 januari j.l. precies twintig jaar geleden, dat o.a. prof. Kremer het ambt van hoogleraar aanvaardde met het uitspreken van een rede, getiteld: Geestelijke leiding in de prediking. Het zal de lezers van ons kerkelijk blad, evenals zijn studenten, in de loop der jaren wel duidelijk zijn geworden, dat de titel van zijn inaugurele rede (met de inhoud) voluit zijn persoon en werk typeren.
De aanstaande predikanten doen er nog altijd goed aan, de kansel niet te beklimmen, voordat zij deze rede hebben gelezen en op zich laten inwerken. Maar er staat ook van alles in, wat op kerkeraadsvergaderingen nog altijd waard is om diepgaand besproken te worden.
Ik wil uit die rede na twintig jaar een enkel facet voor het voetlicht halen, omdat het nog altijd om die dingen gaat, die prof Kremer toen naar voren bracht. Ook doe ik het, omdat ik dankbaar ben voor wat ik jaren geleden van deze „Geestelijke leiding" meegekregen heb. Ik hoor hem nog zeggen, dat hij op zijn leeftijd nu niet direct het professoraat begeerde. Dat de Koning der Kerk hem desondanks de ontvangen gaven liet gebruiken voor de opleiding, is althans voor mij reden om na 20 jaar daarop met dankbaarheid terug te zien. Het heeft voor mij veel betekend.
Prof. Kremer heeft altijd aandacht gevraagd voor het pneumatisch karakter van de prediking als evangelieverkondiging. Hij heeft zijn leerlingen het onderscheid tussen eigen-wijsheid, woorden van mensen, wijsheid der wereld èn de bediening van Het levende Woord van God terdege bijgebracht. Hij startte met het stellen van de grote verantwoordelijkheid die dit met zich meebracht en die tevens noopte tot voortdurende zelfcorrectie.

Aard
Het karakter van de prediking bracht met zich mee, dat men ook ter dege moest letten op de verscheidenheid van het adres, waaraan die prediking was geadresseerd. De prediking moet afgestemd zijn op de werkelijkheid, die laat zien, dat er helaas mensen zonder de Geest zitten in de kerk, mensen die wel geestelijk, maar nog onmondig zijn en dat zij zich richt op hen, die rijp zijn geworden in het geloven.
„Tussen deze variaties in de gemeente beweegt zich de prediking".
Met graagte spreekt Kremer dan over de trits „Woord-horen-geloof", als zijnde de weg waarlangs de Geest tot ons komt en in ons werken wil.
„Woord en Geest stemmen samen in het wekken en onderhouden van het geloof en door het geloven heeft de gelovige deel aan de verkondigde heilswerkelijkheid" (pag. 9).
Vanuit deze visie kan hij terecht het liturgisme (iets anders dan liturgie) afwijzen als overwoekering van de rechte prediking en een aantasting van haar karakter en wezen. Ook kan hij op diezelfde grond Barth afwijzen als die de gemeente tot subject van de prediking wil maken. Dat betekent, dat de prediking eigenlijk van de gemeente uit zou gaan. Het zou interessant zijn om na te gaan, hoezeer het hedendaagse sociologische theologiseren van deze door Kremer gewraakte gedachte de wrange predikvruchten heeft doen plukken.
Kortom, mijn vroegere leermeester doordrong ons van de regel: „Ik heb niet het woord, maar ik dien Het Woord" (11).

Hoe en wat
Wie zich afvraagt, op welke manier er van geestelijke leiding in de prediking alleen maar sprake kan zijn, vindt in genoemde rede vele noties. Laat men vooral niet denken, dat geestelijke leiding hetzelfde zou zijn als het plaatsen van gevoelige stichtelijkheden.
„Wie preekt zonder grondige exegese is de eer en de taak van de dienaar des Woords onwaardig" (11). Kremer kon scherp zijn. Dat was niet altijd prettig. Maar wie „tot zichzelf inkeerde" moest toegeven, dat dat samenhing met de diepe eerbied, die hij voor het Woord van onze God koesterde. Op zijn wijze hield hij ons als a.s. predikanten voor, dat men zich restloos had te buigen onder dat Woord en dat het eis was, grondig te luisteren naar wat God te zeggen had.
Het laat zich ook denken, dat de theologie, die men openlijk of bedekt aanhangt, voor een goede luisteraar niet verborgen kan blijven. Daarom pleitte hij ervoor, dat de prediking theologisch verantwoord zou zijn. Men wete echter wel wat dat betekent! Een preek vol waarheden is nog geen ware preek, om met mijn andere leermeester prof. Hovius te spreken. Kremer kende het gevaar, dat sommigen die prediking voor de ware verslijten, waarin de waarheden wel worden gezegd, zelfs in hun „standaard-terminologie", maar waaraan toch de geestelijke leiding kan ontbreken. Hij konkludeert dan ook: „Het is voor de geestelijke onderwijzing en bouw van de gemeente funest, wanneer er wel „waarheden" verkondigd worden, maar het geheel der waarheid Gods niet gezien wordt" (13). Echt Kremeriaans zou ik ook willen noemen het aandacht vragen voor een trinitarische prediking. Het werk van de Vader, de Zoon en de H. Geest vraagt in de prediking een eigen, maar ook niet eenzijdige plaats.
Het gaat daarbij om heilsbeschikking, heilsverwerving en heilsbediening. Wie echter een van de Goddelijke personen ten koste van de Ander op de voorgrond stelt, kan vervallen in koude verkiezingsleer, de Middelaar wordt niet gezien of de Geest wordt verzelfstandigd.
De heilsorde mag in de prediking niet vergeten worden (roeping, wedergeboorte, bekering, geloof, rechtvaardiging en heiliging). Heilsordelijk preken noemt Kremer dat graag. Hij waarschuwt echter tegelijk, dat dat geen „veiling" mag worden, waar van alles staat wat er zoal voor een mens te koop is en noodzakelijk is!
Geestelijke leiding kan er niet omheen, aandacht voor de plaats van de mens te hebben als „Adamiet, Abrahamiet en Christen". Wie die plaats niet onderkent en de gevolgen voor de wijze van prediken niet ziet, kan geen leiding geven.
Prachtig is het, de opmerking te lezen dat de zwakheid geen kenmerk van het geloof is, maar wel behoort tot de werkelijkheid van het geloof. Wie daarover goed na denkt, weet, dat in deze zin het mes naar twee kanten snijdt en terecht! Men mag de zwakheid niet koesteren en geen bekommering „kweken". Men kan en mag er echter ook niet achteloos aan voorbij gaan.
In onze dagen (trouwens, dat speelde 20 jaar geleden precies zo) kan men nogal eens de klacht horen, dat de wedergeboorte niet meer wordt gepreekt. Nu, dan moeten èn de predikers, maar ook die klagers op dit punt die rede van mijn leermeester eens goed bestuderen. Als de vraag klinkt: Wat wil de Heilige Geest in de gemeente Gods?, dan kan Kremer zeggen: „de wedergeboorte dient hierbij als noodzakelijk voorop gesteld te worden." Direkt er achteraan zegt hij echter: „De palingenesie (wedergeboorte) zelf kan echter moeilijk rechtstreeks onderwerp van prediking zijn". „Wie de wedergeboorte in het middelpunt wil zetten, behandelt een geboortebericht als een ondertrouwkaart". In zijn rede waarschuwt Kremer voor het gevaar van vervlakking en ook dat is na 20 jaar nog actueel. Maar de onderscheiding in de prediking van onbekeerden, bekommerden en bevestigden, zegt hij terecht, is voor de bestrijding van die vervlakking zonder meer ongenoegzaam. Kortom, onze oud-hoogleraar in de predikkunde verzette zich tegen elk schema, dat of de gemeente over het paard tilt in vermeend bezit, of haar degradeert tot een groep hoorders.
Geestelijke leiding is het ook, als hij erop wijst, dat het getuigenis van de Geest aangaande de echtheid van ons geloof geen aparte verzekering is, maar een bemoediging uit de kentekenen van het geloof om voort te gaan. In het kort: als kerkelijke vergaderingen eens voor deze zaken tijd uittrokken in plaats van urenlang elkaar te examineren t.a.v. middelmatige dingen, dan kunnen de kerken na 20 jaar van deze rede nog veel leren.
Dank, hooggeleerde Kremer, voor het vele, dat u door Gods genade gaf.

Vraag
Als het een oud-leerling vergund is nog eens een vraag te stellen, dan zou ik u willen vragen, of er bij uw afwijzing van het liturgisme niet meer nog gezegd moet worden over de liturgie en haar waarde, met verwijzing naar van Rulers boek: Waarom zou ik naar de kerk gaan, pag. 174. Het voert te ver om dat allemaal af te schrijven. En vervolgens: kan er ook nog iets meer gezegd over de mens, die „niet besproken, maar aangesproken" dient te worden i.v.m. de huidige problematiek? Moet de prediking geen rekening houden met het referentie-kader van de gemeente?
Twee vragen, waaraan u ongetwijfeld de schrijver van deze regels herkent!
Misschien kunt u nog eens gelegenheid vinden wat over deze zaken te zeggen. Ze hangen samen met wat u beoogde: het ernstig bezinnen over het karakter van de prediking en het oog hebben voor de mens, die aangesproken dient te worden. Hij heeft in 1974 behoefte - meer dan ooit - aan geestelijke leiding. Om die te geven begon u, naar ik meen, uw hoogleraarschap op deze wijze. Zelf geroepen om het van u geleerde zondag aan zondag waar te maken, kan men soms de behoefte hebben opnieuw leerling te zijn.
En ik denk, dat u het niet best zou vinden, als een dienaar des Woords dat niet. meer was.
Tenslotte een zin, waarover allen in de kerken lang en diep en biddend moeten nadenken: „Het is een verkiezing Gods tot de gemeente te behoren" (18).

Emmeloord, J. de Jong

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1974

De Wekker | 8 Pagina's

Geestelijke leiding - na 20 jaar

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1974

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken