Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Een veelzijdig boekje over het gebed

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Een veelzijdig boekje over het gebed

10 minuten leestijd

Allerlei onderwerpen
Prof. Versteeg heeft een fijn en leerzaam boekje geschreven over het gebed *). Het verscheen bij Buijten en Schipperheijn in de serie „Zicht op de bijbel", een reeks geschriften over de bijbel en bijbelse onderwerpen. Het boekje van prof. Versteeg hoort daarin uitstekend thuis. Het is ook een veelzijdig boekje. Allerlei onderwerpen in verband met het gebed komen ter sprake. Prof. Versteeg belicht ze vanuit het N.T. Aandacht wordt gegeven aan het gebed in het leven van Jezus, het gebed van de gelovigen (dat, hoe, voor wie en waarvoor moet gebeden worden, het spreken in tongen komt aan de orde), de praktijk van het gebed (tijd van het gebed, de gebedshouding, eenvoud, nuchterheid en vrijmoedigheid bij het gebed, volharding in het gebed e.a.) en de verhoring van het gebed (worden alle gebeden verhoord?, gebedsgenezing enz.). Er zijn al heel wat boekjes over het gebed geschreven. Prof. Versteeg heeft ergens gelezen van 1221 titels van boeken en artikelen over het gebed. Toch heeft hij de vrijmoedigheid genomen aan de vele nog een toe te voegen, „vanuit de overtuiging, dat ondanks de veelheid van studies over het gebed een blijvende bezinning op het gebed vereist is". Van september 1973 tot april 1974 werd het onderwerp door Versteeg behandeld in een „vormingscursus" en daar is het boek een nadere uitwerking en uitbreiding van.
Prof. Versteeg behandelt zijn onderwerp geheel uit de Schrift. Hij doet dat met het oog op de vragen van onze tijd, maar het is vooral een bijbelse studie gebleven. En dat maakt dit boekje zo belangrijk. We zullen ons altijd weer vanuit de Schrift moeten laten onderwijzen. En Versteeg is een goede Schriftuitlegger. Allerlei interessante exegetische uiteenzettingen verrijken het boek. Laat ik er een paar mogen noemen om zo uw belangstelling voor het boek van Versteeg te wekken.

Jezus en de Vadernaam
Versteeg noemt het karakteristieke van het bidden van Jezus, dat Hij tot God bad als zijn Vader. Wanneer we letten op de gebeden, die in het O.T. worden weergegeven, valt het op, dat in geen enkel gebed daar God als Vader wordt aangesproken. Zelfs in het algemeen vinden we de aanduiding „Vader" met betrekking tot God in het O.T. hoogst zelden. Slechts een enkele maal wordt God zo genoemd. Maar dan nooit van een enkel Israëliet. God wordt als de Vader van het volk Israël of van de koning aangeduid (bv. Deut. 32:6; 2 Sam. 7:14). God wordt Vader genoemd, omdat Hij de Schepper is (Jes. 64:8; Mal. 2:10) of omdat Hij Verlosser is (Jes. 63:16) of Ontfermer (Psalm 68:6; Jer. 3:4, 19). Deze drie aspecten van Gods Vaderschap liggen heel dicht bij elkaar. Als de Verlosser is Hij de Schepper en Maker van Israël en daarin komt Zijn ontferming uit (Jes. 4:1). Men kan ook nog spreken van het theocratische aspekt van Gods Vaderschap. Er zijn slechts 15 plaatsen in het O.T. waar God als Vader wordt aangeduid. En dat heeft volgens Versteeg een aanwijsbare reden. Graag geef ik zijn verklaring hier aan u door.
Alle volken rond Israël zagen de goden en de mensen opgenomen in één fysisch verband. Goden en mensen beschouwde men als behorend tot dezelfde werkelijkheid, omdat in goden en mensen dezelfde krachten van de natuur werken. Typerend voor heel de wereld rond Israël is wat in de Babylonische mythe „Enuma elisj" gezegd wordt over de oorsprong van de mens. Volgens deze mythe is de mens geboren uit het bloed en de beenderen van de god Kingu. De mensen zijn uit de godheid voortgekomen. De mens is ten diepste goddelijk. Er is wel een onderscheid tussen goden en mensen in hoedanigheden. De mens is sterfelijk, de godheid is onsterfelijk. De mens is zwak, de godheid is sterk. Maar van een wezenlijk onderscheid tussen goden en mensen wilde men in de wereld rondom Israël niets weten.
Tegen deze typisch heidense gedachte verzet zich al direkt de eerste bladzijde van het Oude Testament. God en mens staan niet in één fysisch verband, zo maakt Gen. 1 ons duidelijk. Er is een wezenlijk onderscheid tussen God en mens. Aan de natuur, waarin de mens geworteld is, gaat God vooraf. Hij staat boven de natuur. De mens is niet uit God voortgekomen, maar geschapen. Hier ligt de beslissende grens voor het mens-zijn.
In dit licht moeten wij, naar Versteeg terecht opmerkt, de schroom om in het O.T. met betrekking tot God de naam „Vader" te gebruiken verklaren. De naam „Vader" zou kunnen doen denken aan een fysische verwantschap tussen God en mensen in. De mens is echter - als door God geschapen - van een andere orde dan God. Vandaar het opmerkelijke feit, dat in het O.T. God nooit de Vader van de enkele Israëliet genoemd wordt, maar de Vader van het volk Israël. Het Vader-zijn van God wordt dan direkt verbonden met Zijn verlossend handelen, waaraan het volk Israël zijn bestaan te danken had. Als Vader is God de Schepper van zijn volk.
In de joodse literatuur uit de periode tussen het Oude en het Nieuwe Testament treffen we dezelfde schroom met betrekking tot het gebruik van de naam „Vader" voor God aan, al komt daar de Vadernaam van God in de gebeden wel voor.

Maar in het N.T. is het beeld totaal anders. Alleen al in de evangeliën komt het woord „Vader" voor God 170 keer in de mond van Jezus voor. Versteeg wijst op twee dingen, die uit het feit dat Jezus God als „Vader" aanspreekt, naar voren komen. Het eerste is de unieke relatie tussen Jezus en God. Jezus kon God als Vader aanspreken, omdat Hij in eigenlijke en unieke zin de Zoon van God is. Maar er is ook een tweede.
Versteeg wijst er op dat in de aanspraak „Vader" door Jezus uitkomt dat de beloofde heilstijd een werkelijkheid geworden is. Typerend voor de in het O.T. beloofde heilstijd is, dat in die tijd God als Vader gekend en aangesproken mag worden. Gewezen wordt o.a. op Jer. 31:9 en dan vervolgt Versteeg: „In het licht van de oudtestamentische profetie wordt duidelijk wat het betekent, dat Jezus God als vader aansprak. Het betekent de vervulling van de oudtestamentische profetie. Waar de profeten naar hadden uitgezien - de tijd, dat tegen God „mijn Vader" gezegd zou worden - werd in Jezus vervuld. De aanspraak „Vader" in Jezus' mond liet uitkomen, dat de beloofde heilstijd aangebroken was" (blz. 18). Versteeg laat hier een belangrijk aspekt zien.

Aanbidden in geest en in waarheid
Van deze uitdrukking in het woord van Jezus tot de Samaritaanse vrouw (Joh. 4:23) geeft Versteeg eveneens een duidelijk en goede verklaring. Ik moge daarop hier attenderen omdat deze woorden vaak in een verkeerde zin worden verklaard en aangehaald. Jezus bedoelt in zijn gesprek met de Samaritaanse vrouw niet te zeggen, dat de aanbidding van God op geestelijke wijze moet geschieden en waarachtig moet zijn. Dat spreekt vanzelf. Bovendien was dat niet in discussie. De vraag van de vrouw was naar de plaats, waar God gekend wordt en dus aangebeden moet worden. Daarbij verwees Jezus naar zichzelf. Het aanbidden in geest en waarheid is het aanbidden daar waar God zich openbaart, nl. in zijn Zoon.
Terecht merkt Versteeg op dat we de woorden „in geest en in waarheid" moeten lezen in het licht van het O.T. Het woord „geest" wordt in het O.T. herhaaldelijk gesteld tegenover „vlees". Ook Paulus doet dat, maar in het O.T. ligt het accent iets anders dan bij Paulus. Het eigene van de oudtestamentische tegenstelling tussen „geest" en „vlees" komt bv. uit in Jes. 31:3. Daar houdt de profeet aan zijn tijdgenoten voor: „De Egyptenaren . . . zijn mensen en geen God en hun paarden zijn vlees en geen geest". Het woord „geest" is hier de aanduiding van de openbaring van God in zijn kracht. Het woord „vlees" spreekt van wat blijkt van de mens in zijn zwakheid. Zo is ook het woord „waarheid" een woord met een eigen klank in het Oude Testament.

Het woord „waarheid" spreekt van de trouw van God. Het onderstreept, dat God handelt overeenkomstig de beloften die Hij gaf. Wat breder omschreven betekent dus „aanbidden in geest en in waarheid": Aanbidden waar God zich in zijn kracht openbaarde en waar zijn trouw aan zijn beloften blijkt. Geen wonder, dat de Samaritaanse vrouw hier bij direkt moest denken aan de beloofde Messias, de Christus. Ze repliceert meteen op het woord van Jezus door te gaan spreken over de Messias: Ik weet, dat de Messias komt, die Christus genoemd wordt. De eis om God te aanbidden „in geest en waarheid" vloeit voort uit het feit, dat God „geest" is (Joh. 4:24). De uitdrukking „God is geest" sluit zich aan bij de zojuist gegeven interpretatie van het woord „geest". In de uitdrukking wordt immers niet gezegd - ook al heeft men er dat veelal van gemaakt - dat God geestelijk is, waarbij „geestelijk" dan staat tegenover „lichamelijk". De uitdrukking „God is Geest" is ook niet op te vatten als een aanduiding van de eenheid van God de Vader en God de Heilige Geest in de zin van de leer der drieëenheid. In de uitdrukking is niet sprake van dé Geest (met een lidwoord), maar slechts van „geest". In de lijn van het oudtestamentisch spraakgebruik is de uitdrukking „God is geest" op te vatten als: God is de God die Zich in zijn kracht openbaart. Hieruit vloeit nu de eis van de aanbidding voort. Juist omdat God de Zich openbarende God is, moet Hij ook aangebeden worden. Dit kan evenwel alleen waarachtig geschieden, wanneer de aanbidding gebonden is aan die openbaring van God.
Zo liet Jezus tegenover de Samaritaanse vrouw uitkomen, dat niet meer de tempel, maar zijn eigen persoon de „plaats" is waar God Zich openbaart en dus ook aangebeden wil worden. „Het gaat er niet om dat de plaats opgehouden heeft van belang te zijn voor de aanbidding. De bedoeling is, dat nu de plaats opnieuw bepaald is en dat God nu aangebeden moet worden in de plaats waar Hij aanwezig is, d.w.z. in Hem die de vleesgeworden waarheid is". „Er is geen waarachtige aanbidding van God mogelijk die omgaat buiten Jezus, de Christus. In Hem - en in Hem alleen - heeft God zich geopenbaard. De waarachtige aanbidding is gebonden aan Hem" (bl. 47 vv.).
Het is goed dat Versteeg nog eens weer de oudtestamentische achtergrond van de uitdrukking „geest en waarheid" heeft duidelijk gemaakt. We hebben zo vaak bijbelse woorden verstaan en uitgelegd naar aan de bijbel vreemde en aan westerse filosofieën ontleende kategorieën. We moeten God aanbidden in en vanuit de werkelijkheid die als een alles vernieuwende kracht gekomen is met Jezus Christus. God is geen „vlees" zoals de mens „vlees" is. Daar komt men bedrogen mee uit. Dat geeft geen houvast en grond. God is „geest" en daarom is Hij een niet aflatende kracht tot redding en vernieuwing, in de betrouwbare openbaring van onze Here en Heiland Jezus Christus. Het boekje van prof. Versteeg, dat ontzaglijk veel biedt, is zeer geschikt ter bespreking op verenigingen of bijbelkringen. We zijn de schrijver dankbaar voor wat hij gegeven heeft.

Oosterhoff

*) Het gebed volgens het Nieuwe Testament, door prof. dr. J.P. Versteeg, in de reeks „Zicht op de bijbel" no. 10, uitgave Buijten en Schipperheijn, Amsterdam 1976, 168 blz., prijs ƒ 15,90. Het omslagontwerp - iemand in biddende houding - is van C. Sneep en J. van den Berge.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juli 1976

De Wekker | 8 Pagina's

Een veelzijdig boekje over het gebed

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juli 1976

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken