Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Synode van Hoogeveen (IV)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Synode van Hoogeveen (IV)

18 minuten leestijd

Schippers
Aan het begin van de avondvergadering zongen we Ps. 65: 4 en 5. Het rapport van deputaten voor de ambtelijke bearbeiding van schippers was aan de orde. In dit rapport werd een uitvoerig overzicht gegeven van de ontwikkelingen in de binnenscheepvaart. Het contact met de varende leden van onze kerken is nog moeilijker geworden. Deputaten spraken als hun mening uit dat voortgegaan moet worden in de pogingen te komen tot een schipperspredikant. Maar commissie V vond niet dat uit het rapport gebleken is dat het beroepen van een predikant per sé noodzakelijk is.
Drie synodeleden - de predikanten Tanis, Manni en K.J. Velema - namen aan de bespreking van het rapport deel. Ds. Manni meende dat er wel reden was om een schipperspredikant te beroepen, terwijl ds. Tanis informeerde naar het contact tussen kerkeraden en hun varende leden.
Ds. v.d. Veer, rapporteur van de commissie, meende dat de plaatselijke kerkeraden veel kunnen opvangen.
Deputaat Vree beantwoordde verschillende opmerkingen o.a. over het blad De Vaste Koers. Hij meende dat de varende leden maar een incidenteel contact met hun kerkeraden hebben. De entree tot de schippers is moeilijk.
Ds. v.d. Veer illustreerde dat een beroep op een predikant voor hun bearbeiding niet erg bij hen leeft.
De synode sprak uit dat het rapport van deputaten opnieuw niet overtuigt van de noodzaak van het beroepen van een eigen predikant. Wel droeg de synode deze deputaten op om nauwere contacten te leggen met kerkeraden van gemeenten waaronder schippers ressorteren en van gemeenten gelegen aan belangrijke waterwegen en met hen overleg te plegen t.a.v. de bearbeiding van schippers-leden.

Zeevarenden
Opnieuw hield de synode zich bezig met de zeevarenden. In een vorige zitting hadden de predikanten Tanis en Manni vragen gesteld over de arbeid van deze deputaten. Toen was geen deputaat aanwezig om de vragen te beantwoorden. Hoewel ook nu voorzitter noch secretaris van deputaten aanwezig waren konden de vragen beantwoord worden door de penningmeester, br. P. Zuidema, die een warm betoog hield, dat de aandacht van de synode had. Op bewogen wijze schetste hij de veranderingen die zich ook op dit gebied voordoen. Men is tegenwoordig maar heel kort in de haven. Er komt een grote gejaagdheid over de zeevarenden en dat is in hun nadeel en ook in het nadeel van de geestelijke verzorging.
Hebben we wel voldoende aandacht voor de gezinnen? Verstaan onze kerken hun taak wel? Veel kan door de plaatselijke gemeenten worden gedaan, maar dan moet het ook goed gebeuren. De synode zou er op moeten aandringen dat het contact wordt geïntensiveerd. Ook vroeg hij geldelijke steun voor de arbeid, nu de deputaten niet meer over een eigen kas beschikken.

Tot een beslissing kwam deze zaak nog niet. Het moderamen zal een voorstel doen.
De zitting van 6 september was ten einde. Prof. dr. W.H. Velema eindigde met gebed.

Een brief uit Kampen 1975
Op woensdagmorgen 7 september hield de synode zich bezig met de verhouding tot andere kerken.
In verband met dit onderwerp liet de praeses zingen Ps. 102: 7 en 8, las Efeze 3: 8-21 en ging voor in gebed.
Eerste punt van behandeling was een brief van de Generale Synode van Geref. Kerken (vrijgemaakt - binnen verband), gehouden te Kampen 1975. De brief was een antwoord op onze brief van 1974. Het is de gereformeerde synode reden tot verbazing waarom onze synode uitsprak dat de toenadering tussen beide kerken niet gediend was door het doen van bondige uitspraken. De brief van Kampen mondt uit op het stellen van twee vragen.
Commissie III die deze brief van Kampen besproken had stelde de synode voor het moderamen opdracht te geven het moderamen van de synode van Kampen uit te nodigen tot een onderling gesprek van beide moderamina ter toelichting op de brief. In dit gesprek zou ons moderamen dan duidelijk moeten maken dat het een zaak van beleid is geweest om uit te spreken dat de door ons gesignaleerde verschillen eerst uit de weg moeten geruimd worden vóór een eventuele vereniging.
Bij de bespreking van deze voorstellen voerde eerst oud. Koole het woord. Hij hield een bewogen betoog ter inleiding op heel de bespreking van de kerkelijke verhoudingen.
Het gaat in de kerkelijke geschillen niet om fundamentele geloofsverschillen.
Er is zoveel terughoudendheid, zoveel verschil in visie. Wie of wat breekt daar door heen? We maken zoveel omtrekkende bewegingen. De gebrokenheid van Christus' kerk is voor de gemeente geen oorzaak van oprecht verdriet. Moet het niet veel meer een oorzaak van gebed worden? De synode zou een krachtige oproep moeten doen om de zaak van de eenheid meer te doen gaan leven aan de voet van het kerkelijk leven.
Dr. Brienen merkte op dat hij niet duidelijk zag waar het knelpunt zit. Is het verschil zo belangrijk dat we daarop de contacten moeten laten afbreken?
Ds. van Amstel was van mening dat we te maken hebben met kerken van de Here. Misschien staan we dichter bij hen dan bij de buitenverbanders. We mogen niet onafhankelijk van elkaar leven en dienen daarom serieus in te gaan op deze brief.
De rapporteur van de commissie, ds. Manni, zei de indruk te hebben dat er in vrijgemaakte kring wat meer begrip is voor wat er bij ons leeft dan voorheen. Als we het moderamen in de plenaire zitting van de synode zouden ontvangen betekent dit dat een monoloog van vrijgemaakte zijde wordt gehouden.
De voorzitter van deputaten, prof. van Genderen, herinnerde aan de gang van zaken in 1962 en volgende jaren. Een dialoog tussen de moderamina geeft mogelijkheden tot nieuwe contacten.
Het voorstel van de commissie werd met algemene stemmen aangenomen.
Het moderamen kreeg opdracht contact te zoeken met het moderamen van de synode van Kampen, die in 1975 gehouden was.

De buitenverbanders
Tweede punt voor deze morgen was het gedeelte van het rapport van deputaten eenheid geref. belijders dat ging over de contacten met de buitenverbanders. Het rapport handelde over de Gemeenschappelijke Verklaring - ook in ons blad gepubliceerd -, het kerkverband, de gehouden enquête en tenslotte werd een evaluatie gegeven. Slot van dit stuk luidde: „Uit dit alles blijkt dat het een kwalijke zaak zou zijn een eenheid te forceren die niet wortelt in de bodem van de kerken. We zuilen naar elkaar toe moeten groeien; het zal in de gemeenten meer en meer moeten gaan leven; waar samenwerking mogelijk is zal die gezocht moeten worden, opdat daaruit verdere toenadering kan volgen. Genoemd werden de laatste keer: ontmoetingen van ambtdragers. Bovenal zullen we in de prediking, ambtelijke bearbeiding en publicaties veel aandacht moeten geven aan Christus' gebod tot eenheid en die eenheid moeten zoeken niet alleen met de buitenverbanders, maar met allen die in waarheid onder het gezag van Gods Woord willen buigen en naar de gereformeerde belijdenis willen leven en die begeren te handhaven".
De commissie was van mening dat het deputatenrapport een zekere matheid vertoonde; zij liet een optimistischer geluid horen en memoreerde enkele feiten, die dit optimisme zouden rechtvaardigen.
Een brede bespreking volgde over deze zaak.
Ds. Slagboom opende de rij van sprekers over dit onderwerp. Hij constateerde dat het commissierapport verder ging dan het deputatenrapport. Hij vond dat in het deputatenrapport een goede argumentatie was gegeven. Binnen de kerken, waar kanselruil is, zijn grotere groepen die bezwaren hebben. Verschillende kerkeraden hebben geen antwoord gegeven en zijn met hun bezwaren niet voor de dag gekomen. Het zou de moeite waard zijn een ernstig onderzoek in te stellen naar de funktionering van deze Gemeenschappelijke Verklaring in de gemeenten.
Ds. Beekhuis maakte verschillende kritische opmerkingen t.a.v. de Gemeenschappelijke Verklaring.
Ds. v.d. Veer merkte op dat je een enquête verschillend kunt lezen. Het grootste probleem is momenteel het wegebben van de bereikte resultaten nu we landelijk niet verder komen.
Ds. Tanis vroeg wat willen de buitenverbanders zelf?
Ds. Brons ging heel uitvoerig op beide rapporten in en stelde veel vragen. Bv. is het verantwoord dat deze kerken tot een eigen kerkverband komen? Hoe funktioneert de gereformeerde belijdenis in deze kerken? De krant berichtte de bevestiging van een vrouwelijke ambtsdrager in de Tehuisgemeente. Met de federatiegedachte wist ds. Brons geen raad in het raam van het gereformeerde kerkrecht.
Oud. Westerhof vroeg: zijn wij er niet mee schuldig aan dat deze kerken alle kanten uitgaan? De meerdere vergaderingen moeten de toenadering niet barricaderen.
Tenslotte stelden ds. van Amstel en ds. Brienen enkele vragen; de laatste noemde het rapport van deputaten vaag en mat.
De rapporteur beantwoordde een enkele vraag voor het einde van de morgenvergadering en aan het begin van de middagvergadering ging de voorzitter van deputaten, prof. van Genderen, uitvoerig in op opmerkingen en vragen uit de eerste ronde.
Uit zijn beantwoording noteren we: de commissie heeft zich niet zo lang verdiept in de materie als deputaten en heeft niet alle stukken gezien. Zij hebben de antwoorden op de enquête niet alleen geteld, maar ook gewogen. Deputaten wilden reëel rapporteren en menen dat daarmee het kerkelijke leven het meest is gediend.
Na deze globale beantwoording gaf de praeses een tweede ronde waaraan deelnamen de broeders Bouw, Koole, Slagboom, K.J. Velema, terwijl ds. J. Brons en oud. Westerhof voorstellen indienden.
Aan het einde van de bespreking, die werd bijgewoond door twee leden van de gereformeerde commissie voor samenspreking gaf de praeses het woord aan ds. G. v.d. Brink - medebezoeker was ds. G. Mul - die zijn hartelijke dank uitsprak voor het feit dat zij deze bespreking mochten bijwonen. Het was bij bepaalde momenten in de bespreking moeilijk om alleen maar luisteraar te zijn.
Hij herinnerde de synode er aan dat God, de Vader van de Here Jezus Christus ons gezegend heeft, met allerlei geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten. De Here heeft ons veel gegeven. We zijn rijk. Is dit geen zaak, die ons ten diepste moet verbazen? Hij herinnerde aan de Landelijke Vergadering, waar ook twee chr. geref. deputaten aanwezig waren. Het gaar er om de eenheid des Geestes te bewaren door de band des vredes.
Na dit korte woord werden de verschillende voorstellen terugverwezen naar de commissie, die op een later tijdstip met één voorstel hoopt te komen.

Financiën
Het rapport van deputaten financiële zaken werd hierna besproken - een heel andere materie, maar niet minder nodig. Behalve de rapportage over op elke synode terugkerende zaken - als de controle op de verschillende kerkelijke kassen en de predikantstractementen - werd aan twee zaken in dit rapport extra aandacht besteed.
We noemen eerst de collecten voor de kerkelijke kassen. Een aantal kerken voldoet niet of slechts ten dele aan de vastgestelde omslagen.
De overzichtelijke samenvatting liet niet bepaald opwekkende cijfers zien. In 1976 werden in totaal 162 collecten niet gehouden, waarvan 35 niet voor de Kerkjeugd-kas en 20 niet voor de Evangelisatie. In de P.S. v.h. Noorden werden 33 collecten niet gehouden en in die van het Zuiden 56 collecten niet. Daarbij komt dan nog dat 154 collecten een te lage afdracht vertoonden.
Vervolgens werd aan de bijzondere opdracht van de vorige synode aandacht besteed nl. om een voorstel te doen met betrekking tot het draagkrachtbeginsel bij het vaststellen van de minimumbijdragen.
Het „draagkracht" rapport is een interessant stuk. Er is - om een zaak uit dit rapport te lichten - een relatie tussen de predikant en zijn inzet enerzijds en de offervaardigheid van de gemeente anderzijds. De hoogste bijdrage per lid-dooplid is ƒ 303,— in een gemeente met predikant; de laagste ƒ 107,— per ziel zonder predikant.
Volgens deze deputaten is er aanleiding voor een wijziging in de verdeling van de lasten van het kerkelijke leven. Kleine gemeenten indien zij een predikant hebben, zouden vrijgesteld moeten worden van het voldoen aan de omslagen.
Commissie VII was het hier echter niet mee eens. In het rapport stond o.a.
„Uw commissie acht het echter principieel en psychologisch niet juist een aantal gemeenten te ontheffen van hun verplichting de minimum-bijdragen voor landelijk kerkelijk werk te voldoen; en wel op grond van de volgende overwegingen:
a. ieder lid van de Christelijke Gereformeerde Kerken en derhalve ook elke gemeente heeft verplichtingen t.o.v. het kerkverband;
b. wordt de vrijstelling integraal verleend aan alle gemeenten die aan de te stellen norm voldoen, dan geldt dit ook gemeenten die gaarne bereid en ook in staat zijn in de financiële lasten bij te dragen;
c. het verlenen van vrijstelling aan een aantal gemeenten werkt het niet, resp. het niet volledig-nakomen van de financiële verplichting door kerken die wel de verplichting hebben, in de hand."
Aan deputaten voor Onderlinge Bijstand moet terugbetaling van ten hoogste 75% van betaalde totaal der minimumbijdragen kunnen worden gevraagd.
De broeders van Vuuren, K.J. Velema, van Ledden, Spaans en Brons namen aan de bespreking deel.
Drie van hen gingen in op het niet collecteren voor bepaalde kassen. Ds. van Vuren deed een uitvoerig voorstel, dat echter op dit moment niet kon behandeld worden.
Ds. Brons meende dat brieven van kerkeraden, die bezwaren hebben tegen het beleid van een bepaald deputaatschep door deze deputaten soms te nonchalant worden behandeld.
Br. J. Bijleveld, voorzitter van deze deputaten, gaf op prettige wijze deskundig antwoord op verschillende opmerkingen.
De voorstellen van de commissie werden aanvaard.

T.a.v. de nalatige kerken werd besloten dat de Generale Synode een brief aan deze kerken zendt, waarin:
„a. gewezen wordt op hun onjuiste houding:
b. met klem op het nakomen van hun verplichtingen wordt aangedrongen:
c. gesteld wordt dat ongenoegen over het gevoerde beleid van een deputaatschap nimmer kenbaar gemaakt kan worden door het niet betalen van de minimumbijdrage, dat een beroep op de kas Onderlinge Bijstand altijd mogelijk is."
T.a.v. de bijdragen aan het landelijke werk werd het volgende bepaald:
„1. Elke gemeente is verplicht bij te dragen in de financiële lasten verbonden aan het landelijk kerkelijk werk.
2. De gemeente die minder dan 250 leden telt en een predikant gedurende het volle jaar in dienst heeft, mag terugbetaling vragen aan Deputaten Ondelinge Bijstand van ten hoogste 75% van het betaalde totaal der minimumbijdragen indien naar het inzicht van de kerkeraad de financiële positie en de draagkracht van de gemeente daartoe aanleiding geeft.
3. Ter dekking van het totale te restitueren bedrag zal de minimumbijdrage voor de Kas Ondelinge Bijstand worden verhoogd. Op grond van een geraamd te restitueren bedrag zal de minimumbijdrage voor 1978 met ƒ 1,50 per (doop)lid worden verhoogd. In volgende jaren is de verhoging afhankelijk van het terugbetaalde bedrag.
4. Deze regeling wordt van kracht met ingang van het jaar 1978."

Een instructie
De P.S. v.h. Zuiden had een instructie ingediend waarin de gen. synode verzocht werd het beleid t.a.v. de Kas Onderlinge Bijstand zodanig te verruimen dat gemeenten die niet of moeilijk aan de gevraagde omslag voor de kerkelijke kassen kunnen voldoen zich op deze kas kunnen beroepen.
De commissie financiën die deze instructie had besproken merkte op dat deputaten krachtens hun instructie deze steun kunnen verlenen aan kerkeraden ten einde hen in staat te stellen aan hun verplichtingen te blijven voldoen en vond deze instructie overbodig. De synode was het zonder bespreking daarmee eens.

Kerkbouwaangelegenheden
Deputaten voor deze zaak hadden een kort rapport ingediend. Vele gemeenten blijken geen of minder uitkeringen nodig te hebben omdat ze door hun offervaardigheid aan hun verplichtingen kunnen voldoen. Deputaten hebben daaruit de conclusie getrokken dat de te verstrekken garanties het bedrag van eigen middelen met 80% - was 50% - mogen te boven gaan.
Aldus werd besloten. Bouwtechnisch noodzakelijke restauratie, die niet primair gericht is op verfraaiing komt voor steun in aanmerking - aldus een suggestie van dep. fin. zaken. Wijziging van de instructie is naar de mening van de commissie hiervoor niet nodig.
Hierna werd een begin gemaakt met de bespreking van een instructie m.b.t. het beroepen van een predikant uit het buitenland. Commissie II had hierover een rapport ingediend. Al spoedig bleek dat er nogal wat haken en ogen zaten aan deze zaak, zodat een en ander nog eens bekeken zal worden.

Een Schotse gast
Na de broodmaaltijd gaf de praeses het woord aan prof. Graham, algemeen secretaris van de Free Church of Scotland, die gekomen was om - zoals we dat reeds enige jaren gewoon zijn - groeten en wensen van deze contactkerk over te brengen. Hij deed echter meer dan dat: hij hield een referaat over de betekenis van de belijdenis en de verhouding tussen het Woord Gods en de belijdenis. Prof. Versteeg vertaalde deze Schotse gast.
Het was een gedegen woord, dat echter door de lengte het programma danig in de war bracht zodat er aan de moderamentafel wat onrust begon te ontstaan naarmate de wijzers verder tikten.
Maar ook hieraan kwam een einde. De praeses stelde zijn antwoord noodgedwongen uit tot een gelegener tijd.
Inmiddels waren drie zendingsdeputaten reeds gearriveerd.

Zending
Zendingsdeputaten hadden voor een overzichtelijk rapport gezorgd, dat 20 pagina's telde. Uiteraard onmogelijk om daar een samenvatting van te geven. Heel het terrein van het zendingswerk werd belicht.
Het werk in Torajaland werd gememoreerd en de arbeid van de verschillende werkers en werksters. Met dankbaarheid werd melding gemaakt van het gouden jubileum van de Torajazending.
Ook het werk in Vendaland werd uitvoerig geschetst: de moeilijkheden en mogelijkheden.
Het slot van het rapport „Perspectief" nemen we in haar geheel over:
„Wanneer de vraag gesteld wordt welke perspectieven het huidige zendingswerk biedt, dan zijn uw deputaten van mening dat ernstig rekening gehouden moet worden met het op zich zelf verblijdende feit dat niet alleen de kerken in Torajaland, maar ook in Vendaland in toenemende mate „zelfstandig" worden. Uiteraard is elke gemeente van Christus die door Zijn Geest wordt vergaderd, zelfstandig in die zin dat zij staat in eigen relatie en verantwoordelijkheid tot de Koning van de Kerk. Financieel en personeel kan er dan nog lange tijd een grote mate van afhankelijkheid bestaan ten opzichte van de kerken door wier dienst deze jonge kerken zijn geplant. Wie eigen kerkgeschiedenis kent, weet dat de financiële onafhankelijkheid een goed is dat feitelijk pas in de vorige eeuw werd verworven. Wanneer de kerken van de Reformatie er hier eeuwen over gedaan hebben om financieel zelfstandig te worden, behoeft het niet te verbazen dat de jonge kerken op het zendingsveld daarvoor wel enkele decennia nodig hebben. Belangrijker is dat deze jonge kerken personeel zelfstandig kunnen functioneren. Wat het Torajaland betreft, komt de datum al dichter bij al is die dan nog niet exact te bepalen - dat de Nederlandse zending zicht terug kan trekken. Voorzover dat op dit moment te beoordelen valt, zal drs. Buijs de laatste zendingspredikant zijn die wordt uitgezonden en ter beschikking van de GTM gesteld. Deputaten vermoeden dat na een paar diensttermijnen van drs. Buijs er wel zoveel kader in de GTM zal zijn, dat de zending „overbodig" is geworden. Hetzelfde geldt min of meer van Vendaland. Politieke factoren - die een plotselinge beëindiging van het zendingswerk kunnen betekenen - niet meegerekend, denkt men aan acht à tien jaar dat het zendingswerk daar tot een eind is gekomen; hoogstens zullen de jonge kerken nog enige financiële steun kunnen gebruiken.
Intussen blijft het zendingsbevel, de zendingsroeping! Om daaraan te voldoen menen uw deputaten dat er perspectief gezocht moet worden op een ander zendingsterrein. Zij zijn bezig informatie in te winnen om zich zo breed mogelijk te oriënteren ten aanzien van zendingsmogelijkheden elders. De reeds ontvangen en de nog verwachte informatie willen deputaten niet verwerken zonder mandaat uwerzijds. Zij achten het niet uitgesloten dat er zich een situatie kan voordoen dat uitstel van aanvaarding van een nieuw terrein tot een beslissing van de volgende synode niet mogelijk zal zijn. In dat geval verzoeken zij de machtiging van de synode overeenkomstig art. 9 van de Regeling voor de buitenlandse zending onder verantwoordelijkheid aan de volgende synode."

Commissie VI sprak haar waardering uit voor het overwogen en evenwichtig beleid waarvan dit rapport blijk geeft.
Enkele broeders namen aan de bespreking deel.
Oud. Koole informeerde naar de motieven van het snelle zelfstandig worden en naar de mogelijkheid van een nieuw zendingsterrein.
Ds. Bouw pleitte voor één grote landelijke zendingsdag.
Ds. van Amstel wilde dat de synode scherper dan de commissie deed zou uitspreken dat het kerkelijk onbeleefd is dat nauwelijks de helft van de aangeschreven predikanten antwoordde op een verzoek van deputaten zich te bezinnen op beschikbaarstelling aan de Torajakerk.
De brs. van der Heiden en van Vulpen maakten nog enkele formele opmerkingen.
De rapporteur, dr. v.d. Vegt, behoefde niet veel te zeggen.
De zendingssecretaris ds. Drayer ging uitvoerig op verschillende opmerkingen in en kondigde een jubileumboekje aan waarin inzonderheid het zendingswerk van de laatste 25 jaar wordt belicht.
Ook de penningmeester, br. Duindam, werd in de gelegenheid gesteld enkele fin. opmerkingen te maken.
De voorstellen van de commissie, gebaseerd op die van deputaten, werden aangenomen.
We noemen er drie:
- de samenwerking met de kerken van Hoogeveen en Hilversum-Oost te beëindigen en de kerk van Oud-Beijerland aan te wijzen als zendende kerk als een visum aan ds. Buijs wordt verstrekt;
- de kerken op te wekken tot offervaardigheid voor de jubileumcollecte ten behoeve van de herbouw van „Mbeu" in Sibasa als boekhandel/drukkerij/uitgeverij;
- deputaten op te dragen een nieuw zendingsterrein te zoeken en hen te machtigen tot eventuele goedkeuring overeenkomstig art. 9 van de regeling voor de buitenlandse zending.
De praeses vertolkte de dank voor de verrichte arbeid; de synode had behoefte te horen wat deputaten zeggen als onderstreping van het rapport. We mogen dankbaar zijn dat we dit werk hebben mogen en kunnen verrichten.
Het was verblijdend dat de zendingszaken in vlot tempo konden worden afgewerkt.
De voorzitter van zendingsdeputaten, ds. K.J. Velema, beëindigde deze zitting van woensdag 7 september met gebed.

J.H.V.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 september 1977

De Wekker | 8 Pagina's

Synode van Hoogeveen (IV)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 september 1977

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken