Bekijk het origineel

Huisbezoek gehad? (II)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Huisbezoek gehad? (II)

6 minuten leestijd

Doel van het gesprek
Het huisbezoek moet niet „examinerend" zijn, daar is op allerlei wijzen reeds vele malen op conferenties en in de literatuur op gewezen. Doel moet zijn iets achter te laten, waar men verder mee bezig kan zijn. En dat kan erg verschillend zijn. Want ons christen zijn is geen zaak apart. Het raakt onze existentie, al onze vragen en vreugden, ons gezins- en persoonlijke leven, ons werk en de opvoeding van onze kinderen.

De ambtsdrager gaat niet op huisbezoek om geestelijk „te ontleden". De gemeente ziet er toch niet tegen op als er huisbezoek wordt aangekondigd? Het moet, als het goed is, een ontmoeting zijn voor het aangezicht des Heren van mensen, ambtsdragers en gemeenteleden, die elkaar kennen. De ouderling heeft wèl een onderwijzende taak, geen uitsluitend onderzoekende. Natuurlijk heeft het gesprek, dat hij voert voor hem zelf wel een onderzoekende functie, als het gemeentelid of het gezin waar het gesprek mee gevoerd wordt, het maar niet als een vooropgesteld doel merkt. Want de ambtsdrager, predikant of ouderling, ook wel in voorkomende gevallen de diaken, moet een uitgangspunt voor zijn gesprek hebben. Maar daarbij dient het doel voor ogen te staan een handreiking te bieden om verder te komen.

Ik ben mij bewust, dat dit bij de lezer, ambtsdrager of niet, vragen kan oproepen. „Verder komen" wat is dat?

In de literatuur wordt op grond van schriftplaatsen er aan herinnerd, dat aan „oudsten" pastorale zorg was opgedragen. Dat is dus herderlijke zorg.
In Handelingen 20 b.v. vermaant Paulus de oudsten van Epheze om toe te zien op zichzelf en op de gehele kudde, waarover de Heilige Geest u - aldus vers 28 - tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden, die Hij Zich door het bloed van zijn Eigene verworven heeft. Te weiden, naar de gemeente met zorg om te zien. Onze kerkorde spreekt van vertroosten en onderwijzen als het in art. 23 gaat over de dienst van de ouderlingen. En dat dan „zowel voor als na het Avondmaal".

Vanouds stond n.l. het Avondmaal centraal in de ambtelijke zorg over de gemeente. Leerzaam is b.v. wat reeds meer dan vier eeuwen geleden het „Convent van Wezel" (1568) over het ambt der ouderlingen uitsprak n.l. dat zij, een iegelijk over zijn eigen parochie of wijk, naarstig de wacht houden en de hun toevertrouwde gemeenteleden van huis tot huis minstens eenmaal per week en voorts zo dikwijls het de gewoonte zal zijn naar de regeling van elke kerk bezoeken, vooral echter tegen den tijd der Avondmaalsviering; dat zij naar de zuiverheid van hun levenswandel en zeden, naar hun getrouwe onderwijzing van hun huisgenoten, naar de gebeden, die zij in den morgen en avond voor hun huisgenoten doen en naar soortgelijke dingen nauwkeurig onderzoek doen; dat zij hen kalm en toch ernstig vermanen en naar gelegenheid en bevind der zaken hetzij tot standvastigheid hen vermanen, hetzij tot lijdzaamheid hen versterken, hetzij tot de ernstige vreeze Gods hen opwekken, een iegelijk, die hetzij troost hetzij bestraffing van noode heeft, vertroosten of bestraffen en overal waar dit noodzakelijk zal wezen, de zaak ter behandeling zullen brengen bij hen, die met hen gesteld zijn over de broederlijke vermaningen, om gezamenlijk met dezen de terechtwijzing naar gelang van de overtreding vast te stellen. Zij zullen er ook aan denken alleen en een iegelijk in hun wijk te vermanen, opdat zij hun kinderen ter catechisatie zenden".

Hiervan uitgaande is het duidelijk dat het huisbezoek vooral een onderwijzende functie heeft. Het dient tot opbouw van de gemeente, niet alleen tot stichting in de wat passieve zin die dat woord onder ons veelal heeft. Wij „stichten" elkaar en zijn het dan geestelijk over ons bevinden eens. Maar „stichting", zoals b.v. onze formulieren dat woord kennen, is meer, eigenlijk „funderen en opbouwen" van het geestelijke leven, individueel of als gemeente. Wij kunnen elkander stichten bij Gods Woord. Maar „opbouw" zegt meer. In 2 Cor. 8: 10 b.v. schrijft Paulus over zijn bevoegdheid „om u op te bouwen en niet af te breken". En opbouw is in de gemeente des Heren gericht op het toezien op, het spreken over, het, indien de Here het wil zegenen, bevorderen dat de gemeente uit Christus leeft, in geloofsovergave zich actief op Hem verlaat. Daarop moet het huisbezoek zich richten, iets dat gemakkelijker zo wordt neergeschreven dan wordt volbracht. Immers de gevarieerdheid van de omstandigheden, waarmede de ambtsdragers op huisbezoek in aanraking komen is, zoals ik reeds aangaf, groot.

Het gesprek
Ook daar is veel over geschreven. Ieder die huisbezoek doet weet, dat het er niet om gaat veel te zeggen. Belangrijker is wàt men zegt. En om een gesprek doelgericht te kunnen voeren is het vooral nodig eerst te luisteren. Goed luisteren is een kunst. Het is een voorwaarde om tot „opbouw" werkzaam te kunnen zijn.

Natuurlijk moet er iets te „beluisteren" zijn. Daar waar huisbezoek wordt gedaan gaat het er om dat de bereidheid aanwezig is over eigen omstandigheden te spreken. Over de gezinssituatie, over vreugden of verdriet, over moeilijkheden en zorgen. Meestal gaat dat nog wel, maar ook over eigen geestelijke reactie op datgene wat het leven bracht en brengt. Belangstellend luisteren activeert het gesprek en maakt openheid.

Dit laatste moet er bij, want goed huisbezoek doen vraagt een sfeer van vertrouwen. Laat ons niet vergeten dat twee mensen, die men meestal niet dagelijks spreekt, over zaken komen praten, waar ook in de huiselijke kring, soms zelfs tussen man en vrouw of ouders en kinderen, niet dagelijks over wordt gesproken, Een reactie als „wij kennen die ouderlingen eigenlijk niet" is begrijpelijk. Wij zingen wel „Ik ben een vriend, ik ben een metgezel van allen die Uw Naam ootmoedig vrezen" maar als het er op aan komt zijn wij vaak niet zo geestelijk ingesteld, dat dit ook een directe openheid in het gesprek op huisbezoek waarborgt, b.v. als nieuw benoemde ouderlingen voor het eerst komen of als men van elders pas in een gemeente is aangekomen.

Eén huisbezoek per jaar, als dat al gelukt, is een pas op langere termijn werkend middel om vertrouwen te winnen. Als ouderlingen moeten wij zoveel mogelijk zorgen om onze wijk te kennen en te weten hoe de gezins- en persoonlijke omstandigheden zijn. Een kennismakingsbezoek, desnoods alleen gebracht, is zeer aan te bevelen. Waarbij wij dan dienen te bedenken, dat in onze huisbezoeken „geestelijk leven" geen alleen naar binnen gerichte zaak is. Leven openbaart zich, geestelijk leven ook. Terecht spreken wij toch van „levenswandel". Welnu, via het dagelijks leven, het huwelijksleven b.v., de verhoudingen in het gezin, de problemen van het onderwijs aan de kinderen, de werkgelegenheid, de lectuur in huis en misschien wel de verplichte boekenlijst van studerende kinderen op school, kan een kennismakingsbezoek heel wel tot een huisbezoek uitgroeien. Overigens passen al deze onderwerpen ook in het gesprek van het normale huisbezoek. Het gesprek dus middel om het doel van het bezoek te bereiken: iets achter te laten dat onder Gods zegen verder kan brengen, tot opbouw dient.

Amstelveen, A.L. de Bruyne

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 januari 1978

De Wekker | 8 Pagina's

Huisbezoek gehad? (II)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 januari 1978

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken