Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Achterhaalde vraag? (II)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Achterhaalde vraag? (II)

8 minuten leestijd

Vorige keer werd de vraag gesteld of het een achterhaalde zaak is wanneer in de prediking wordt gevraagd naar de persoonlijke geloofszekerheid, het weten een kind van God te zijn. De mogelijkheid is er dat in de prediking in dit opzicht verschuivingen optreden. Enkele factoren voor deze verschuiving werden belicht. Voor we nagaan wat de gevolgen zijn wanneer er inderdaad sprake is van een achterhaalde vraag, willen we de zaak als zodanig aan de orde stellen naar Schrift en belijdenis - uiteraard in een weekbladartikel in vogelvlucht.

Gemeentebeschouwing
Het is zonder meer duidelijk dat het stellen of niet stellen van de bedoelde vragen ten nauwste samenhangt met de gemeentebeschouwing. Een onderwerp, waar veel over te zeggen is en waar in de loop der jaren veel over getwist is, zeker in de vorige eeuw en als uitvloeisel daarvan ook in deze eeuw. Er is een innerlijk verband tussen de visie op de betekenis van Verbond en Doop èn op de gemeente. Er is een tijd geweest waarin een geheel verkeerde gemeentebeschouwing de ambtelijke arbeid in de breedste zin van het woord bepaalde. Die beschouwing nl. die het eigen karakter van de gemeente des Heren ontkende en geen recht deed aan het feit dat de Schrift een duidelijk onderscheid maakt tussen de gemeente als het volk Gods en hen die buiten staan.
Het is langzamerhand duidelijk geworden dat de Schriftuurlijke gemeentebeschouwing het eigen karakter van de gemeente poneert. Wie zich serieus bezighoudt met de wijze waarop Paulus de gemeente aanspreekt aan wie hij zijn brieven schrijft kan onmogelijk volhouden dat de gemeente een verzameling van onbekeerde personen is, die aangesproken kunnen worden met een term uit de politieke vergadering; mijne hoorders!
De gemeente is de gemeente des Heren; de gemeente van de Here Jezus Christus, gewassen door Zijn bloed en verzegeld met de Heilige Geest. Daarover mag geen onzekerheid zijn.
Het is zeker een gevoelig punt en ik weet dat sommigen er nog moeite mee hebben om zo de gemeente aan te spreken.
Maar luisterend naar de Schrift mogen we niet anders en kunnen we het niet anders tot de gemeente zeggen, zoals trouwens het Doopsformulier ook doet: Geliefden in de Here Jezus Christus.
Deze Schriftuurlijke gemeentebeschouwing is voluit de reformatorische, de chr. geref. beschouwing.
De gemeente mag dienovereenkomstig worden aangesproken en vermaand om als gemeente van de Here Jezus Christus zich te openbaren en te leven. De imperatief van de vermaning rust op de indicatief van de heilswerkelijkheid, waarin de gemeente door het bloed van haar Hoofd is gesteld.

Maar - en dat is m.i. een uiterst belangrijk punt, dat vandaag weer alle aandacht verdient - dat betekent niet dat nu ook elk lid van de gemeente een persoonlijk gelovige is, persoonlijk is wedergeboren en een kind van God is in de diepe zin van het woord.
Het blijkt heel duidelijk uit dezelfde brieven van Paulus dat deze apostel de mogelijkheid openlaat dat er ongelovigen tot die gemeente behoren. Ondanks de hoge inzet van 1 Korinthe wordt in diezelfde brief gezegd: Indien iemand de Here Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking. Dat kan dus; dat is een reële mogelijkheid, die in de prediking en in de bearbeiding van de gemeente verdisconteerd dient te worden.

Naarmate we verder van Pinksteren verwijderd zijn in het N.T. worden de vermaningen dringender en klemmender, zoals heel duidelijk blijkt uit de zeven brieven aan de Klein-Aziatische gemeenten, zoals we die vinden in Openbaring 2 en 3.
Drong de werkelijkheid van het gemeentelijke leven zich steeds meer op en moesten daarom de waarschuwingen steeds scherper worden, zodat het duidelijk is dat de, gemeente van de Here Jezus Christus, ondanks deze heerlijke benaming, nog lang niet in alle delen leeft uit de genade van de Here Jezus Christus?

De belijdenis
Als we de gereformeerde belijdenisschriften op dit punt nagaan, blijkt heel duidelijk hoe de kerk der Reformatie het schriftuurlijk spreken over de gemeente heeft verwerkt en tegelijk ook de werkelijkheid van de gemeente in het oog heeft gehouden.
Wie de Catechismus, het meest bekende belijdenisgeschrift, niet het oudste reformatorische belijdenisgeschrift, opslaat, maakt kennis met het spreken over de gemeente. In zondag 21, antw. 54, wordt gesproken over de gemeente, zoals God haar ziet, de gemeente die tot het eeuwige leven uitverkoren, door de Zoon Gods wordt vergaderd en waarvan „ik een levend lidmaat ben en eeuwig zal blijven".
In zondag 27 antw. 74 wordt over de gemeente gesproken zoals wij haar zien - de gemeente, waarin volwassenen en jonge kinderen begrepen zijn.
En komen we bij zondag 31, en wordt daar de bediening van de Sleutelen van het hemelrijk aan de orde gesteld, dan komt juist daar - als het gaat over de prediking - uit dat er in de gemeente, naar antw. 84, gelovigen en ongelovigen zijn „en die zich niet van harte bekeren".
Een nuchtere constatering, die de realiteit van het gemeentelijke leven onderstreept.
Het is geen randopmerking.
Uit de eerder opgestelde Nederlandse Geloofsbelijdenis komt dezelfde visie ons tegen. Ik denk aan wat in art. 29 staat: „Wij spreken hier niet van het gezelschap der hypocrieten, welke in de Kerk onder de goeden vermengd zijn, en intussen van de Kerk niet zijn, hoewel zij naar het lichaam in haar zijn".
Het zijn duidelijke aanwijzingen dat de Reformatie geen idealistische opvatting over de gemeente heeft geponeerd, maar een duidelijk schriftuurlijke visie geeft: wat de gemeente is en waar ze op aangesproken mag en moet worden èn op de werkelijkheid, zoals die in deze bedeling is.

Onderscheiding
Tegelijk moet daar nog iets bij worden gezegd. Wie zich verdiept in de Drie Formulieren van Enigheid wordt getroffen door het feit dat onze reformatorische vaderen het geloof niet alleen op een idealistische wijze hebben getekend.
De belijdenis is vol van de geloofsbeleving van de christen naar vele kanten. Hoe aandachtiger we luisteren hoe meer we dat zullen opmerken. Maar tegelijk moet gezegd dat het tot de tekening van het geloof naar de gereformeerde belijdenis behoort dat er strijd en aanvechting is in het geloof.
Zonder ook maar volledig proberen te zijn, wijs ik op die prachtige tekening van de merktekenen van de christenen in het artikel over de merktekenen van de ware en valse kerk: „alzo nochtans niet alsof er nog geen grote zwakheid in hen zij; maar zij strijden daartegen door de Geest al de dagen van hun leven".
Uit de Dordtse Leerregels noem ik deze keer alleen dat zeer practische I,16, waarin gesproken wordt over de situatie dat er leden zijn die het levend geloof „in zich nog niet krachtig gevoelen" en verder in datzelfde artikel wordt gesproken over hen, „die begeren van het lichaam des doods verlost te worden en nochtans in de weg der godzaligheid en des geloofs zo ver nog niet kunnen komen, als zij wel wilden".

Conclusie
We moeten het bij deze simpele, maar sprekende aanduidingen laten. Maar de conclusie kan, alleen als we dit verwerken, geen andere zijn dan: de belijdenis maakt onderscheid tussen gelovigen en ongelovigen in één en dezelfde gemeente; laat ook duidelijk uitkomen dat het geloof niet bij alle gelovigen even sterk is en dat er nog veel onvolkomenheden in de geloofsbeleving zijn.
Als de prediking een confessioneel karakter draagt - dat wil zeggen dat de prediking uit en naar de Schrift is en in overeenstemming met de gereformeerde belijdenis - dan kan het niet anders of deze wezenlijke elementen uit de belijdenis komen aan de orde. Niet omdat ze in de belijdenis staan, maar omdat ze in de Schrift zelf voorkomen en de belijdenis dit duidelijk heeft geformuleerd als een practische aanwijzing voor prediking en pastoraat.
We zouden de gemeente tekort doen wanneer dit alles niet aan de orde kwam. Niet dat de prediking en het pastoraat daarin moeten opgaan, maar het behoort er zeker bij.
In de „Gemeenschappelijke Verklaring" - resultaat van besprekingen tussen Chr. Geref. deputaten en de „buitenverbands"-commissie - die in november 1975 werd gepubliceerd werd duidelijk gesproken over „Tweeërlei kinderen des Verbonds". O.a. werd in deze passage gezegd: „Gods belofte en de geloofsbeleving zijn twee verschillende zaken". Ook: „Het is niet natuurlijk dat iemand een kind van het verbond is en gelooft". En die passage werd met een verwijzing naar Joh. 1:12 afgesloten met de opmerking: „Dit impliceert dat al Gods kinderen kinderen zijn van het verbond, maar dat niet alle kinderen van het verbond gelovende kinderen zijn. Onderscheidend preken is en blijft daarom nodig."
En in de volgende passage over de kenmerkenprediking werd gezegd: „Duidelijk werd gesteld dat de kenmerken van het ware geloof in de prediking aan de orde moeten komen, maar niet als gronden voor de zekerheid van het geloof, want Christus is de enige grond van het geloof".
Deputaten „Eenheid" schreven in hun rapport aan de Synode van Hoogeveen de veelzeggende zin: „We kunnen alleen maar hopen dat de gemeenschappelijke verklaring ten aanzien van de toeëigening des heils voluit zal functioneren in de beide kerken. We mogen verwachten dat ook in de prediking deze verklaring functioneert en er geen kloof is tussen wat in de verklaring staat en in de beide kerken geleerd en gebracht wordt".
Een zin, die dus zowel gericht is naar de Geref. Kerken (vrijgemaakt - buiten verband) als naar ons eigen kerkelijke leven.
Een zin om over na te denken en er nu mee te eindigen.

J.H.V.

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 november 1978

De Wekker | 8 Pagina's

Achterhaalde vraag? (II)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 november 1978

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken