Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Zelfmedelijden

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Zelfmedelijden

4 minuten leestijd

„Niemand uwer is over mij bezorgd . . . " ​1 Samuel 22: 8b

„Ja, maar ik . . ."
„Ja, maar mij . . ."
Het zijn bepaald niet de plezierigste gesprekspartners: mensen met zelfmedelijden. Wanneer je hen eens opzoekt gaat het gesprek al gauw over al die dingen waarin zij het nu juist zo verkeerd getroffen hebben; dingen, waarin zij werden benadeeld, of vergeten.
Een echt gesprek met mensen die zelfmedelijden hebben, is nauwelijks mogelijk. Ze lijken te willen klagen. Voor één ding zijn ze heel gevoelig: als je met hen instemt en zegt: „het is ook zo: u komt er altijd slecht af"!
Zelfmedelijden: het levert onaangename mensen op. Je ziet er tegenop om ze te bezoeken. Moet je die klaagzang nu altijd aanhoren?
Maar: mensen met zelfmedelijden kunnen méér zijn, dan alleen onaangenaam. Er kan in hun leven wel eens heel wat méér aan de hand zijn dan alleen, dat ze zich achteruit gezet voelen. Hun houding kan een dekmantel zijn voor een leven vól onbeleden schuld en onbestreden zonde! En dat soort zelfmedelijden komen we tegen bij koning Saul.
Ook Saul heft de klaagzang aan op zichzelf. Hij heeft nogal wat te klagen: niemand is bezorgd over hem, zijn zoon is tegen hem, zijn dienaar is tegen hem, er zijn lagen tegen hem gelegd. De koning voelt zich alleen. En in zekere zin heeft hij daarin gelijk: de voor zijn ambt onmisbare Geest des HEREN is van hem geweken en onder het volk stijgt de populariteit van de nieuw-gezalfde: David, en daalt de zijne. Geen wonder dat Saul klaagt. . .
Alleen slaat Saul in zijn klaagzang één vers over: dat van zijn eigen schuld! Hoe is hij in al deze ellende terechtgekomen? Daarvoor is hij zelf verantwoordelijk - en niemand anders. Hij is tegen Gods geboden ingegaan, en achter alle bedroevende verwikkelingen waarmee hij te maken heeft, moet hij allereerst zijn zonde zien.
Die schuld ziet Saul niet - wil hij niet zien. Daarvan heeft hij al blijk gegeven sinds zijn eerste poging David te vermoorden. Saul weigert te buigen voor Gods Woord, door Samuel tot hem gesproken te Gilgal: „de HERE heeft heden het koningschap over Israël van u afgescheurd en heeft het gegeven aan uw naaste, die beter is dan gij".
En omdat hij welbewust het buigen van Gods Woord èn het belijden van zijn schuld voor de HERE wil overslaan - houdt Saul niemand anders meer over dan zichzelf. Zichzelf in zijn erbarmelijke omstandigheden, zichzelf met een afschuwelijk wantrouwen jegens alles en iedereen. Ik, ik; mij, mij . . .
Wat de gevolgen daarvan zijn?
1 Samuel 22 vertelt ervan: in zijn jacht op David komt Saul te Nob tot een verschrikkelijke en volstrekt zinloze moord op het priestergeslacht aldaar. Tot de priester Achimelech horen we hem zeggen: „gij moet sterven, Achimelech, gij en uw gehele familie". Waarom dat móet? Omdat Saul door zijn eigen schuld steeds verder gaat en gedreven wordt in de waanzin van de zonde; hij aarzelt niet daarbij een Edomiet als handlanger te gebruiken. Zou je er niet bang van worden? Dat een mens zó ver komen kan. Het beest is in Saul losgebarsten.
Zelfmedelijden.
Dekmantel voor onbeleden schuld.
Een mens rent de afgrond tegemoet, omdat hij Gods Woord niet heeft willen aannemen: zijn zonden niet heeft willen erkennen.

Mensen met zelfmedelijden zijn dus gewaarschuwd. Wij zijn gewaarschuwd - want we hebben er allemaal een handje van om, juist wanneer Gods beschuldigende vinger naar ons toe komt, te zeggen: „ja, maar ik" . . . En we voelen ons maar al te vaak verongelijkt, wanneer God ons de waarheid laat zeggen.

We zijn gewaarschuwd. Mensen, die leven mogen met het machtige Evangelie van de vergeving van de zonden, die de boodschap van Christus Jezus hebben ontvangen - moeten de mond niet vol hebben van zichzélf, maar van Hem die kwam om hun schuld te dragen. Wie Jezus Christus als Zaligmaker kent, kan niet meer menen het slecht „getroffen" te hebben.

„ja maar ik" . . . - wie waarachtig in de Heiland gelooft, zegt bij het zien van zijn eigen schuld: „ja, maar Hij" . . . En wie zó leeft uit het Evangelie heeft nooit meer last van dat levensgevaarlijke zelfmedelijden!

Mussel, A. Hilbers jr.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 oktober 1979

De Wekker | 8 Pagina's

Zelfmedelijden

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 oktober 1979

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken