Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het koningschap in de bijbel

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het koningschap in de bijbel

9 minuten leestijd

Van unieke aard
Door de troonswisseling in ons land, waarbij we Hare Majesteit Koningin Beatrix als onze nieuwe vorstin begroeten en waardoor we weer eens bijzonder worden bepaald bij de betekenis van het koningschap in ons land, zijn we onwillekeurig geneigd een vergelijking te maken met het koningschap in de bijbel. Wij christenen weten ons altijd weer verwezen naar de bijbel en ook het staatsbestel staat daar voor ons niet buiten. Wij geloven dat de bijbel ons iets te zeggen heeft voor alle terreinen van het leven.
Nu kunnen we echter niet zonder meer het koningschap in de bijbel normatief stellen voor het koningschap bij ons. Daarvoor is het verschil tussen die twee te groot. Het koningschap in de bijbel was van een unieke aard.
Wij kennen het koningschap In de bijbel in verband met het volk Israël. Ook dat volk neemt in de bijbel een unieke plaats in. Het volk Israël was bijzonder het volk van God. Dat betekende niet dat God zich met de andere volken niet bemoeide of daar ook geen beloften voor gegeven had. Maar uit al de volken van de wereld had God met Israël zijn bijzondere verbond gesloten. Aan het volk had God ook zijn bijzondere regels en wetten gegeven. In de gehoorzaamheid aan die regels en wetten moest het bijzonder karakter van Israël als het volk van God openbaar komen. Het volk moest in al zijn uitingen en gedragingen anders zijn dan alle andere volken.
Dat bepaalde ook het koningschap onder Israël.
We zeggen wel dat Israël een theocratie was. Dat betekent dat Israël een volk was waarvan God koning was. De profeet Jesaja noemt de Here, onze Rechter, de Here, onze Wetgever, de Here, onze Koning (Jes. 33: 22). Het volk bezingt het koningschap van God in zijn liederen en in zijn psalmen. In Ps. 24 geschiedt dat in wisselzang. Het ene deel van de gemeente zingt: Wie is toch de Koning der ere? en dan antwoordt het andere deel: de Here, sterk en geweldig. De Here der heerscharen, Hij is de Koning der ere. Daarop doelt ook het woord van Bileam in Num. 24: 21 als hij daarin van het volk Israël zegt: het gejubel over de Koning is bij hem. Dan bedoelt ook Bileam dat het volk Israël God als zijn koning mag bejubelen en dat ook metterdaad doet.
Israël was een theocratisch volk. Dat wil dus zeggen: het bijzondere volk van God, waarover Hij zijn koningschap uitoefende. Dat betekende dat het volk alle heil van zijn God verwachten mocht. Van een koning wordt>verwacht dat hij er is voor zijn onderdanen en het goede voor hen zoekt en dat in praktijk brengt. Dat had God beloofd en daar stelde Hij zichzelf garant voor. Maar van de onderdanen wordt verwacht, dat zij hun koning vertrouwen en gehoorzamen en naar zijn wetten leven. Zo was er een bijzondere band tussen God en Israël en tussen Israël en God.
Zulk een theocratie sloot een aards koning niet per definitie uit. Maar dan moet zulk een koning een theocratisch koning zijn, d.w.z. een koning die zich onderworpen weet aan het koningschap van God. Zo'n koning mag nooit een autonoom koning zijn, die alleen maar doet wat hem goed en in zijn voordeel lijkt. Hij zal altijd moeten vragen naar de wil van God en daarnaar leven en zoeken die onder het volk gestalte te geven.
Het gevaar zat er in dat zulk een aards koning zich zou ontwikkelen los van God en zelfs tegen Hem in.
Dat was de vrees van Gideon, toen het volk hem eens tot koning wilde uitroepen. Daarom wees hij dat koningschap ook bewust van de hand. Hij deed dat met de woorden: Ik zal over u niet heersen en ook mijn zoon zal over u niet heersen, de Here zal over u heersen (Richt. 8:23).
En dezelfde vrees was aanwezig bij Samuel, toen het volk eens bij hem kwam met de woorden: Stel een koning over ons aan, net als alle andere volken (1 Sam. 8). Juist in dat „net als alle andere volken" lag het grote gevaar. Daarmee zag Israël aan zijn bijzondere positie en zijn bijzondere verhouding tot God voorbij, ja verloochende die zelfs.
En uit de geschiedenis van Israël Koningschap blijkt dat steeds weer. Vele koningen hebben hun positie misbruikt en zich gesteld tegen God en zijn wil.
Daarom is het eerste koningschap over Israël, dat van Saul ook mislukt. Samuel had het duidelijk gezegd tot het volk: Vreest slechts de Here en dient Hem trouw met uw ganse hart, want ziet, welke grote dingen Hij onder u gedaan heeft. Maar indien gij toch kwaad doet, zult gij zowel als uw koning worden weggevaagd (1 Sam. 12:24v).

De koning onder Israël was geroepen zich onder Gods koningschap te schikken. De aardse koning moest de vertegenwoordiger zijn van Gods koningschap, dat als het ware in zijn koningschap gestalte geven. Dat is ook de betekenis van de woorden: Ik zal hem tot een Vader zijn en hij zal Mij tot een zoon zijn. De vader- zoon-verhouding wijst op gemeenschap, op vertrouwelijke omgang van de een met de ander, maar ook op representatie, vertegenwoordiging. De zoon is de zichtbare vertegenwoordiging van de vader, in de zoon treedt de vader naar voren (2 Sam. 7: 14). In de koning onder Israël moet Gods koningschap zichtbaar zijn en blijven.
Het is duidelijk dat dit alles zo niet op het koningschap, zoals wij dat in ons land kennen, kan worden overgebracht. Daarvoor zijn de verschillen te groot. Wij zijn als volk van Nederland geen theocratie. Wij als volk van Nederland zijn niet bijzonder Gods volk in onderscheiding van andere volken. God haalt zijn volk uit alle volken.
Wanneer we parallellen willen trekken zouden we kunnen zeggen dat de kerk een theocratie is. Daarin gaat het om het koningschap van God en Christus. En men kan niet bij ons als onder Israël kerk en staat vereenzelvigen. Ook de koning onder ons is geen theocratisch koning.

En toch heeft het koningschap in de bijbel ons wel iets te zeggen. Ieder mens wordt geroepen God als koning te erkennen, onder Hem te buigen en naar zijn wil te leven. Dat geldt ook van onze koningin of koning. Een autonoom koningschap, dat met God geen rekening houdt gaat tegen de bijbel in. En het is ook niet voldoende dat de autonomie van een koning wordt verhinderd door een constitutionele monarchie, waarbij de koning of zijn ministers verantwoording schuldig zijn aan een volksvertegenwoordiging. In bijbels licht moet gezegd worden, dat ook die volksvertegenwoording geroepen is om het koningschap van God en zijn wetten en regels te eerbiedigen

De bijbel naast de Koning
Er staat in Deut. 17: 18, dat de koning onder Israël, wanneer hij op zijn koninklijke troon gezeten was, altijd een afschrift van de wet van God bij zich moet hebben. In vs. 19 wordt gezegd: Die zal hij altijd bij zich hebben en daarin zal hij gedurende heel zijn leven lezen om te leren de Here, zijn God te vrezen door al de woorden van deze wet en al deze inzettingen naarstig te onderhouden, opdat hij zich niet verheffe boven zijn volksgenoten en hij van het gebod niet afwijke noch naar rechts noch naar links, opdat hij lange tijd koning moge blijven, hijzelf en zijn zonen, temidden van Israël.

Wij geloven dat God in zijn Woord, zoals dat in de bijbel tot ons komt en ook in zijn wetgeving is neergelegd, ook ons vandaag nog de goede weg wijst, de weg waarin zegen te verwachten is. Wij geloven dat als koning en volk zich aan Gods wetten niet storen, dit uiteindelijk kwalijke gevolgen zal hebben.
Nu is het niet zo, dat op alle vragen, die vandaag in het politieke leven naar voren komen, steeds rechtstreeks uit de bijbel het gewenst antwoord is af te lezen. Dat zuilen christenen met elkaar moeten zoeken en onze koningin heeft daarvoor bijbel gelovige adviseurs nodig. Maar er worden wel richtlijnen in de bijbel gegeven, die ons duidelijk Gods wil doen kennen.
Ik denk aan wat Wilhelmina, de grootmoeder van haar die straks onze koningin zal zijn, in haar boek „Eenzaam maar niet alleen", dat zij als een geestelijke erfenis heeft nagelaten, geschreven heeft. Zij leerde de weg die zij wist te moeten gaan uit de bijbel en zij roept ieder op het heil, dat Christus biedt, te aanvaarden en zich te voegen naar Gods Vaderlijke wil. Zij roept op alle vraagstukken in de geest van Christus te helpen oplossen, geen enkele uitgezonderd. Of verkiest gij eigen begeerten na te streven, in eigen kortzichtigheid paden te betreden en plannen beramen, welke onverenigbaar zijn met Gods bestel? zo vraagt zij. En ze spreekt als haar overtuiging uit, dat zulke plannen na veel onheil voor de enkeling en de gemeenschap te hebben aangericht, uiteindelijk zullen blijken luchtkastelen te zijn.
Zonder de bijbel raken koning en volk de weg kwijt. Voor koning en volk geldt dat alleen in de weg van de gehoorzaamheid aan God en zijn Woord zegen te verwachten is.

Gerechtigheid
Een belangrijke zaak, waartoe de koning onder Israël geroepen werd was de uitoefening van de gerechtigheid, het opkomen voor zwakken en verdrukten en terneerwerping van verdrukkers en uitbuiters. Telkens weer komen we dat in de bijbel tegen, zoals bv. de profeet Jeremia het de koning voorhoudt: zo zegt de Here, doet recht en gerechtigheid, bevrijdt de beroofde uit de macht van de verdrukker, doet vreemdeling, wees en weduwe schade noch geweld aan en vergiet geen onschuldig bloed (Jer. 22: 3). De profeet maakt een vergelijking tussen koning Jojachim en diens vader Josia. Van Josia zegt de profeet: Hij deed de ellendige en de arme recht wedervaren en toen ging het hem wèl. Maar van Jojachim zegt hij: gij hebt enkel oog en hart voor uw onrechtmatig gewin en voor het vergieten van onschuldig bloed, voor het begaan van onderdrukking en geweld (Jer. 22: 16v.).
Dat van de koning recht en gerechtigheid verwacht wordt, zegt ook Ps. 72. Daar heet het van de koning: moge hij zich ontfermen over de geringe en de arme.
Geen koning zal aan het bijbels ideaal ten volle kunnen beantwoorden. De bijbel ziet het ware koningschap vervuld in Jezus Christus. Hij is ook de vervulling van Ps. 72.
Wilhelmina noemde Hem haar Verlosser en haar lichtend Voorbeeld. Moge Beatrix ook in dat spoor gaan.
Op die manier heeft het koningschap in de bijbel ondanks de grote verschillen met vandaag, ook in onze tijd nog veel te zeggen, zowel aan koning als aan volk.

Oosterhoff

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 april 1980

De Wekker | 12 Pagina's

Het koningschap in de bijbel

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 april 1980

De Wekker | 12 Pagina's

PDF Bekijken