Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Predikantenconferentie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Predikantenconferentie

25 minuten leestijd

In de eerste tien dagen van april zijn verschillende conferenties gehouden, die leden en ambtsdragers uit onze kerk bijeen brachten. Donderdag 2 april was het COGG-conferentie te Nijkerk - onze lezers hebben daarover een verslag kunnen lezen in het nr. van twee weken geleden. Op zaterdag 4 april kwamen de ouderlingen bijeen in Amersfoort. In een volle kerk werd door velen geluisterd naar het onderwerp „Verschuivingen in de prediking" - het referaat wordt gepublicieerd in „Ambtelijk Contact". En op woensdag 8 en donderdag 9 april kwamen de predikanten bij elkaar in het conferentieoord „Dennenheul" te Ermelo.

Opening
Het was voor velen een vreugde om vlak voor Pasen aan het einde van het winterwerk naar Ermelo te gaan en elkaar daar als ambtsbroeders te ontmoeten.
De mooie omgeving en het heerlijke weer verhoogden deze vreugde nog meer. Wat is het een voorrecht dat er ontmoeting in vrijheid mogelijk is.
De hartelijke begroeting van ruim 60 predikanten, de vele handen die gedrukt werden in de ruime conferentiezaal en de belangstellende woorden die gewisseld werden, waren typerend voor deze woensdagmorgen.
Het aantal predikanten groeit, maar het is gelukkig nog te overzien. Uiteraard waren er predikanten, die niet alle ambtsbroeders kenden, inzonderheid de jongere lichting niet. Maar geassisteerd door anderen kwamen ze er toch uit en leerden ze elkaar kennen. Ook daarvoor is een predikantenconferentie nuttig. We vervreemden wat minder van elkaar en weten wie wie is. Daarom is het jammer dat niet alle predikanten de jaarlijkse conferentie bezoeken en dat er altijd weer een gedeelte van het predikantencorps is dat minder behoefte blijkt te hebben aan de broederlijke ontmoeting.
Het is een bijzonder goede zaak dat we elkaar vasthouden en dat we als predikanten daarin voorgaan.
Afgedacht van het ontmoetingselement is er ook een ander element nl. dat van nadenken over belangrijke onderwerpen, die het ambtelijk werk in de gemeente raken.
We kunnen alleen maar hopen dat bij een volgende gelegenheid ook anderen, die nu verstek lieten gaan, de reis naar Ermelo zullen maken 31 maart en 1 april 1982 D.V.
De voorzitter, prof. dr. W. van 't Spijker, opende de conferentie. We zongen Ps. 138: 1, luisterden naar Gods Woord uit Romeinen 1: 8-17 en baden samen.
Het openingswoord, dat de voorzitter sprak laten we hier in zijn geheel volgen:

Om het hart van de theologie
Altijd weer opnieuw is het een belangrijke vraag wat voor ons het hart is van de theologie. Ook de theoloog in de pastorie heeft er mee te maken. Misschien moeten we zelfs zeggen dat juist in de pastorie, zo heel dichtbij de preekstoel, méér nog dan op de katheder, dat hart van de theologie moet kloppen. De mensen moeten altijd weer gewaar worden, dat het in de theologie niet allereerst gaat om een zaak van het verstand, hoezeer de theologie een zaak is van het liefhebben van God met ons gehele verstand, maar dat ook dan dit verstand vanuit het hart bepaald wordt. Wij denken ten diepste niet met ons verstand maar met ons hart. Daar valt de beslissing over de richting waarin wij denken. Aan Christus worden de gedachten van het hart openbaar. En het denkende hart heeft altijd weer te zoeken naar het hart, de diepste kern van de theologie. Wanneer we spreken over de theoloog in de pastorie, die we graag zien als een centraal punt in de gemeente, dan leggen we een nauwe relatie tussen theologie en gemeente. Het is goed daarop de nadruk te leggen. De theologie kan niet zonder de gemeente, zij mag van de gemeente ook nimmer worden losgemaakt. Allereerst niet terwille van de gemeente zelf. Zij zou op den duur verschralen. Zij zou van het fundament van de gezonde leer kunnen afglijden. Daarom moet achter iedere preek een gezonde theologie staan.
Maar omgekeerd is het even waar, dat de theologie niet zonder de gemeente kan. Zij loopt het grootste gevaar een eigen, onverstaanbare taal te gaan spreken en tot een vreemde ideologie te worden, die met het eigenlijke leven weinig meer te maken heeft. Dat dit gevaar niet denkbeeldig is blijkt uit de manier waarop in brede kringen vandaag theologie wordt beoefend: het is een eigensoortige wereld geworden, waarin idee tegenover idee wordt geplaatst, gedachte tegenover gedachte, zonder dat er een levend rapport is met de gelovige gemeente. Aan dit gevaar ontkomt het rapport van de Gereformeerde Kerken over de aard van het Schriftgezag niet. Ook al willen we niet één ogenblik vergeten, dat wij zonder een levende relatie tot de waarheid van de theologie niet werkelijk kunnen theologiseren, dit betekent nog niet dat de waarheid op een relationele manier moet worden opgevat en het betekent allerminst, dat deze relationele waarheid té intiem is, té persoonlijk, dan dat zij de basis zou kunnen vormen voor de uitleg van de Schrift en dat daarom die Schriftuitleg moet worden toevertrouwd aan mensen, die daartoe speciaal zijn opgeleid.

De wetenschappelijkheid van de theologie wordt op deze manier een middel om haar aan het oordeel van de gemeente te onttrekken. Hier is in feite een scheiding aangebracht tussen theologie en gemeente, die weinig uitzichten biedt op een innige relatie. Zij werkt vervreemdend. En het grootste bezwaar dat tegen deze zienswijze moet worden ingebracht is wel, dat een van de grondrechten van de gemeente daarmee is aangetast. Toen Luther tot zijn reformatorische inzicht was gekomen schreef hij zijn tractaat over het recht van de gemeente om over de leer te oordelen. Luther heeft dat recht ontleend aan het priesterschap van alle gelovigen, ten diepste aan zijn leer van de rechtvaardiging door het geloof alleen. De gelovigen kunnen op geen enkele manier weer afhankelijk worden gemaakt van de geestelijkheid, ook niet wanneer deze het liturgisch gewaad heeft ingeruild voor de toga van de geleerde. Ook de gereformeerde reformatie heeft bijzonder sterk de volmacht van de gelovigen aangewezen als een middel, dat in staat stelt om over de leer te oordelen. Wanneer Bucer zijn commentaren en geschriften schrijft legt hij ze steevast ter beoordeling voor aan de gemeente, die immers ook de Heilige Geest heeft ontvangen. En niemand minder dan Calvijn ziet in de vervreemding ten opzichte van de gemeente een van de belangrijkste oorzaken van het verval van de theologie. Zó is het in het pausdom begonnen. „De hele wereld is van stijl veranderd, zó dat de H. Schrift is als een vreemde taal, die men theologie heeft genoemd, niet als een leer die eigen is aan alle kinderen van God, maar als een wetenschap die voor weinig mensen bestemd is. Want wat is de ware theologie? Wat de Here gemeen wilde hebben aan al zijn kinderen, de groten en de kleinen, zoals Hij vooral in de profeet Jesaja heeft gezegd, en onze Here bevestigt dit in Joh. 6, dat om gelovigen te zijn en de kudde van de kerk te vormen, het noodzakelijk is, dat we onderwezen zijn door God" (Calvijn, C.O., LII, 20). Daarom zal Calvijn zelf ook het begrip theologie slechts spaarzamelijk gebruiken. Het komt in zijn Institutie slechts vijf keer voor, waarvan vier keer in een negatieve zin. Wat hij constateert is dat men de theologie door allerlei speculaties en door woordentwist heeft bedorven. De filosofie begon al spoedig binnen te dringen, deze pest, zoals hij haar noemt, deze vervalste larve van de theologie, die speelt met ijdele woorden, zodat de gehele leer bestaat uit leegheid, omdat zij vervreemd is van de majesteit van de Schrift, van de kracht van de Geest, van de ernst van de profeten en van de zuiverheid der apostelen. Daardoor is het een zuivere profanatie van de echte theologie (Calvijn, C.O., LII 335). In deze ijdele theologie vindt men niets over het geloof, over het berouw, over het aanroepen van God, de zwakheid van de mens, de hulp van de Heilige Geest, de genadige vergeving der zonden, niets over het ambt van Christus, niets dat dient tot een fundamentele opbouw van de vroomheid. IJdele speculaties, definities, holklinkend woordenspel, rhetoriek. Kortom het hart ontbreekt aan deze theologie. Daarom is er geen aansluiting aan het hart van de gemeente.
Vragen we, wat voor de Reformatie het hart van de theologie is, dan behoeven we niet lang te zoeken naar een antwoord. Het verzet tegen de scholastiek en de afkeer van het ijdele woordenspel vindt zowel bij Luther als bij Calvijn, om ons nu tot deze twee te beperken, ten diepste haar oorzaak in de geweldige ontdekking van het hart van God, dat in barmhartigheid bewogen is met schuldige mensen. Reeds in zijn commentaar op Seneca, een werk dat in de geestelijke ontwikkeling van Calvijn niet geheel duidelijk te localiseren is, reeds hier wijst Calvijn op iets wezenlijks: een stoïcijn kent geen barmhartigheid. Een christen leeft ervan. In de relatie tussen God en de mens, in die barmhartigheid, ten diepste de eeuwige bewogenheid van God, is de enige grond om op te staan.
Wij leren haar kennen in de Heilige Schrift. Daarin vinden we de hemelse doctrina en daaruit leren we de christelijke disciplina. Doctrina (onderwijs) en disciplina (discipelschap in een gestileerd christelijk leven) vormen bij Calvijn correlate begrippen. D.w.z. zij zijn op elkaar aangelegd. De doctrina, als verkondiging van het evangelie is daarbij het primaire begrip. De disciplina vloeit door het werk van de Geest er uit voort. In die zin is de klassieke inzet van de Institutie te verstaan: Godskennis en zelfkennis behoren bijeen, het één is er niet zonder het ander. Maar dan wel altijd zo, dat de prioriteit toekomt aan de kennis van God, die in Christus barmhartig en genadig is. Alleen zó kan de echte theologie ontstaan en de ware theoloog. Deze heeft niet de oren te strelen met zijn gepraat. Maar hij moet door zijn onderwijs van wat waar, zeker en nuttig is de gewetens te versterken. Het moet hem te doen zijn om de waarheid, om de zekerheid en om de nuttigheid van de leer. De waarheid vinden we slechts als discipelen van het Woord. De zekerheid berust op het spreken van God. En de nuttigheid moet blijken in het leven niet voor ons zelf maar voor de Here. Wij zijn niet van ons zelf. Wij zijn van Hem. Het is niet onduidelijk waar voor Calvijn het hart van de ware theologie te zoeken is. Het is de kennis van God en daarmee de kennis van onszelf in het aangezicht van de Here Jezus Christus. In dit stuk van zaken is er geen onderscheid te maken tussen de theoloog en de gemeente.
Wat de methode van de theologie betreft kan men mogelijk een verschil ontdekken tussen Calvijn en Luther, wat het hart van de zaak aangaat is er van zulk een onderscheid geen sprake.
Luther heeft bijzonder sterk de scholastieke theologie aangevallen, niet slechts formeel en cynisch zoals Erasmus, maar materieel en theologisch.
En wat de zaak betreft die ons bezig houdt weet ook hij van een nauwe relatie tussen de kennis van God en die van de mens. Ik herinner hier alleen aan zijn uitlegging van de 51e psalm. „De kennis van de zonde", zo schrijft hij daar, „is maar geen gedachte of speculatie, die in de geest van de mens naar boven komt, het is werkelijke bevinding, echte ervaring en de zwaarste nood van het hart. Het is een ervaren van de ondragelijke last van de toorn van God. Deze bevinding van de zonde is de kennis van de zonde ... Daarbij gaat het niet om een filosofische kennis, die de mens definieert als een redelijk wezen. Dat is een zaak van de natuurwetenschappelijke anthropologie en niet van de theologie. De rechtskundigen spreken zo over de mens als eigenaar en bezitter van zijn goederen, de geneeskundigen praten over de gezonde of over de zieke mens, de theoloog echter spreekt over de mens als zondaar. In de theologie is dit het wezen van de mens, en de theoloog geeft zich moeite dat de mens zijn zondige natuur zou ervaren. Dit is het eerste deel van de kennis. Het tweede deel is evenmin speculatief als het eerste, het is practisch en bevindelijk, n.l. wat genade en wat rechtvaardiging is en dat het raadsbesluit over deze in de hel neergezonken mens zó is, dat het hem door Christus wil herstellen. Zo wordt de nedergebogen geest weer opgericht en volgens deze genadeleer stelt hij met vreugde vast: al ben ik ook in mijzelf een zondaar, zo ben ik toch geen zondaar in Christus, die ons tot gerechtigheid is geworden, maar ik ben rechtvaardig en gerechtvaardigd door de rechtvaardige en rechtvaardigende Christus, die daarom Rechtvaardige heet en is, omdat Hij tot de zondaren behoort en tot zondaren gezonden is. Dit zijn de twee theologische inzichten, die David in deze psalm overlevert. Déze vormen de bijdrage van de psalm tot de theologische kennis van de mens en ook tot de theologische kennis van God, opdat niemand over de majesteit van God zou tobben of daarover, wat God gemaakt heeft en hoe machtig Hij is, en evenmin over de mens als heer over zijn vermogen zoals de rechtskundigen of over de zieke mens, zoals de geneesheren, maar over de mens als zondaar." En dan volgen de belangrijke woorden: „Want het eigenlijke voorwerp van de theologie is de aan de zonde schuldige mens en de rechtvaardigende God en Heiland van deze zondaar. Wat buiten dit voorwerp in de theologie gezocht en verhandeld wordt, is dwaling en vergif".
In dit soteriologische hart van de theologie hebben de reformatoren elkaar gevonden. Het is niet te bestrijden, dat dit de kracht van de reformatorische prediking en van de reformatorische theologie heeft uitgemaakt. Bij de zakelijke overeenkomst verdwijnen onderlinge verschillen als van weinig of geen betekenis. Zowel Luther als Calvijn gaat het om een kennis van God én een kennis van de mens inéén, die bevrijdend is, omdat zij weet heeft van het oordeel Gods, een theologische kennis die zó existentieel is, dat ze altijd modern zal blijven. Het is het hart van de theologie, dat op de hoogtepunten van de kerkgeschiedenis altijd weer opnieuw naar buiten is getreden, omdat het rechtstreeks het hart raakt van de barmhartige God, en altijd weer zal boeien het hart van de mens die van genade heeft leren leven. Augustinus had er weet van, de Reformatie getuigde er in vele toonaarden van, het is in vele tijden verdonkerd, maar altijd weer kwam het naar boven als het hart van de zaak, van de zaak n.l. die er ligt tussen God en mens.
Wanneer wij daarvoor aandacht vragen en blijven vragen, doen we dit in de overtuiging, dat niets zo diep ingrijpt als deze kennis van God. Zij mag gepredikt worden en zal onder de zegen van de Here vruchtbaar blijken te zijn. Er is ook niets dat zozeer in staat is om het gebrek aan ervaring, waar de moderne mens onder lijdt, en dat hij op allerlei manieren probeert aan te vullen werkelijk te vervullen. Het grijpt diep in het mensenleven in, wanneer men zich zó voor God leert kennen en wanneer men zó de Here God persoonlijk voor zich leert kennen, het geeft ervaring tot in de diepten van de vertwijfeling en aanvechting toe, maar zo wordt men een rechte theoloog. Men kan ook geen zaak noemen, die zo breed en ver om zich heen grijpt als déze kennis Gods, zij stelt alles onder kritiek, maar zij laat ook het licht van de hoop vallen in een brede kring rondom het kruis. Er is niets wat zó de theoloog in de pastorie in zijn werk kan sterken, dan de gedachte dat God aan déze theologie de belofte verbindt van blijvende actualiteit en blijvende effectiviteit door zijn Geest. Die belofte ligt er niet voor welke filosofie dan ook. Zij ligt er voor een theologie, die zich blijvend met het hart van de zaak bezig houdt. Déze rechte, volkomen leer van het geloof en van de liefde is, zo zegt Luther, de kortste en de langste theologie. De kortste, wat het woord betreft, de langste wat het gebruik aangaat. Laat onze theologie nimmer dit hart kwijt raken.

Na een korte koffiepauze kwam direct prof. dr. J. van Genderen aan het woord, die voor ons refereerde over:

Toekomstverwachting
Hij deed dit aan de hand van de volgende stellingen:
1.1. Sinds het midden van de twintigste eeuw en in elk geval sinds 1960 is er een sterke belangstelling voor de toekomst. Het geloof in de vooruitgang schijnt omgeslagen te zijn in zijn tegendeel: een ondergangsstemming - „doemdenken". Er is een groeiend egoïsme, hedonisme en cynisme waar te nemen.
1.2. „Faith and Order" heeft opgeroepen tot een wereldwijde bezinning op het rekenschap afleggen van de hoop die in ons is, die uitliep op de verklaring van Bangalore (1978). Hier valt de nadruk op de verantwoordelijkheid die wij voor deze wereld hebben. Publikaties van de Raad van Kerken in Nederland wijzen in dezelfde richting.
1.3. Bij de meer wetenschappelijke benadering van de toekomst is te onderscheiden tussen een evolutionaire en een revolutionaire denkwijze. Bij de ene opvatting staat de continuïteit voorop; bij de andere gaat het om het nieuwe. Er wordt geëxtrapoleerd of geanticipeerd. Maar de futurologie is geen analogie van de eschatologie.
2.1. De eschatologie is in de christologie gefundeerd en met name in de opstanding van Christus. Het eschaton is de voltooiing van wat in de opstanding gegeven is. Het is tegelijk de voltooiing van wat de Heilige Geest nu al bezig is te doen. Wij ontvangen de Geest immers als eerste gave.
2.2. Onze toekomstverwachting is geloofsverwachting. Geloof en hoop gaan samen, al vallen zij niet samen. Volgens Moltmann heeft het geloof prioriteit, maar de hoop het primaat. Dat laatste is te betwijfelen. Calvijn wijst op de correlatie die er is: Het geloof is de moeder van de hoop en de hoop is een steun voor het geloof.
3.1. Een belangrijke tendens in de christelijke toekomstverwachting is de chiliastische en vooral die van het dispensationalistisch premillenniarisme. Dat is een heel bedenkelijke vorm van chiliasme, waarvoor niet alleen de opname van de gemeente, maar ook de principiële scheiding van de gemeente en Israël, de bedeling van de kerk en die van het koninkrijk kenmerkend zijn.
3.2. Men leest de profetie, ook die van het boek Openbaring, maar al te veel als een voorzegging van toekomstige feiten. God gaf ons echter geen blauwdruk van de toekomst of schema van de wereldgeschiedenis. Op het terrein van de eschatologie is er alle reden voor voorzichtigheid en is voorbarigheid misplaatst.
4.1. Hoe staat het met het perspectief op de toekomst in de theologie van deze tijd? Er is een grote divergentie. Een wezenlijk aspect van de bijbelse toekomstverwachting is de spanning tussen het „reeds" en het „nog niet". Die relatie is niet gelijk te stellen met die tussen indicatief en imperatief, laat staan dat het geloof door de hoop praktisch bewezen wordt in de acties van bevrijding (Moltmann). Er wordt scherp gereageerd tegen de voorstelling van de wereld als wachtkamer voor de spreekkamer van God en er wordt geponeerd dat toekomst gedaan moet worden (Metz, Schillebeeckx).
4.2. Een veel voorkomend verschijnsel is het selectief omgaan met de woorden van de Heilige Schrift. Dat leidt niet zelden tot allerlei reducties en herinterpretaties, b.v. bij Barth en Berkhof. Ook in bepaalde exegetische studies treft men een soort aangepaste eschatologie aan.
4.3. Het geloof aan alle dingen die zich aan onze blik onttrekken en het begrip van ons verstand ver te boven gaan, moet gezocht worden uit de vaste uitspraken van God (Calvijn). Ons kennen is onvolkomen, ons voorstellingsvermogen beperkt, maar de christelijke hoop berust op goede gronden. En de verwachting van de toekomst van Christus is voor ons geen quietief, maar een motief, vgl. Matth. 24 en 25; 1 Cor. 1 5 en 2 Petr. 3.
Uiteraard werden deze stellingen uitvoerig toegelicht. Op rustige en evenwichtige wijze zette prof. Van Genderen alle meningen op een rijtje. Een uitstekend overzicht werd geboden.

Wie de stellingen nagaat ziet duidelijk dat vier aspecten van dit onderwerp werden behandeld: de futurologie of menselijke, niet op de Bijbel gegronde toekomstverwachtingen; daarna de bijbelse gegevens, summier, maar essentieel waarbij vooral het begrip hoop werd uitgediept. Vervolgens werd aandacht geschonken aan het chiliasme, het post- en het premilleniarisme. In de eerstgenoemde opvatting heeft de wederkomst van Christus plaats aan het eind van de duizend jaar. De meningen van Berkhof en Graafland passeerden hier de revue. De tweede mening stelt het anders: Christus komt weer en regeert hier op aarde duizend jaar, waarbij Israël in het centrum zal staan.
In het laatste gedeelte van het referaat werd duidelijk belicht wat de bijbelse toekomstverwachting nu is en welke betekenis deze heeft voor ons leven.
De referent was sterk in het aanwijzen van allerlei verkeerde opvattingen. Hij liet vele vragen over als het ging om de kwestie: hoe is het nu wel?
Dat is hem niet kwalijk te nemen, want we hebben te maken met toekomstvragen en met een vaak geheel verschillende uitleg van de Schrift. Allerlei groepen lijken het precies te weten en dat heeft invloed inzonderheid op kerkelijke jongeren. Begrijpelijk dat deze zaak in de bespreking nogal aan de orde werd gesteld.

Bespreking
Na de gezellige middagmaaltijd ging de vergadering in zes groepen uiteen. Het blijkt telkens dat groepsbespreking de tongen los maakt. Er komen dan meer mensen aan het woord dan in een volle vergadering. Er wordt ook veel meer persoonlijke toelichting op een vraag gegeven. Men leert elkaar vaak wat beter kennen. Toen na de thee de zes rapporteurs aan het woord kwamen werden vele vragen gesteld. Een greep slechts: hoe komt het dat het doemdenken jongeren gaat beheersen en hoe speel je daar op in? Is er vandaag een opeenstapeling van de tekenen der tijden op te merken? Hoe zit het nu precies met Openbaring 20: de eerste opstanding, de tweede dood? Wat is de binding van satan? Komt het duizendjarig rijk nog of is het er al? Welke plaats heeft Israël in de toekomstverwachting van de kerk? Wat betekent deze toekomstverwachting voor het leven van de christen in de wereld? Welke verantwoordelijkheid hebben wij, ook als we de gedachte afwijzen dat wij de toekomst moeten realiseren en naderbij brengen door ons handelen? Waarom is de toekomstverwachting van de kerk vaak zo zwak? Hoe kunnen we bewust uit de toekomst leven in deze maatschappij?
Het waren deze en nog veel meer vragen, die aan de orde kwamen. De referent ging zo goed mogelijk op verschillende vragen in, onderbroken door tegenopmerkingen of vragen uit de zaal.
Het bleek weer een goede zaak te zijn dat een dergelijk onderwerp aan de orde was gesteld. Het roept vragen op en stimuleert tot nadenken; het houdt weer meer bezig.
Naar we vernemen zal het referaat verschijnen in de reeks Apeldoornse Studies. Dan kan de uitgebreide stof nagelezen worden terwijl ook anderen er zich mee bezig kunnen houden.

Huishoudelijke vergadering
Na de avondmaaltijd was er eerst een huishoudelijke vergadering, 's Morgens was reeds aandacht geschonken aan het overlijden van enkele collega's: N. de Jong en het bestuurslid A. Rebel. De minuut stilte die in acht werd genomen herinnerde aan de vergankelijkheid van het menselijke leven en het domineesbestaan. Ook alle domineesvlees is als gras, maar het Woord Gods blijft in der eeuwigheid.
's Avonds werd melding gemaakt van diverse jubilea van leden van de vereniging. We vermelden verder dat in de vacature-Rebel ds. B. Witzier werd gekozen. De suggestie werd gedaan om weer eens samen met de Vereniging van predikantsvrouwen te vergaderen.
Een der leden stelde voor om een volgende keer over hetzelfde onderwerp juist als predikanten te spreken dat een paar dagen daarvoor op de ouderlingenconferentie aan de orde was. Het bestuur zal de mogelijkheid onderzoeken. De volgende conferentie zal op dezelfde plaats volgend jaar gehouden worden op 31 maart en 1 april.

Kernbewapening
Over dit actuele onderwerp hield lt. kol. A.C. Floor een boeiende causerie.
Zelf jarenlang als beroepsmilitair werkzaam geweest sprak hij uit militaire ervaring. Hij wilde het onderwerp duidelijk buiten de politiek houden. Eerst belichtte hij de bewapeningstechnologie, die alle aanwezigen - voor zover ze niet op de hoogte waren - deed huiveren, lettend en overwegend de snelle ontwikkelingen die er op dit gebied zijn en de fatale gevolgen die het gebruik van de moderne wapenen moet hebben voor het leven van de mensheid. Daarna werd over de kernbewapening in de Nederlandse krijgsmacht gesproken. De gewetensbezwaren werden vervolgens aan de orde gesteld en tenslotte werd geprobeerd op voorzichtige wijze een beoordeling te geven, uit welke beoordeling opnieuw bleek hoe verschrikkelijk ingewikkeld deze materie is. Terecht werd opgemerkt: welke keus men ook maakt, men doet het eigenlijk nooit goed.
Er werd behoorlijk met deze militaire broeder gediscussieerd door vooral jongere predikanten, die moeite hadden met de geschetste problematiek.
Ds. J. van Amstel hield de avondsluiting n.a.v. 1 Petrus 4.

Lijden in het licht van Gods voorzienigheid
Ook op de tweede dag scheen de zon heerlijk en was het een vreugde te vergaderen in de rust van de Veluwse bossen. Op deze tweede dag waren er zoals gewoonlijk minder predikanten aanwezig dan de eerste dag. Toch waren het er nog ruim 40, die of overnacht hadden in of in de buurt van Ermelo òf die er die morgen voor het eerst waren.
Na de opening sprak de pastor van Haarlem-Noord, ds. A.W. Drechsler, over bovenstaand onderwerp. Het was niet zozeer een breed opgezet referaat, maar een pastorale benadering van dit veelzijdige, blijvend actuele onderwerp. Het begin plaatste ons midden in de problemen: waar is God en waar Zijn beleid? De ervaringen uit de Tweede Wereldoorlog zijn voor velen beslissend geweest om te breken met de vroegere opvattingen, die een soort theodicee van God gaven. Uitvoerig gaf de spreker de opvattingen weer van dr. H. Wiersinga over het lijden, die ook op dit gebied overigens niet los van zijn opvattingen over het verzoenend lijden van Christus - een eigen weg gaat.
De kritiek die op zondag 10 de laatste tijd gehoord wordt kwam aan de orde. Het beruchte citaat uit de roman van Maarten 't Hart „Een vlucht regenwulpen" werd besproken evenals de mening van de inmiddels overleden Utrechtse predikant dr. J. van der Werf die zondag 10 een verschrikkelijke zondag vond.
Uiteraard kwam de vraag aan de orde: vanwaar het lijden? Nieuwere opvattingen die stellen dat het lijden er al was voor de zonde en in de schepping is gegeven werden gememoreerd.
Tegenover opvattingen waarin elke vergeldingsgedachte in het lijden wordt afgewezen stelde ds. Drechsler dat er wel verband is tussen zonde en straf, zonde en lijden.
Veel aandacht werd door hem besteed aan Schriftgedeelten als Psalm 104, Romeinen 8 en Jesaja 53.
We mogen het element van Gods toorn niet verzwijgen. Als alles in het leven vastloopt kan dat een bezoeking zijn over onze ongerechtigheid. Maar we moeten niet als de vrienden van Job gaan theoretiseren. Gerichten blijven vragen oproepen. Denk aan wat in het begin van Lucas 13 staat.
Het gaat er om dat we Gods beleid leren aanbidden. De worsteling van de dichters van psalm 73 en 92 staat niet zonder reden in de Bijbel.
Ook aan het probleem van het lijden zoals dat in het boek Job aan de orde wordt gesteld ging de spreker uitvoerig in. God is en handelt anders dan wij. Hij antwoordt Job op een geheel eigen wijze. God verdient geen wantrouwen. Hij gaat Zijn eigen weg en overwint zo het kwade.
Er wordt door Job en de psalmdichters tot God, Wiens handelwijze wij niet kunnen narekenen, geklaagd.
De Here Jezus is midden in ons lijden geweest. In 1 Corinthe 15 lezen we dat de machten onttroond zijn, maar God laat toe dat ze woeden. Gods strategie is wijs. Het lijden past in Zijn strategie, maar Hij vergeet de mens niet. In zondag 10 is het toch de Vader Die regeert. Hij is het die ons Zijn vriendschap biedt.
De referent kreeg de dank van de vergadering bij monde van de voorzitter voor dit behandelde onderwerp, dat op pastorale toon werd gebracht.

Bespreking
Ook nu werd het gesprokene besproken in groepen, deze keer vijf.
Enkele vragen releveren we: als Christus de straf heeft gedragen is het lijden van de gelovigen dan nog als straf te zien? Hoe moet je met ongelovigen over het lijden spreken? Is er bijbels-theologisch iets te zeggen over de oorsprong van het kwaad? Wordt er door ons wel voldoende, gelovig en aanhoudend gebeden om genezing in geval van ziekte? Lijdt de gemeente vandaag met Christus mee nu we het allen nog zo comfortabel hebben? Is het waarheidselement in de opvattingen van Wiersinga wel voldoende boven water gekomen? Is de hand van God naar zondag 10 wel zo gemakkelijk te herkennen? Is in het lijden de duivel ook aanwezig? In hoeverre lijdt God mee met ons lijden? Waarom valt meer nadruk op het feit dat Christus onze schuld heeft gedragen dan op Zijn op Zich nemen van onze ziekten? Op deze vragen ging ds. Drechsler na de lunch zo goed mogelijk en weer even pastoraal als zijn rede was in.
Iemand merkte op toen hij begon: ik hoop dat u er niet uitkomt.
Inderdaad - we zullen er ook nooit helemaal uitkomen.
In deze geest besloot prof. Van 't Spijker om 15.00 uur de conferentie.
Bemoedigd, gesterkt, gestimuleerd zowel door de onderwerpen als door de ontmoeting gingen de predikanten weer naar hun gemeenten. Het was een fijne conferentie die in een goede geest werd gehouden.

J.H.V.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 april 1981

De Wekker | 8 Pagina's

Predikantenconferentie

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 april 1981

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken