Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Religie en politiek Het conflict tussen Datheen en Oranje (I)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Religie en politiek Het conflict tussen Datheen en Oranje (I)

8 minuten leestijd

Datheen en Oranje
De synode van Middelburg heeft zich intensief bezig gehouden met het conflict tussen Datheen en Oranje. In de notulen lezen we: Er is veel gehandeld in de zaak van de Excellentie tegen Petrus Datheen. Twee maal is er aan de Excellentie geschreven, en telkens is er ook antwoord ontvangen. Tenslotte ontvingen Arnold Cornelisz. en Damius de opdracht om ten behoeve van Datheen vrijgeleide van de Excellentie te vragen, opdat hij aangeschreven kan worden, om voor de particuliere synode van Zuid-Holland te verschijnen. Deze kerkelijke vergadering zou kennis hebben te nemen van de zaak en diende tot een beslissing te komen inzake de kerkelijke tucht. Afgevaardigden van andere synoden zouden daarbij aanwezig kunnen zijn, op kosten van al de kerken. De kerk van Gent ontving de opdracht om Datheen op de hoogte te stellen en aan Arnold Cornelisz., de voorzitter van de synode, daarover te rapporteren.
Nu was Middelburg niet de eerste kerkelijke vergadering die zich met deze kwestie inliet. Reeds op 4 november 1579 was er te Brugge een vergadering gehouden van de Provinciale Synode van de Vlaamse kerken, waar dezelfde zaak speelde. In Art. 10 van de notulen lezen we dat de synode van Brugge ingezonden stukken en brieven ontving van welbekende en godzalige personen, „ja ook mondelinge aangegeven is geweest, dat het Synodus met haare interpositie ende authoriteyt soude willen besien, ofte sy het geschil, welke nu al lange tussen sijn princelijke Excellentie ende Petrum Dathenum opgestaan is konden nederleggen ende op beyde sijden alzo moderereren, ende precaveren dat deselve niet en kwamen tot meerder verwarringe, ende dat tot groter nadelen van de kerke Christi ende sijnes woords; hebben de broederen eendragtelijk voor raadzaam bevonden, datter uit ten name van den Synodo eenen lieflijken ende smekenden brief aan Dathenum zal geschreven worden om hem te bidden om Christi wille ende tot vermaninge dat hij zich een weinig wil laten gezeggen, ende te verwilligen om met zijn Excellentie te komen tot een lieflijke en gewenste accoord en vredemaking, opdat zulke zonderlinge zwarigheid, waaruit toch niet anders dan zwarigheid uit kan voortkomen, gestild zijnde, Datheen wederom met vreugde in zijn dienst zou mogen treden ..."
Ook de particuliere synode van Brugge benadrukt de noodzaak van het beslechten van het geschil. Opmerkelijk is het spreken over een „lieflijke en smekende brief" aan Datheen, met de vermaning erin om zich te laten gezeggen.

De „religie vrede"
In 1578 had Datheen als voorzitter van de Dordtse synode een rol gespeeld in het plan van Willem van Oranje om bij de Staten een soort van godsdienst vrede te verkrijgen. Alles is hier niet even duidelijk. Zo bijvoorbeeld de vraag, wat Datheens gevoelen in 1 578 is geweest. Misschien is het 't beste, om aan te nemen dat hij als voorzitter van de synode heeft gehandeld, met uitschakeling van persoonlijke inzichten. Dit geschiedt wel meer met voorzitters. In ieder geval was Datheen het later niet met de godsdienstvrede eens. Deze bood naar zijn inzichten te veel ruimte voor de roomse eredienst. Daarvan was Datheen een verklaard tegenstander. Hij wilde op plaatsen, waar de gereformeerden in de meerderheid waren de roomsen van de uitoefening van de openbare eredienst uitsluiten. Hij stond daarin beslist niet alleen. Hij trok slechts de consequentie van wat in Art. 36 NGB werd beleden omtrent - de taak van de overheid. Weliswaar hadden niet alle gereformeerden een even felle manier om die overtuiging uit te dragen, maar wat Datheen voorstond was in ieder geval confessioneel gezien zo zuiver als 't maar kan: er was in zijn dagen geen zinsnede van Art. 36 tussen haakjes gezet. Daarom was het geweten van 1 Datheen dan ook zuiver.
Maar het standpunt van Willem van Oranje was anders. Hij had te doen met een gemenebest in de felste beroering. Zijn streven was om niet de zaak van de religie alleen, maar ook - de zaak van de vrijheid te verdedigen. En daar wilde hij een beroep kunnen doen niet alleen op de gereformeerden maar ook op de rooms-katholieken en op de doopsgezinden. Zijn ontwerp van religie - vrede was zeer modern. Het wilde voortborduren op de bepalingen van de Godsdienstvrede van Augsburg (1555), maar het ging veel verder. Het moest mogelijk zijn, om naast elkaar in één verband te leven en samen pal te staan voor de vrijheid van privileges, ook van de mogelijkheid om God te dienen naar eigen overtuiging, naar eigen geweten.

Twee beginselen tegenover elkaar
In 1584 werd Datheen aan een streng verhoor onderworpen. Hij was toen gevangen gezet in Utrecht. Op 81 vragen moest hij antwoorden. Eén daarvan was: welke reden hij had gehad om de religie vrede in Gent te beletten. Zijn antwoord was, dat hij nooit andere redenen gehad heeft, dan dat hij nooit in de Schrift of kerkelijke geschiedenissen gelezen had, „dat eenig Christelijk Potentaet die openbare uytgeroyde affgoderie oyt wederom opgericht hadde, off dat 't selve met goeder conscientie geschieden konde". Dit is een duidelijk antwoord. Het is uitdrukking van een stellige overtuiging omtrent de taak van de christelijke overheid. In Gent was de afgoderij uitgeroeid. De kerken waren van beelden gezuiverd. De mis werd niet meer opgedragen. Mocht nú dan weer de afgoderij worden ingevoerd? Dit is tegen de Schrift - zo was de stellige overtuiging van Datheen. En zo was het ook de overtuiging van de synode van Middelburg. Deze drong er op aan, om bij de vredesonderhandelingen met Spanje geen stap te wijken en de „superstitie" (bijgeloof) niet weer in te voeren waar ze eenmaal was afgeschaft.

Was de Prins minder goed gereformeerd? We mogen wel vaststellen, dat hij niet veel gevoel had voor de ijver van de gereformeerden voor een zuivere kerkelijke tucht - maar dit wil nog niet zeggen, dat hij niet uit volle overtuiging was overgegaan tot de gereformeerde religie. Maar hij zag zijn taak niet maar alleen in het licht van wat een gereformeerde kerk van hem verwachtte. Hij voelde wel terdege zijn roeping ten opzichte van het gemenebest. Daarbij liet hij zich leiden door een vast beginsel, dat hij eens aldus formuleerde tegenover de extremisten in Gent: „Ende hiertoe en ist van gheenen noode, dat ghij allegiert de vervoorderinghe van de evangelische religie, van dewelcke wij hier te vooren ende al veel eer dan ghijlieden professie ghedaen hebben, ende bekennen dat wij door de ghenade Godes oock totter doodt sulcx te doen ghesint sijn, soo wel als ghijlieden; want den wech die ghij daertoe neempt, is verre verscheiden van der eenvoudicheyt der evangelie leere, die wel een ander macht heeft dan des sweerts, en die harten door andere middelen bekeert".
Ook hier treft ons de stelligheid van overtuiging. Oranje zegt, dat hij belijdenis gedaan heeft van de evangelische religie, en dat hij in die overtuiging tot in de dood toe wil blijven door Gods genade. Maar de weg van het belijden is een andere. De eenvoudigheid van het evangelie leert immers, dat de harten door andere middelen bekeerd worden dan door het zwaard. Het evangelie heeft een andere macht. Hier staat tweeërlei overtuiging tegenover elkaar. Religie en politiek zijn niet van elkaar los te koppelen: iedere gereformeerde weet dit. Maar in de weg van de belijdenis kan men tegenover elkaar komen te staan. Zo was het bij Datheen en Oranje. De laatste verweet de eerste, dat hij buiten zijn roeping zich begaf, door zich in zaken te mengen, die hem niet direct aangingen. Laat Datheen het werk in de kerk doen, en de politiek aan ons overlaten, in die zin schreef Willem van Oranje aan zijn broer. Maar Datheen dacht er zo niet over. Het was hem onmogelijk om aan te nemen, dat men in de politiek anders kan praten dan in de kerk.

Een probleem van de zestiende eeuw?
Ieder die deze twee beginselen tegenover elkaar ziet staan herkent onmiddellijk de actualiteit ervan. Gaat het ook vandaag niet veelszins om dezelfde vragen? Het dienen van God kan niet een zaak van halfslachtigheid zijn. Dat zegt Datheen ons. Tegelijk is het evangelie een macht, die geheel anders werkt dan het zwaard. Zal het hart bekeerd worden, dan is er een ander middel nodig dan het zwaard van de overheid. Daarop beroept Willem van Oranje zich.
Is het probleem zo duidelijk en scherp genoeg gesteld? Ik denk dat Datheen het laatste niet ontkent en dat Oranje van het eerste ook overtuigd was. Maar er is een verschillend inzicht in de weg van de politiek en de weg van het evangelie. Vallen ze voor Datheen samen? En worden ze door Oranje te veel van elkaar gescheiden? In beide gevallen moet het antwoord negatief zijn!
Datheen én Oranje wisten dat het twee wegen waren, die van het evangelie en die van de politiek. Maar de eerste bindt nauwer die twee wegen samen dan de tweede.
Beiden hadden ook hun medestanders. De Prins kon rekenen op de steun van zijn hofpredikers, op die van Marnix en vele andere goede calvinisten. Datheen vond warme medestanders onder vele predikanten en men kan zich niet aan de indruk onttrekken, dat ook de synode van Middelburg eigenlijk wel zijn visie deelde.
Zelfs de brede kerkeraad van Genève, de Compagnie des Pasteurs de Genève adviseerde in deze moeilijke kwestie. Op de inhoud van de brief, die Beza uit naam van de Geneefse predikanten schreef willen we nader ingaan, omdat zij ons kan helpen een juist inzicht te krijgen in de aard van het conflict tussen Datheen en Oranje.

W. van 't S

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juli 1981

De Wekker | 8 Pagina's

Religie en politiek Het conflict tussen Datheen en Oranje (I)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juli 1981

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken