Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Bewaar het pand Bewaar de band (4)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Bewaar het pand Bewaar de band (4)

8 minuten leestijd

Pand en traditie
In de teksten die we met betrekking tot ons onderwerp hebben gelezen bleek het probleem van de overlevering op een bepaalde manier mee te spreken. Daarop willen we nu wat nader ingaan. De zaak is belangrijk genoeg. Zoals we hebben gezien, heeft Paulus zijn „kind" Timotheüs de opdracht gegeven het pand te bewaren. Wanneer de apostel zelf zou zijn heengegaan, moest de zaak die eenmaal aan hem was toevertrouwd niet stagneren, maar doorgaan. De ene generatie komt, de andere gaat. Van het ene geslacht op het andere wordt de Naam des Heren doorgegeven. Hier is inderdaad sprake van een soort overlevering, een doorgeven, een traditie van wat de Here aan zijn kerk heeft gegeven.
Van de grootste betekenis is nu de vraag, hoe wij ons deze traditie hebben in te denken in verband met de Schrift en met de prediking van het evangelie. Van belang is om kennis te nemen van het rooms-katholieke standpunt inzake de traditie. In de roomse leer speelt het bewaren van het pand een grote rol.
Men noemt dit in de taal van de theologen het „depositum fideï," het geloofsgoed, dat aan de kerk is overgegeven. We raken hier aan de opvatting van de openbaring.
Rome kent in zekere zin twee bronnen van de openbaring. De eerste is die van de Schrift. De tweede is die van de niet-geschreven traditie. We bezitten een aantal vastgelegde leeruitspraken van Rome omtrent deze niet-schriftelijke tradities.
Op het concilie van Trente werd daarover gezegd, dat Christus door eigen mond het zuivere evangelie heeft bekend gemaakt en dat deze waarheid is vervat in de geschreven boeken en in de niet-schriftelijke overleveringen, die uit de mond van Christus zijn ontvangen door de apostelen, ofwel door de apostelen zelf onder dictaat van de Heilige Geest als door hun handen zijn overgeleverd en tot ons gekomen zijn. Deze overleveringen zijn in een voortdurende opeenvolging in de katholieke kerk bewaard. En zij worden met gelijke eerbied en vroomheid ontvangen. (Decreet uit de vierde zitting van 8 april 1546).
Deze leer van de twee bronnen der openbaring is op allerlei manier uitgebreid en toegelicht. Op het eerste Vaticaanse concilie werd eraan toegevoegd dat de kerk alleen de ware zin en uitlegging van de Schrift bezit. Het is niemand toegestaan om tegen deze zin der Schrift of zelfs tegen de eensgezinde uitlegging van de Vaders, de Heilige Schrift te verklaren. Het eigenlijke openbaringsdepositum is aan de kerk toevertrouwd. Daarop berust de onfeilbaarheid, waarmee de goddelijke verlosser zijn kerk heeft toegerust in het vaststellen van de leer van het geloof en van de zeden. Er bestaat een historische ontwikkeling waarvan de roomse kerk gelooft dat zij teruggaat op het pand dat aan de kerk is toevertrouwd. In die zin werd erover gesproken op het tweede Vaticaanse concilie (Dogmatische constitutie over de kerk III, 25). In het decreet over het oecumenisme werd een vernieuwing van de kerk bepleit. Maar deze zou alleen mogen bestaan in een grotere trouw ten opzichte van haar roeping, in de manier van de verkondiging, die nauwkeurig onderscheiden zou moeten worden van het toevertrouwde geloofsgoed zelf (II, 6). In de dogmatische constitutie over de openbaring wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de apostolische prediking die haar neerslag heeft gevonden in de Schrift en de apostolische overlevering, die de kerk kent en die onder de leiding van de Geest een zekere voortgang vertoont. Beide, de Schrift en de overlevering ontspringen aan dezelfde goddelijke bron. De Heilige Schrift is Gods spreken. De heilige traditie geeft het Woord Gods aan de opvolgers van de apostelen door. „Zo blijkt het, dat de kerk haar zekerheid over alles wat geopenbaard is niet alleen uit de Heilige Schrift put. Daarom moeten beide met gelijke liefde worden aangenomen" (II, 9).
De schriftelijke en de mondelinge overlevering komen naast elkaar te staan in een tweevoudige orde, die alle ruimte biedt om de inventaris van het geloof op een wezenlijke manier te beïnvloeden. Ook de uitspraken van het tweede Vaticaanse concilie hebben in feite aan de oorspronkelijke roomse opvatting van het pand, dat bewaard moet worden niets afgedaan. De tekst: bewaar het pand is één van de woorden geworden, waarmee men allerlei buiten-schriftuurlijke uitspraken heeft onderbouwd.

De Reformatie als bewaring van het pand
Tegenover deze tweevoudige bronnentheorie heeft de Reformatie met haar „sola scriptura" weer positie gekozen. Het verbaast ons in het geheel niet, dat Rome furieus tegen dit: sola scriptura zich verzette. Immers de hele traditie kwam daarmee onder beheersing te staan van het Woord en van het Woord alleen.
Het zou de moeite waard zijn om de teksten die wij eerder ter sprake brachten eens na te lezen in de reformatorische exegese.
Het zou blijken, dat zowel bij Luther als bij Calvijn het ambt bijzonder hoog wordt gewaardeerd. God heeft het aan zijn kerk toevertrouwd. Maar het is er terwille van het evangelie dat in de Schrift tot ons komt. Daarom kan b.v. Calvijn spreken over de leer, die aan ons is toevertrouwd. De kerk moet door het oprichten van scholen zorg dragen, dat de toevertrouwde leer (depositum doctrinae) niet verloren gaat. De hemelse leer is aan haar overgegeven en zij heeft deze aan het nageslacht over te geven.
Wanneer we bedenken, dat het begrip „doctrine" bij Calvijn niet allereerst een „doctrinair" karakter draagt, maar dat het een aanduiding is voor het evangelie zoals dit gepredikt dient te worden, dan zien we de Reformatie in haar diepste bedoelen. Niets anders heeft zij gewild dan de zuivere leer doorgeven. Om het pand te bewaren moest men met allerlei buiten- en bovenschriftuurlijke menselijke tradities breken. Men moest weer tot de Schrift alleen terugkeren.
En men heeft dit gedaan dwars tegen de tegenstand in.
Het pand bewaren - voor de Reformatie was het de prediking van Gods genade voor schuldige mensen. Daar staan we voor het hart van de Reformatie. Dit was het kostbare pand van het evangelie van de rechtvaardiging van de goddeloze om niet. Men kon dit evangelie niet verloochenen, al werd de vervolging zwaar en hevig.
Men mocht en wilde niet loslaten wat men door genade had leren kennen als het grote goed dat de Here aan zijn kerk had toevertrouwd. Daarom brak men met al die menselijke geboden en inzettingen
Het pand bewaren - voor de Reformatie betekende het de breuk met Rome. „Om bij Christus te blijven moesten wij hen verlaten" - het was een hard woord, maar het was niets dan de werkelijkheid. Om de kerk was het de reformatoren te doen.
Niet om een „onzichtbare kerk," die geen sterveling kan zien, niet om een platonische idee, die men najoeg, maar om een zoeken van de gestalte van de kerk hier in dit leven. Het was zeker veel eenvoudiger, om zich te begeven in hoge en diep-geestelijke gedachten of speculaties over de kerk. Maar de Reformatie heeft dit niet gewild. Maar zij is evenmin revolutionnair te werk gegaan. De dopersen hielden geen halt. Zij bleven aan het reformeren, alsof men de hemel op aarde kon brengen. De gereformeerden bleven met de beide benen op de grond staan. Zij hebben zich niet revolutionair opgesteld maar weer aansluiting gezocht bij de goede traditie.

Reformatie en traditie
De eigenlijke brandende kwestie die in geding was ten tijde van de Reformatie was die van de plaatsbepaling van de traditie. De roomse leer van „het pand" dat aan de kerk is toevertrouwd, en dat binnen een eigen circuit, min of meer los van de Schrift de geschiedenis doorgaat, werd door de Reformatie losgelaten. Wat voor wijsheid zouden wij hebben wanneer zij niet uit de Schrift tot ons komt en aan de Schrift getoetst kan worden? Wat een wijsheid zou dat zijn, al was zij duizenden jaren oud? Deze overtuiging geeft aan de Reformatie iets van blijvende frisheid en nieuwheid, die altijd weer weldadig aandoet.
Maar het probleem doet zich al spoedig weer voor.
Wanneer Zwingli in 1531 het leven laat bij Kappel staat de reformatie in Zürich voor de vraag: hoe kunnen wij zijn pand bewaren? Het heeft bijna tot een binnenreformatorische verstarring geleid. Zwingli werd gecanoniseerd: zó zei de meester het. . . en het mocht nooit anders gezegd worden. Ondanks de grote nadruk op de leer van de Geest, zo eigenaardig voor de Zwingliaanse reformatie, is men in Zwitserland daaraan niet ontkomen.
Wanneer Luther is heengegaan voltrekt zich rond zijn nagedachtenis een nog sterker proces van canonisering. „Luther sagte . . ." het is tot op heden een gevleugeld woord binnen het Lutheranisme. De erfenis moest bewaard worden.
En zij heeft haar typische neerslag gevonden in een boek, waaraan men alle Lutheranen over de hele wereld kan kennen, het Konkordiënboek. Het is de uitdrukking van de overeenstemming rond de authentieke leer van Luther.
Merkwaardig dat zoiets de gereformeerde nooit goed gelukt is. Wel zijn er pogingen in die richting gedaan, maar ze kwamen nooit goed van de grond.
De gereformeerde traditie is innerlijk daarin homogeen, dat de verscheidenheid erin is verdisconteerd. Een grote reeks van verschillende gereformeerde belijdenisgeschriften toont het aan. Men wil leven uit het Woord zelf. En men komt daarom met de traditie altijd wel weer op gespannen voet te staan. Of die traditie versteent, zoals na Dordt. Niet ten onrechte spreekt men van een dode orthodoxie.
Wat is het anders dan een bewaring van het „pand" zonder Geest en waarheid?
Ik schreef, dat de verscheidenheid innerlijke eigen is aan het gereformeerde leven. Vandaar dat men niet alleen gemakkelijk op gespannen voet komt te staan met de traditie, maar ook met de eenheid van de kerk. Hoe kunnen we het pand bewaren, en tegelijk de band bewaren? Typisch een vraag voor de gereformeerde traditie.

W. van 't S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 mei 1982

De Wekker | 8 Pagina's

Bewaar het pand Bewaar de band (4)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 mei 1982

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken