Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Bewaar het pand Bewaar de band (11, slot)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Bewaar het pand Bewaar de band (11, slot)

10 minuten leestijd

Het wordt tijd om deze serie artikelen te besluiten. De zaak waarover het gaat kent geen einde. Altijd weer opnieuw zal men in de kerk in de spanning staan van waarheid én eenheid, van traditie en levend heil, van instituut en gebeuren. Deze spanning is eigen aan de zaak. Zij is eigen aan onze kerken. Zij is eigen aan onze generatie.

De vraag in de lijn der geslachten
Met het laatste zou ik willen beginnen. De spanning tussen waarheid en eenheid, of anders gezegd: de moeite van het bewaren van de ware eenheid is een zaak van geslachten. En daarmee is een zekere spanning vanzelf gegeven.
Het is vandaag de vierde generatie die zich aandient. Zou men alleen bij wereldse wijsheid leven dan staat het er slecht voor. De eerste generatie moet de zaak verwerven. De tweede is er om de zaak te erven, en zegt het spreekwoord verder: de derde generatie zal de zaak verderven. Zó gaat het in werelds zaken soms. Iemand bouwt een zaak op. De kinderen zetten voort. De kleinkinderen leven er van en de achterkleinkinderen kunnen weer van voren af aan beginnen. We zeiden: dit is een wereldse wijsheid. En zij gaat voor de kerk niet op. gelukkig niet! Maar dit is allerminst vanzelfsprekend. De laatste tekst van het Oude Testament zegt dat het overnemen van een traditie altijd een zaak van bekering is. De komende heilstijd zal ook daarom een belofte hebben. De komende Elia zal het hart van de vaders keren naar de zonen, en het hart van de zonen naar de vaders, „zodat Ik niet behoef te komen om het land met de ban te slaan" (Mal. 3:24). Dit is een belofte van het heil des Heren. Het grijpt- dwars door de generatieverschillen de vaders met de zonen aan. Wat in de wereld een wet is van verwerven - vererven en verderven, is dit gelukkig in het volk van God niet. En de kerk is daarom ook Pinksterkerk, omdat de Geest zowel aan de ouderen als aan de zonen en dochters zijn heil schenkt. Wij kunnen dit nimmer voldoende accentueren, hier ligt de voortgang in de geschiedenis gewaarborgd. En hoe meer jong en oud samen begeren te leven door en uit de kracht van de Geest des te meer zal een generatiekloof opgevuld of overbrugd worden. Hier ligt de continuïteit in de geschiedenis.
Maar dat dit geen vanzelfsprekendheid is, mag aan een ieder duidelijk zijn, die zich herinnert wat het karakter is van het werk van de Geest. Het is toeëigenend, deelachtigmakend. En de Geest doet dit in iedere generatie weer op de manier die past bij die generatie. Dit is typerend voor zijn werk. Er is voortgang in. Er is stuwkracht achter. En het wordt persoonlijk toegeëigend.
Dit geldt op elk terrein. Niet altijd heeft men daar oog voor. En slechts zelden dringt het tot ons door wat dit inhoudt. Men zegt wel eens, dat wij niets kunnen meenemen in het graf. Slechts ten dele is het waar. We moeten in het sterven veel achterlaten. Maar wat een schat aan kennis, aan wijsheid, aan wetenschap en inzicht, aan ervaring gaat er mee 't graf in. We kunnen niet geloven, dat dit voor Gods kinderen die heengingen, van nul en gener waarde is. Maar daarover gaat het nu niet. Het betekent in vele opzichten voor hen die achterbleven, dat zij weer voor eenzelfde opdracht en zaak staan, om kennis en inzicht te verwerven en toe te passen.
In die zin is het christelijk geloof uniek in iedere generatie. Ook de vierde generatie zal moeten leren, wat de belofte is die ons toekomt met al/en die verre zijn en die er door de Here toe geroepen worden.
De spanning die wij ontwaren in onze kerken kan voor een deel hier uit verklaard worden. Meen niet, dat we nu relativeren en zeggen: het is een generatie-conflict. Dat is het niet.. Maar het wordt wel binnen verschillende generaties verschillend beleefd. En dat is wel eigen aan een zaak die natuurlijk is, maar die juist daarom in de kerken tegemoet kan worden getreden niet met de natuur, maar met de genade. Indien in de bekering de harten geneigd worden geschiedt die genade op een krachtige manier. Zij is dan ook in staat om een brug te slaan binnen de generatie, waar wel een bijzonder obstakel moet worden genomen. Ik bedoel hier de bijzondere kloof haast, tussen hen die van voor en van na de oorlog zijn. Men moet wel concluderen dat dit een zeer wezenlijke inkeping in de geschiedenis is. Ze zijn anders, de kinderen en de vaders van voor en na de oorlog. Die laatste wereldoorlog is op een voor het Westen gelukkige wijze geëindigd. Zij werd gewonnen. Maar een oorlog winnen is iets anders dan vrede winnen. De prijs is hoog geweest, in weggeslagen normbesef, in een totale herwaardering van het leven, in een omslag in het levensgevoel. Zou dit geen nasleep hebben in de spanning - de natuurlijke en permanente geboorteweeën van een nieuwe generatie?
Maar ook daarvan weet de Geest. En Hij wil gebeden zijn, als wij niet weten wat wij bidden zullen gelijk het behoort. Hij zorgt er voor dat er in iedere tijd eeuwigheidskinderen zijn. Laat er spanning zijn. Wat nood, wanneer de Geest slechts gezocht wordt. Wanneer men niet op ongeestelijke wijze elkaar te lijf gaat.

Wij konden beter weten
Dit laatste zeggen we nu met het oog op de geschiedenis van onze eigen kerken. Ook hier zouden we de schijn op ons kunnen laden, dat we met een al te gemakkelijk beroep op de geschiedenis veel wat vandaag verkeerd is zouden willen goed praten. Maar zo vragen we dan: kennen wij dan zo weinig onze eigen geschiedenis, of zijn we die geheel en al vergeten?
Wanneer wij pretenderen de erfgenamen te zijn van de Afscheiding - en wij hebben wat dit betreft deugdelijke papieren - dan behoort de spanning er wezenlijk bij. Zij was er in de jaren dertig van de negentiende eeuw. Een twintig jaren later opnieuw. Zij is gebleven in die Afgescheiden kerk ook na de restauratie van 1982 en zij kwamen herhaaldelijk met kracht naar boven. Ook daarin bleek dat de spanning er bij hoort.
Is deze te verklaren uit een sterk individualisme? Speelt er soms niet een bepaalde zuiging naar separatisme? Moet men zelfs onwillekeurig soms niet denken aan een vorm van eigenzinnigheid, van stuurse hoofdigheid, die samenhangt met karakters en aanleg? Dit laatste is er soms duidelijk aanwijsbaar. Maar is gebrek aan karakter soms te prijzen? Meegaandheid, die samenhangt met beginselloosheid soms aan te bevelen? En vindt men dit niet overal? Tot in de Apostolische kerk toe? Paulus én Petrus, Paulus en Barnabas! Voorbeelden uit de Schrift van botsingen tussen broeders! Maar als dat in de kerk niet kan, waar kan het dan wel? In de wereld kent men geen botsing tussen broeders en daarom ook niets van verzoening tussen broeders.
En het individualisme kon wel eens een verbijzondering zijn van het speciale werk van de Geest dat we de toepassing noemen. Zuigkracht naar het separatisme kan lijken wat in werkelijkheid verlangen naar een heilige gemeente is. Maar laten we de fouten en gevaren zien en erkennen dat vlees en wereld dén, als zij er bij komen dit alles/runnen doen doorslaan naar hoogmoedig zoeken van het eigen „ik" en naar de ontzetting van een schisma.
Wat ons al te veel ontbreekt is kerkelijk denken, in termen van de kerk als lichaam van Christus. Waar we behoefte aan hebben is een zuiver kerkelijk besef. Daartoe behoort natuurlijk de vraag, waarom wij christelijk gereformeerd zijn. We mogen het wel eens duidelijk en hardop zeggen, dat dit kerkelijk besef bij meer dan vijftig procent nauwelijks ooit aanwezig is geweest. Toen ik jaren geleden op de catechisatie vroeg aan de kinderen: waarom zijn we christelijk gereformeerd, was het antwoord: Omdat we geen gezangen zingen; omdat we niet rytmisch zingen, en omdat wij dopen kinderen van doopleden. Dit was het profiel van onze kerken ruim vijf en twintig jaar geleden, getekend door kinderen. Er is een spreekwoord dat zij - die kinderen - de waarheid zeggen. Dit beeld is misschien naar bulten zo gewekt. Maar het is een „imago" dat soms nog kunstmatig in het leven wordt gehouden. Sommige zaken vult men mogelijk wat anders in, maar het is evenmin als voorheen een zuiver beeld.
Kerkelijk besef! Wie weet er wat van?
Maar zou het ook komen dat dit andere, eigenlijke kerkelijke besef is gaan ontbreken en dat wij op dit punt volkomen verlegen zijn: Wij weten niet wat een kerk, wat een gemeente, wat gemeenschap der heiligen is. Wij weten niet wat een ambt en wat een middel van genade is. Wij weten niet hoe het God behaagt om deze middelen te gebruiken om Zijn heil te werken. Ja - dat ontbreekt ons al te zeer: de levende en gelovige kennis dat het heil des Heren in de ordelijke weg wordt verkregen. Door de Geest. Vandaar de ongelofelijk dwaze voorstellingen alsof het leven van de gemeente iets ánders zou kunnen zijn dan een leven uit en door de Geest, bij en door het Woord, in de vreze des Heren. Vandaar die dwaasheden, dat de opbouw van de gemeente iets anders zou zijn dan het volgen van de kerkorde; dat - zo hoort men - een kerkelijk recht absoluut geen Goddelijk recht is; of - zo hoort men ook, en het is precies hetzelfde - dat de kerkorde formeel wel gelijk kan hebben, maar dat pastoraal gezien dezelfde zaak anders ligt. Foei, dat ellendige dualisme van orde en Geest, van kerkrecht en pastoraat, van middel en genade. Daardoor komt de groepsvorming tot stand, waarbij men als in een moderne zeeslag, elkaar niet eens meer hoeft te zien, om elkaar toch een vernietigende slag toe te brengen. Dat negeren, ontkennen van elkaar - het is volslagen gebrek aan kerkelijk besef. En dit zal niet doorbroken worden, als ik niet leer te luisteren voor mijzelf. Mijn beoordeling van de ander hangt niet af van diens beoordeling van mij, maar van de vraag hoe Christus ons beiden beoordeelt. Gebrek aan kerkelijk besef hangt daarom samen met een ander gebrek.
Het besef ontbreekt ons, dat God mij ieder ogenblik kan oproepen om samen met mijn broeder voor Zijn troon te staan. Kunnen we elkaar hier niet ontmoeten, hoe dáár dan?
Deze eeuwigheidsernst is het, die aan ons kerk-zijn ontbreekt. Maar zou dan de zaak zelf aanwezig kunnen zijn? Maken we daarom soms zoveel kabaal, omdat ons de zaak vreemd is?
De zaak? Wat is zij?
Wat is het anders dan die persoonlijke relatie, die zeer innige verhouding met de Here God door Christus uit pure genade. De bevindelijke, zeg: existentiële, gelovige kennis daarvan ontbreekt. Maar wie geeft het toe? Wie zal zeggen: daar ligt de fout? Moeten we dan eerst zo ver zijn als die goede, strijdlustige, principiële, voor zijn kerk in de bres springende en door het vuur gaande broeder, die op zijn sterfbed onder tranen bekende: wat kwam daar een vlees en wereld bij!
Ja, zó ver zal het moeten komen.
Wij weten te weinig wat sterven is, en daarom ook veel te weinig wat leven is. Misschien dat Paulus daarom, omdat hij wist dat de tijd van zijn ontbinding aanstaande was, en niet eerder tot de gemeente en tot Timotheus kon zeggen:
Bewaar het pand, en
Bewaarde band.
Dat was geen oppervlakkig spreken.
Dat was ook niet een partij leuze. Het was een woord, als in het licht der eeuwigheid geschreven en gehoord. En daar werkt de belofte:
Hij is getrouw, mijn pand,
bij Hem weggelegd,
te bewaren
tot die dag.

W. van 't S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 juli 1982

De Wekker | 8 Pagina's

Bewaar het pand Bewaar de band (11, slot)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 juli 1982

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken