Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Christelijke presentie in de Joodse Staat (II)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Christelijke presentie in de Joodse Staat (II)

8 minuten leestijd

(n.a.v. S. Schoon, Christelijke presentie in de Joodse Staat. Theologische overwegingen betreffende de verhouding kerk en Israël. Diss, verdedigd aan de Theologische Academie uitgaande van de Johannes Calvijnstichting te Kampen, Kok Kampen. Dissertationes Neerlandicae. Series Theologica 6, 279 blz., ƒ 42,50).

Het zelfverstaan van Israël
Nadat dr. Schoon betoogd heeft dat er in het Nieuwe Testament zelf reeds antisemitische trekken voorkomen, die ons er toe nopen, b.v. het lijdensverhaal niet zonder meer te reproduceren, komt aan de orde de vraag welke ruimte moet worden gegeven aan het „zelfverstaan" van Israël. Ook voor Paulus is Israël niet van het toneel verdwenen door het gebeuren rond Jezus. Er blijft sprake van een eigen weg van het Joodse volk, waarbij het echter, aldus de schrijver niet mag gaan om twee verschillende van elkaar gescheiden heilswegen. Hier komt ter sprake wat Paulus over Israël heeft geschreven.
Wat is de betekenis daarvan voor onze theologie? „Het is niet eenvoudig om Paulus' gedachten tot uitgangspunt te maken van een reflectie over de hedendaagse relatie kerk-Israël" (172). Ná Auschwitz kan wat Paulus schreef niet zonder meer gecopieerd worden.. De apostel spreekt harde woorden over ongeloof en ongehoorzaamheid van Israël, maar deze harde aanduidingen moeten gesteld worden onder de critiek van de realiteit van de Joodse geschiedenis," een geschiedenis vol met voorbeelden van geloof in de God van Israël en gehoorzaamheid aan de door God gegeven thora". Het Joodse volk heeft door deze trouw aan de thora zijn eigen identiteit bewaard. En zou nu de kerk de euvele moed hebben om déze trouw te betitelen als ongeloof, en ongehoorzaamheid? Heeft de kerk niet veeleer de roeping, zo vraagt dr. Schoon om in te stemmen met de lofzang op de ondoorgrondelijkheid van Gods wegen? „Het diepste geheim van de geschiedenis van Israël zal voor de kerk ondoorzichtig blijven" (173).
Een grote plaats in het zelfverstaan van Israël wordt ingenomen door de relatie tussen land, volk en stad. Hoe heeft men in de loop der tijden deze relatie theologisch tot uitdrukking gebracht? Met een verwijzing naar een duits theoloog, B. Klappert, hanteert dr. Schoon een schema van modellen, die hier typerend zijn. Men kan de belofte van het land Kanaän vergeestelijken waarbij men het concrete Jeruzalem loslaat. Het land is dan symbool of type voor een ander land, b.v. het land van de geestelijke rust. Men kan de landbelofte zien in het licht van het werk van Christus, dat niet toevallig in Israël plaats vond; men kan het land zien als de plaats van de toekomst, waar het heil zal geschieden in de eindtijd en men kan aan het land als zodanig elke theologische waarde ontnemen. Tenslotte is er de opvatting, die dr. Schoon zelf aanhangt: „Het visioen van de nieuwe aarde blijft voor joden en christenen op een of andere manier verbonden aan Jeruzalem, de stad van God, en daarom de stad van de mensen, een aanwijsbare plek op aarde" (180). De vernieuwde verbinding van land en volk is te beschouwen als een teken van Gods trouw.

Israël en de kerk
Nu dr. Schoon heeft uitgesproken, dat Israël, land, volk en stad, teken zijn van Gods trouw over dit concrete volk, wil hij de gevolgtrekkingen daarvan voor zijn rekening nemen. Wat het betekent, dat Israël het volk van Gods trouw is, zal moeten uitkomen in een theologische bezinning of herbezinning over de verkiezing, over de belijdenis van Christus, over de kerk en over de voleinding. Indien Israël het volk van Gods trouw is, zal de kerk anders moeten spreken over de verkiezing dan ze gedaan heeft. Dr. Schoon wijst daarbij de stelling af, dat Israël krachtens de verkiezing zou beschikken over bijzondere psychische eigenschappen, die het in staat zouden stellen om de roeping der verkiezing te vervullen. Hij wil veel meer denken in de richting van een hernieuwde bezinning op de verbondsgeschiedenis van Israël.
Maar dit moet dan ook gekoppeld worden aan een hernieuwde bezinning op de belijdenis van Christus. Het Woord is vlees geworden: het is Jood geworden in de gesaeculariseerde zin van het woord. Ook voor de kerk betekent dit nog al wat. Een kenmerk van de kerk moet zijn het geworteld zijn in Israël. De toekomstverwachting zal doortrokken moeten worden van de gedachte, dat er nog vele beloften zijn in het oude testament die nog slechts voorlopig zijn vervuld.
De beste manier om de relatie van Israël en de kerk aan te duiden is die, waarbij we zeggen, dat beide staan onder de boog van het éne verbond. Dr. Schoon meent zich op dit punt te kunnen aansluiten bij de Nadere Reformatie. Maar aan dit begrip wordt dan wel een zeer weidse betekenis gehecht.
De vraag moet nu ook wel aan de orde komen, wat dan wel het eigenlijke nieuwe is van Jezus? Indien het waar is, dat men de verhouding tussen de kerk en Israël op deze noemer kan brengen, dat beide staan onder de boog van het éne verbond en dat Israël én de kerk beide op weg zijn naar het Rijk Gods, waar is dan het unieke, het geheel nieuwe in gelegen van de verschijning van de Here Jezus Christus?
Op dit punt stelt mij het onderzoek van dr. Schoon ronduit teleur. Met een beetje goede wil kan men met allerlei uiteenzettingen over het verbond een eindweegs mee gaan. Maar de vraag: wie is Christus?, waaraan dan toch alles beslist moet worden, blijft liggen. Wel wordt er het een en ander meegedeeld over wat deze en gene zegt: oosters-orthodoxen worden te berde gebracht. Hun standpunt is, dat men achter de leerbeslissingen van de vroege kerk niet kan teruggaan. Dit betekent, dat men onverkort dient te blijven vasthouden aan de leer van de Godheid van Christus en aan de verwoording van de relatie tussen de twee naturen van Christus. Met de komst van Christus is alles totaal nieuw geworden.
Daartegenover wordt de „westers-georiënteerde" theologie geplaatst, die dit alles „opnieuw ter discussie zou willen stellen". Welke theologie is dit? En kan men de hele problematiek die hier aan de orde is afdoen met de opmerking: „Hier doemen ontegenzeggelijk diepe vragen op, die om verdere doordenking vragen"? (191)
Het is begrijpelijk dat dr. Schoon op dit punt aangekomen terugdeinst: „Het blijkt niet eenvoudig te zijn om over Jezus en het joodse volk te spreken in termen van kontinuïteit en diskontinuïteit. Het definiëren van het nieuwe van Jezus, om daarmee de diskontinuïteit op formule te brengen, lijkt gemakkelijk samen te kunnen vallen met een vernieuwd anti-judaïsme" (192)
Dr. Schoon spreekt in dit verband van christelijk absolutisme, verkondigd in het Woord van Christus: „Ik ben de weg, de waarheid en het leven, niemand komt tot Vader dan door Mij". En hij noemt het een misbruik maken van deze tekst, om de absoluutheidsaanspraak van het christendom te verdedigen.
Dit laatste lijkt waar. Maar niet de absoluutheidsaanspraak van het christendom als een historisch cultuurverschijnsel, maar de absoluutheid van Christus zelf is hier in geding. En op dit punt is het, dat dr. Schoon de hulp inroept van de hoofdgedachte van het rapport van de generale synode der Gereformeerde Kerken over het Schriftgezag, gelijk overduidelijk blijkt uit de zin die hij in dit verband schrijft: „Nooit mag de partikulariteit van het geloof als een relationeel gebeuren vertaald worden in een massieve absoluutheidsaanspraak van een religie".
Wie Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien, zo antwoordt Christus Filippus. Men mag misschien zeggen, dat het iets anders is te spreken over de absolute aanspraak van de christelijke religie en de absolute aanspraak die Christus maakt op erkenning van de unieke en definitieve heilsweg, die de Vader in Hem heeft ontsloten. Maar dit laatste kan en mag niemand ontkennen, die wil spreken over het eigene van wat Christus zegt.
De constructie die ontworpen wordt om dan toch te blijven spreken over de boog van het ene verbond, waaronder de kerk en Israël samen zouden staan, kan alleen in stand worden gehouden wanneer men verder meegaat en zegt, dat de Christus die wij verwachten naar het Woord van het evangelie dezelfde is, die Israël verwacht naar het Woord van de wet. Zo gezien is de hele problematiek inderdaad te herleiden tot de kwestie wet en evangelie. Moest Luthers houding tot anti-judaïsme leiden? En opent Calvijns visie perspectieven voor een nieuw verstaan van de christelijke én van de joodse hoop?
Ik kan het niet geloven. De wet en de profeten zijn in Christus vervuld. En de presentie van de christen in Israël houdt op christelijke presentie te zijn, wanneer er niet in mee komt de praesentia realis, de werkelijke tegenwoordigheid van Hem, die gezegd heeft: Dit is het Nieuwe Testament in mijn bloed.
Móét dat noodgedwongen antisemitisme meebrengen? Het is veeleer een gebrek aan werkelijke liefde tot Christus en zijn eigen volk, ook zijn eigen volk naar het vlees, wanneer men dit nieuwe laat vallen of verzwijgt. Gij zult mijn getuigen zijn in Jeruzalem! Moet dit leiden tot antisemitisme? Geenszins. Het zal leiden tot gehoorzaamheid aan Hem, die ook vandaag tot het zijne komt.
Twee dingen ten slotte. Ieder woord over Israël en tot Israël door de kerk gesproken keert zich eerst tot de kerk zelf. Heeft zij Israël tot jaloersheid gebracht? Israël een teken! Ook voor de kerk.
Het tweede: laat onze Israëltheologie niet een poging zijn om het ondoorgrondelijke en onnaspeurlijke van Gods raad en wegen theologisch doorzichtig te maken. Zodra déze theologie er in slaagt om de vragen op te lossen heeft zij het merk van de onwaarheid in zich. Zo lang zij tastend hoopt op de openbaring van Gods heil aan het oude volk heeft zij een belofte van boven.

W. van 't S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 september 1982

De Wekker | 8 Pagina's

Christelijke presentie in de Joodse Staat (II)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 september 1982

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken