Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Halen we de honderd? (Het bestaansrecht van de kerken I)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Halen we de honderd? (Het bestaansrecht van de kerken I)

10 minuten leestijd

Ter gelegenheid van het negentigjarig voortbestaan van onze kerken na 1892 werd een boek uitgegeven. Over deze uitgave gaat het in dit artikel niet. Wél over de vraag, die ter gelegenheid van deze gebeurtenis een paar keer werd gesteld: waarom hebben jullie dit boek uitgegeven nu het gaat om een negentigjarig jubileum? Dat is toch niet gebruikelijk? Konden jullie niet wachten tot de honderd waren volgemaakt? Of waren jullie bang dat de Christelijke Gereformeerde Kerken 1992 niet meer zullen halen?
Het antwoord op deze vragen is heel eenvoudig. Men moet achter de verschijning van dit boek niets van een beginsel zoeken. Dan zou er ieder jaar wel iets dergelijks kunnen verschijnen. We kennen soortgelijke boeken uit onze kerkelijke nabuurschap. De Gereformeerde Bond in de Hervormde Kerk heeft een dergelijke uitgave verzorgd. Ook de Gereformeerde Gemeenten kwamen met een platenboek en leverden keurig werk. Er was een uitgever die er plezier in had om zo iets ook voor de Christelijke Gereformeerde Kerken te verzorgen. Hij wist relaties te leggen en zo kwam nú dit product tot stand.
Daarmee zou de vraag die boven werd gesteld kunnen zijn beantwoord, ware het niet dat we toch nog wel eens verder over de zaak kunnen nadenken.
Konden we niet wachten tot 1992? Verwachten we zoveel liefde voor onze kerken, dat we zeggen: onze kerken hebben nu reeds recht op een presentje? Ze moeten en kunnen dankbaar aan het verleden herinnerd worden!
Of sprak er zo veel zorg uit met betrekking tot de toekomst dat we hebben gedacht: nu moet dit boek maar verschijnen. We zuilen het echte jubileum van honderd jaar wel niet halen, dan hebben we dit in ieder geval!
Zo wordt de vraag die boven gesteld werd voordat we het weten een vraag naar de bestaansmogelijkheid van onze kerken met betrekking tot de toekomst. Maar daarover kan men niet spreken zonder de vraag te stellen omtrent de bestaanswenselijkheid van onze kerken. Maar ook daarmee zijn we er niet. Het zou dan ook vooral moeten gaan om de bestaansrechten van onze kerken.

Recht op toekomst?
Het lijkt vreemd om het zo te formuleren: hebben de Christelijke Gereformeerde Kerken recht op een toekomst? Heel vaak binden wij de vraag van het bestaansrecht aan het verleden. Het lijkt ook wel het meest voor de hand te liggen om een oordeel te vellen over wat er geschied is in 1892, in 1834, in 1816, in 1517 en daarvoor. Met het oog op het bestaansrecht beoordelen wij wat Luther gedaan heeft, wat b.v. de synode van Dordt besloot, wat de vaderen van de Afscheiding tot stand hebben gebracht en ook wat hén bewoog, die in 1892 hebben gezegd dat zij met de te sluiten Vereniging niet wensten mede te gaan. Is het oordeel van Luther juist geweest? Ja, zeggen velen. Was het principe, dat de vaderen van de Afscheiding bewoog een zuiver beginsel? Ja, zo oordelen ook vandaag nog heel veel mensen. Maar de twijfel wordt groot, wanneer we ten opzichte van hen die in 1892 „staande zijn gebleven" dezelfde vraag stellen. Hadden zij zich niet aan te sluiten bij de „Verenigde kerk" en daarna pas hun bezwaren kenbaar te maken? Was het confessioneel gezien wel verantwoord wat zij hebben gedaan? Hier worden de twijfels al groter.
Wil men over deze zaken goed kunnen oordelen, dan moet men de feiten kennen. En over het algemeen gesproken valt er over een degelijke kennis van de feiten vandaag niet te roemen. Dat is het eerste wat we hier willen opmerken. Maar daarna zeggen we: er moet veel méér gezegd worden. De zaken liggen werkelijk niet zo eenvoudig als die goed bedoelende collega het jaren geleden eens formuleerde: jullie zijn fout geweest in 1892, of wij zijn fout geweest. En dus moeten jullie schuldbelijdenis doen over die fout, óf wij moeten schuldbelijdenis doen. En dan is het klaar.
Is dit waar? Kan ik zó Israëlitisch spreken over het verleden, zoals de vader in Israël tegen zijn kind sprak: toen en toen ben ik uit Egypte gegaan. Men mag weten, dat de vader in Israël zó over het verleden sprak. Kunnen wij zó over de kerkgeschiedenis spreken? In 1892 ben ik „staande gebleven". Neen. Het was mijn grootvader die deze beslissing nam, naar ik meen, voor Gods aangezicht. Moet ik daarom geprezen of gelaakt worden?
U ziet dat het met de binding van het bestaansrecht van onze kerken aan het verleden niet zo eenvoudig ligt als menigeen denkt. Hooguit komen wij tot een historisch oordeel over de gang van zaken. Niet dat dit een devaluatie betekent van wat er in het verleden geschiedde. Het betekent wel een beoordeling, waarin meeklinkt een andere norm, dan alleen die van de historicus. En die norm moet in het heden functioneren.

Recht om er te zijn
Bestaansrecht is voor kerken een zaak van het heden en niet enkel van het verleden.
Het moge duidelijk zijn, dat, wanneer we hier spreken van recht, dit recht niet anders kan zijn dan het recht der genade. Door de genade bén ik wat ik ben, sprak Paulus. Zijn bestaansrecht was een recht van de genade. Het gold niet alleen de apostel, maar ook de apostolische kerk. Zij kan er slechts zijn krachtens de genade die vergeeft en die geneest. Krachtens de rechtvaardiging en de heiliging. Krachtens de toerekening van een recht en het toebrengen van een recht. Alleen zó kan er sprake zijn van een recht om er te zijn.
Wanneer we dus zeggen, dat onze kerken alleen hun recht in het heden kunnen hebben om er te zijn voor God en voor de mensen, dan is het geen ander recht dan dit. Dat recht is gewaarborgd door Christus en in de belofte. Daarom vindt de kerk haar grond ook alleen in haar Hoofd en in de belofte waarin Christus vandaag tot ons komt. Dat betekent, dat het recht van de kerk om er vandaag te zijn enkel en alleen ligt in wat Christus aan het kruis heeft volbracht. Hier is de vaste grond, het enig fundament. En alleen zó kan de kerk zelf een fundament en vastigheid van de waarheid zijn. Wanneer wij een bestaansrecht zouden zoeken, dat los staat van deze vaste grond, zou het alleen maar zandgrond blijken te zijn.
Onze kerken hebben vandaag alleen maar een goddelijk recht om er te zijn, wanneer dat recht niets anders is dan het door God in genade verleende recht door Christus Jezus. En alles wat gezegd wordt, waarin dit recht niet is verdisconteerd, houdt het niet uit. Ons recht zal in Christus zijn, of het zal er niet zijn. Dat geldt niet alleen de individuele kerkleden, maar het geldt ook de kerken in het algemeen. Misschien denken op dit moment sommigen: maar wat is dan het specifiek christelijk-gereformeerde? Waarin bestaat dan wel onze eigen identiteit? Waarom zijn wij dan nog steeds Christelijk Gereformeerd? Waarin onderscheiden wij ons dan van zovele andere mede-kerken tijdgenoten?
Een goed verstaander heeft nu genoeg aan dit antwoord: het typisch christelijk-gereformeerde is niets anders dan het gewoon-christelijke, het gewoon-gereformeerde, zoals wij dit in de bijbel, en zoals wij dit ook in de gereformeerde belijdenis aantreffen. En daarom hangt ons recht om er te zijn onmiddellijk samen met de vraag, of wij werkelijk trouw willen zijn aan Schrift en belijdenis.
Maar, zo zegt nu onze broeder van daarnet: dat zijn er toch nog zo velen! Dat is toch niets bijzonders? Waarop wij vragen: Is dit niet iets bijzonders? Dat iemand vandaag trouw wil zijn aan de Schrift. Als iemand zegt: Ik zwoer, en zal dit met een blij gemoed bevestigen in al mijn levensjaren, dat ik Uw Woord door Uw gena bestendig zal bewaren! Is dat niet iets geheel bijzonders? En nog meer: wanneer er vandaag mensen zijn, die aan de belijdenis, gelijk deze in de gereformeerde traditie tot ons kwam, getrouw wil blijven: is dat niet iets geheel bijzonders?
Wanneer daarin alleen dan het bestaansrecht van de kerken ligt, dan zullen we werkelijk blij zijn, wanneer we ontdekken, dat er ook vandaag meerderen zijn die dit begeren. En we zullen zeggen: hier is onze afgescheiden hand. Want ook dat behoort bij de trouw aan de belijdenis, dat men die hand niet weigert aan hen die met ons een even duur geloof zijn deelachtig geworden. Het behoort niet alleen bij de belijdenis, maar bij de beleving ervan.

Zullen we er in 1992 nog zijn?
We bedoelen nu natuurlijk als kerken. En we zouden kunnen zeggen, dat deze vraag niet onze zaak is. Voorzover het Gods zaak is kunnen we het in zijn hand leggen. Zoals geldt van zo heel veel dingen, zelfs van alle dingen.
Maar er valt toch nog wel meer te zeggen. Soms horen we, dat het helemaal niet belangrijk is, of we er dan nog zullen zijn als Christelijke Gereformeerde Kerken. Men kan gemakkelijk bevroeden wat men daarmee bedoelt. Maar dit spreken bevredigt allerminst. Wanneer het niet belangrijk is, of we er dán nog zijn waarom kan het dan van betekenis zijn dat we er nú zijn?
We kunnen zelfs nog een stap verder gaan, niet slechts 1992, maar de jongste dag beslist over de vraag van de zin van ons bestaan. Als we er dan niet zullen zijn, waarom zouden we er heden willen zijn? Alleen wanneer we in de kerk de dingen tot op de jongste dag durven door te trekken kunnen we er vandaag iets mee doen. En nu wordt eerst goed duidelijk, dat elke vorm van kerkelijke zelfbevestiging, die niet onmiddellijk voortkomt uit de genade, loos en leeg is. Indien ge niet gelooft zult ge niet bevestigd worden. Dat geldt de kerken.
En zo hoort de ootmoedige wandel met de H ERE, zo hoort ook de bevinding der genade, zo hoort het roemen in de verdrukking er wezenlijk bij.
Het bestaansrecht van de kerken is niet een zaak van het verleden. Het is een zaak van het heden, in het licht van de eeuwige toekomst van de kerk.
Laat nu niemand zeggen, dat de zaak daarmee oneindig ver bij ons vandaan wordt geschoven. De eeuwige toekomst alleen is vér genoeg weg, om afstand te kunnen nemen op een eigenlijke manier van ons kerkelijk leven. Het is ook de enige afstand die ver genoeg is om er goed over te kunnen oordelen. Want die dag zal alles openbaren.
En toch komt die dag heel nabij. In de prediking van het Woord Gods wordt dié dag ons nabij gebracht.
Wat zegt Paulus van dié dag? Dat hij de kroon der rechtvaardigheid hoopt te ontvangen met allen die de verschijning van dé Here Jezus in onverderfelijkheid hebben liefgehad. Als dat de werkelijkheid is, dan hoort dit er vandaag reeds bij. En dan betekent dit voor het bestaansrecht van de kerk vandaag in het licht van de grote dag der dagen, dat wij gaarne hén ontmoeten, die er (zo hopen we) mét ons zullen zijn, op die dag.
Bestaansrecht, verleend krachtens de verdienste van Christus. De vraag is, of we dit recht ook begeren. Is het wenselijk, dat we er zijn, als kerken tot in de toekomst?

W. van 't S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 oktober 1982

De Wekker | 8 Pagina's

Halen we de honderd? (Het bestaansrecht van de kerken I)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 oktober 1982

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken