Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het bestaansrecht van de kerken (II)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het bestaansrecht van de kerken (II)

8 minuten leestijd

Bestaansrecht en bestaansgrond
De vorige keer werd er op gewezen, dat het recht van de kerken geen ander recht kan wezen dan dat der genade. Alles wat er over het bestaansrecht wordt gezegd of geschreven, waarin dít door God verleende recht om er te zijn niet is verrekend, zal leeg en ijdel blijken te zijn. Nu is dit recht verdiend door onze Here Jezus Christus. In Hem heeft dit recht zijn grond, in zijn volbrachte werk. En daarom moet de verzoening, die Hij tot stand bracht meebedacht worden, wanneer wij spreken over het bestaansrecht van onze kerken. In Christus vallen bestaansrecht en bestaansgrond samen.
Met het bovenstaande hing samen wat we opmerkten over de betekenis van het verleden. De geschiedenis is van zo grote betekenis. Wat in de historie plaats greep werkt immers door. Men kan er ook dikwijls een voorbeeld aan nemen. Wat zij die ons voorgingen hebben gedaan zou ons kunnen inspireren. We kunnen er moed aan ontlenen. We zouden van hun gedachten en daden kunnen leren. Maar het recht om er te zijn wordt beslist naar de vraag van het heden in het licht van de eeuwige toekomst. Die ons oordelen zál is de Here. En die
ons nú oordeelt is geen ander dan Hij.
In het laatste bijbelboek lezen we van het lied waarin Gods macht wordt bezongen met betrekking tot de schepping. Gij hebt alles geschapen, en door U zijn de dingen er en werden zij geschapen. De voleinding laat ons recht de rijkdom van de schepping zien. En zo zal ook de jongste dag ons de zin van de geschiedenis laten zien.
Maar die voleindig ligt in beginsel, zoals wij het zo graag zeggen, in het volbrachte werk van de Here Jezus Christus. En in de prediking van oordeel en verzoening komt die voleinding ons heden nabij. Daarom moet het mogelijk zijn om méér te zeggen over het recht en de grond van het bestaan der kerken dan alleen deze verwijzing naar het allesbeslissende gericht van de toekomst. Hóe komt ons dit gericht nabij?
Op deze vraag kunnen we niet anders antwoorden dan: door het Woord. Nabij u is het Woord. En daarbij denken we dan in de eerste plaats aan de Heilige Schrift. Zó spreekt Paulus daarover in Rom. 10: Het is noodzakelijk vandaag meer dan ooit daarop de nadruk te leggen. Paulus doet dit zeer uitdrukkelijk wanneer hij in zijn spreken over het Woord de Schrift ter sprake brengt. Voor hem is er niet die onderscheiding tussen het Woord en de Heilige Schrift, die vooral in de moderne theologie bijna is uitgegroeid tot een tegenstelling. Nabij u is het Woord, zo schrijft de apostel in vs. 8. En in vs. 11 schrijft hij: want de Schrift zegt! Het Woord Gods, dát is de Schrift. Door de Schrift kunnen wij weten waar wij staan. En in de Schrift wordt ons het enige fundament gewezen.
De crisis die vandaag door de kerken van gereformeerd belijden gaat is daarom zo fundamenteel, omdat het een crisis is met betrekking tot het Woord der Schrift. De kerk is uit het Woord geboren. Daarom hecht zij aan het sola scriptura, „door de Schrift alleen". Het is opmerkelijk dat de reformatoren niet hebben gezegd: solo verbo, „door het Woord alleen", ofschoon ook hun die onderscheiding tussen Woord en Schrift wel bekend was. Neen de reformatoren hebben in een hechte binding aan de Schrift hun afweer tegen Rome-gefundeerd. De kerk plaatst zich bij Rome boven het Woord evenals ook de dopersen door hun beroep op het innerlijke Woord zich aan het gezag van de Schrift onttrokken. Daarom mogen wij vandaag wel bijzondere nadruk leggen op de betekenis van de Heilige Schrift. Noem haar de dienstknechtsgestalte van het Woord, maar vergeet daarbij dan niet, dat God ook déze dwaasheid deed behoren tot zijn wijsheid. Trouw aan de Schrift en aan de Schrift alleen zal het fundament van de kerk zijn. Zó komt ons het gericht der genade nabij: door het Woord.
Het tweede dat hier genoemd moet worden is het geloof. Daarom zegt Paulus: nabij u is het Woord des geloofs. Zonder dát geloof is er geen recht of grond voor ons. Het verzoeningswerk van Christus, waaraan de kerk haar recht ontleent, of beter gezegd, waaruit de kerk haar recht ontvangt, wordt voor haar slechts van kracht door het geloof. En het geloof is hier niets anders dan het léven uit de Here en Heiland die door God uit de doden is opgewekt. Zó staat naast het „door de Schrift alleen" het „door het geloof alleen". Daar ontmoeten goedertierenheid en recht elkaar. Het Woord is het Woord des geloofs, omdat het de grond voor het geloof is en tegelijk omdat het als middel van genade gebruikt wordt, terwijl het tegelijk de inhoud van het geloof bepaalt. Wij geloven immers al wat God ons in zijn Woord heeft geopenbaard. Grond van het geloof, middel tot geloof, inhoud van het geloof - zó ontvangt de kerk het Woord Gods.
En het derde dat hier in aanmerking komt is de prediking. Het is dat wonderlijke geheim van het Woord, dat wij prediken, waardoor de kerk >leeft en leven zal. Let wel, niet „het gepredikte Woord" staat er, maar „het Woord des geloofs dat wij prediken". Daar is de actie, de daad, het gebeuren van de prediking zelf mee bedoeld. In die daad der prediking, door de Heilige Geest levend en krachtig gemaakt, voltrekt zich het gericht der genade, komt de jongste dag ons nabij en worden we gesteld als afzonderlijke mensen, maar ook als kerk des Heren onder het gericht Gods. En zo valt de beslissing, die op de jongste dag eenmaal voor aller, oog klaar en duidelijk zal zijn, vandaag de dag reeds voorde kerken des Heren in déze prediking van het Woord des geloofs. Daarin bedoelt de Here ons heil. Maar ook: daarmee staat of valt de kerk.
Toen we eerder schreven dat eerst de jongste dag zal openbaren wét de zin, de waarde van ons leven, ook van ons kerkelijk leven, is geweest leek het wel, alsof alles heel ver bij ons vandaan werd geschoven. Het leek wel alsof alles op losse schroeven kwam te staan. Déze laatste ernst scheen zó drukkend, dat wij er vandaag weinig mee wisten te beginnen. Wanneer het recht van onze kerken een zaak van die toekomst is, hoe kunnen wij vandaag met ons kerkelijk beginsel vooruit? Leek het niet te abstract, te vér gezocht? Té ver?
Maar hoe komt alles ons nu nabij, in zijn eeuwige onontkoombare ernst, in het Woord des geloofs dat ons gepredikt wordt. Hier en nu in de prediking valt de beslissing over ons persoonlijk én over ons kerkelijk leven. Is het werkelijke prediking? Boodschap van Godswege? Klinkt erin door de ernst der eeuwigheid? Is het werkelijk een prediking van het geloof, van het geloof alleen? Van dát geloof, dat ons in het gericht Gods staande kan houden, omdat het alleen gebouwd is op de Here Christus, op zijn kruis en opstanding?
En is het een prediking in grote trouw aan de Schrift, het Woord Gods? Zie, deze vragen beslissen over ons persoonlijk wel en wee, en over ons kerkelijk wel en wee. Kunnen we kerk, kerk des Heren zijn, waar het Woord, waar de Schrift gebroken wordt?
Waar het geheim van de Schrift onder onze kritiek verbleekt? Waar het wonder van Gods werk in de Schriften ons niets meer te zeggen heeft?
Kunnen we werkelijk gemeente van de levende God zijn, waar het geloof, naar zijn wezen en inhoud geen levende zaak is? Het geloof, waardoor wij Christus, het Hoofd der Kerk worden ingelijfd en al zijn weldaden deelachtig - worden?
Kunnen we staat maken op toekomst, niet maar van tien, of van honderd jaren; kunnen we naar het Woord der Schrift hopen op de eeuwige heerlijkheid der kinderen Gods, wanneer de prediking in haar actie ons niets meer te zeggen heeft?
Niet voor niets is het eerste kenmerk van de echte kerk de zuivere bediening van het Woord. Voor Luther was dit het eerste, misschien het enige kenmerk. Maar al die andere kenmerken der kerken schuilen in dit éne teken: de prediking van het Woord des geloofs.
Noem het een beginsel en u hebt gelijk. Want alles zit in dit éne beginsel, zoals het leven in het zaad, zoals de toekomst in de schoot der aarde. Maar noem het geen beginsel alleen maar als een dierbare stelling, waarachter wij schuilen maar die we niet met het hart verstaan.
Aan dát beginsel trouw te zijn in de volle zin van het woord is eis van wat de geschiedenis ons naliet. Uit dat beginsel te leven is meer dan alleen maar te proeven de krachten der toekomende eeuw, het is het eeuwige leven zelf, zoals het als een beginsel van eeuwige vreugde door Gods kinderen gekend wordt. Tot dat beginsel elkaar op te roepen en te versterken, elkaar daarin vast te houden, het is de begeerte van allen, die hun rechten verspeeld hadden en hebben en die deze om niet ontvangen op de grond van Christus' verdienste.
Hier is het bestaansrecht onze bestaansgrond geworden . . . een vlaswiek uit het vuur gerukt! Zo spreekt de Here, die Jeruzalem verkiest (Zach. 3:2).
En wie nu eens in dit licht probeert de belijdenis der kerk samenvattend te lezen die zal zeggen: dat hebben de vaderen verstaan en zij zijn gezegend!
Zouden wij dan een ander spoor wensen?

W. van 't S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 oktober 1982

De Wekker | 8 Pagina's

Het bestaansrecht van de kerken (II)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 oktober 1982

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken