Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het leven wint*

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het leven wint*

11 minuten leestijd

Dat het boek van drs. Kruis, dat onder bovenstaande titel in 1981 verscheen eerst nu in De Wekker wordt ter sprake gebracht heeft een reden, die de lezer gemakkelijk zal begrijpen. Over sommige zaken die de schrijver in zijn publicatie poneerde werd een broederlijk gesprek gevoerd in de kring van het curatorium en hoogleraren. En het leek in geen enkel opzicht raadzaam om gedurende die tijd over het boek iets te schrijven. Zo gemakkelijk zou men kunnen denken, dat wat hier geschreven werd het gesprek zou moeten beïnvloeden. Nu echter van zulk een situatie geen sprake meer is mag een korte beschouwing ook hier niet ontbreken, omdat zwijgen als verzwijgen zou kunnen worden opgevat. En er valt waarlijk niets te verzwijgen met betrekking tot dit geschrift. Het heeft recht op een beoordeling, hoe dan ook.
Welnu, laat ik beginnen, dat zulk een beoordeling niet gemakkelijk valt. Er zijn weinig boeken die ik met zo veel zorg gelezen heb de laatste tijd. In anderhalf jaar heb ik het driemaal doorgenomen. Maar ik kan er moeilijk achter komen wat de eigenlijke bedoeling ervan is.
Men vraagt zichzelf af waaraan dit ligt. Een gebrek aan duidelijkheid in de eigenlijke bedoeling van een geschrift kan op verschillende manieren ontstaan. Ik heb een oorzaak gezocht in de samenstelling van het boek. Er zijn, zo lijkt het wel, drie delen, die op de een of andere manier zijn samengevoegd. Het eerste deel lijkt me te herleiden tot een serie preken, die drs. Kruis gehouden heeft over de eerste hoofdstukken van de bijbel. En men kan wel merken, dat zij zijn bijgewerkt. Maar hier en daar bemerkt men toch nog duidelijk de preek. Ik zeg van de inhoud van die preek niets, maar wel over het feit, dat een preek een eigen opzet heeft, een eigen vorm, en de vorm van een preek is ook niet het meest ongeschikt om grote massa's te bereiken. Maar of déze vorm, die naar mijn gedachte herkenbaar blijft in de eerste helft van het boek, hier en nú de meest geschikte was, waag ik te betwijfelen.
In het tweede gedeelte van het boek herkent men een neerslag van een wetenschappelijk artikel, dat indertijd werd geschreven voor een feestbundel, aangeboden aan een drietal Apeldoornse hoogleraren. Het heeft nog iets aan zich van de katheder, zou men kunnen zeggen.
Het laatste stuk, verreweg het kortste heeft iets van een schets over de positie van Israël en de kerk vandaag. Het draagt ook de sporen daarvan. Het is niet af, het reikt geen duidelijke conclusies aan. Maar er zit wel een gedachte in.
Déze drie, de preek, het college, de schets zijn natuurlijk niet zo aan elkaar gewerkt. Ze zijn niet alleen omgewerkt, maar ze hebben ook doorgewerkt: er is duidelijk een verder gaande ontwikkeling aan te geven wanneer men het artikel uit de feestbundel („Leven en dood van Adam tot Mozes") vergelijkt met de overeenkomende delen uit „Het leven wint". Maar toch is dunkt me deze drieërlei bron nog te herkennen en voor een deel schrijf ik aan deze formele oorzaak een niet gering aandeel toe in de onduidelijkheid, die me vermoeide.

Maar met dit al is de onduidelijkheid niet genoeg verklaard. Er moet een andere oorzaak zijn, dan die gezocht kan worden in de oorsprong van de verschillende onderdelen van het boek. Op een heel voorzichtige manier zou ik die willen aanduiden als een ingewikkelde vorm van biblicisme.
Drs. Kruis wil de Schrift laten spreken. Hij wil zijn lezer' in staat stellen om te lezen wat er staat. Maar hij volgt daarbij zulke moeilijk begaanbare wegen, dat zijn gedachtengang allerminst klaar en helder is. Men moet dit als een kwestie van zijn methode aanmerken. De samenhang tussen de ene tekst en de andere tekst wordt aangebracht met behulp van slechts een woordenboek en een concordantie. Daarbij wordt soms de onmiddellijke omgeving van de tekst buiten beschouwing gelaten. De tekst functioneert dan als preektekst, waarbij de inhoud soms wordt overspoeld door gegevens die uit allerlei bijbelboeken erbij geplaatst worden. De samenhang is zodoende niet de samenhang van de gedachte, maar van de woorden, niet van de idee, maar van de termen. Er ontbreekt een goede dogmatiek achter dit boek. Men kan niemand kwalijk nemen, dat hij niet zo direct geporteerd is voor dogmatiek en systematisch denken. Maar de ontstentenis ervan leidt wel tot ontsporingen, die voorkomen hadden kunnen worden, wanneer het denken een beetje genormeerd was door een klein scheutje systematiek in gereformeerde trant. Daarvoor hoeft men niet zo bang te zijn. Zelfs de uitspraak: „Ik ben niet zo wég van de dogmatiek", is een dogmatische uitspraak, maar dan afkomstig uit een dogmatiek van minder kwaliteit.
Welnu déze leegte, meen ik, heeft zich in dit boek opgevuld met een vreemdsoortige eigen systematiek van wonderlijke constructie. Zij berust niet op werkelijk onderscheidende exegese. Daarvan zouden vele voorbeelden zijn te geven. Enkele slechts duiden we aan.
Wat er gezegd wordt over de schepping van de mens naar Gods beeld en gelijkenis heeft veel van een vondst. Maar het is allerminst overtuigend. De tekst luidt: Laat Ons mensen maken naar ons beeld als onze gelijkenis.
Voor mezelf heb ik altijd gedacht, dat dit heel eenvoudig betekende: naar ons gelijkend beeld. Maar in de uitleg van drs. Kruis wordt het: in ons beeld, naar onze gelijkenis, hetgeen dan verder wordt verklaard als: God schiep de mens in zijn beeldhouwwerk, of scheppings werkstuk naar zijn gelijkenis. Hetgeen dan eigenlijk niets anders wil zeggen dan: in het scheppingswerk van God is de mens degene die op God lijkt. Ik geef toe, dat geen dogmaticus er nu iets mee kan beginnen. Maar een gewoon denkend mens evenmin.
Een tweede voorbeeld. Er is een boom des levens, symbool van het echte leven. Er is een boom van kennis van goed en kwaad. Gód kent goed en kwaad. Altijd dachten we, dat dit niets anders betekende dan: God maakt uit wat goed en kwaad is, niet de mens, maar God. Drs. Kruis wil dichter bij de tekst blijven en bereikt dit door te zeggen, dat God goed en kwaad kent. Hij kent het namelijk vanaf het begin van de schepping. Hij kent het uit „eigen ervaring", maar Hij staat er boven (50v.). De mens kiest ook voor goed én kwaad. En geeft daarmee aan het kwaad zoveel ruimte dat het 't goede overwint. Natuurlijk zou men geneigd zijn om te vragen, hoe kende God dan goed en kwaad? Maar de eenvoudige opvatting, dat de mens „als God wil zijn", en zelf wil uitmaken wat goed is en wat kwaad zal zijn, ontvangt geen enkele ruimte. Ik meende dat het in deze geschiedenis ten diepste gaat om de vraag van autonomie of theonomie. Die opvatting wordt aan de kant geschoven en er komt iets ongrijpbaars voor in de plaats.
Dat ongrijpbare treft men op verschillende punten in het boek aan, die ik nu alleen maar aanduid en niet uitwerk.
De schepping is tegelijk verlossing. Ik geloof niet dat drs. Kruis hierbij staat op het standpunt, dat door Karl Barth wordt verdedigd omtrent de samenhang tussen de schepping en het verbond der genade, waardoor de gehele openbaring Gods in haar tweevoudig karakter vereenvoudigd wordt tot Christomonisme. Dat zit hier niet achter. Maar wat er wél bedoeld wordt is niet duidelijk. De naadloze verbinding tussen Gen. 1: 1 en Joh. 1: 1 gaat voorbij aan het verschil tussen schepping en verlossing. Ik mag in Gen. 1 niet vergeten, dat alles geschapen is door het Woord. Maar ik mag in Joh. 1 niet voorbijzien, dat het dit Woord is dat vlees is geworden. De Logos is niet Jezus Christus, ofschoon Jezus Christus wél de Logos is. Het is een schijnbaar subtiel verschil, dat echter door de gereformeerde theologie nog al van belang is geacht. Had drs. Kruis daarvan kennis gedragen, dan had hij niet zo eenvoudig gezegd door een simpele combinatie van deze twee teksten: de schepping is verlossing.
Dan kan immers de vraag niet uitblijven: verlossing waarvan? En waartoe? En als Gen. 1: 1 gelijkstaat aan Joh. 1: 1 moet men ook vragen waarin onderscheidt zich het verlossingswerk van de vleesgeworden Logos zich van het verlossingswerk van de scheppende Logos? Er is sprake van een goede schepping. God zag al wat Hij gemaakt had en het was zeer goed. Excellent, zouden we zeggen. Wat moet daar, op dat ogenblik aan verlost worden? Onduidelijkheid.

Hoe wonderlijk is de constructie van het vrouwenzaad en het slangenzaad, wanneer men de lijn probeert vast te houden. Het vrouwenzaad gaat in het spoor van het goede. Het slangenzaad (mensen zijn zaaisel van de boze) loopt uit op de lijn die van God afgaat. De eerste wordt straks belichaamd in Israël. De tweede is terug te vinden in het heidendom. Christus staat op die eerste lijn. De duivel zaait nog steeds in die tweede lijn. Zo trekt er een dualisme door de geschiedenis, althans, zo waag ik het te noemen. Maar onduidelijk is het wel.
De plaats van de wet, die speciaal gegeven is aan het vrouwenzaad: aan Israël. Die plaats wordt grotendeels heilshistorisch bepaald. Ook hier kent de gereformeerde theologie aan de wet een functie toe, die boven dit heilshistorisch monisme uitgaat. Maar niets daarvan blijkt uit dit boek.
Christus en de wet. Dat wordt nu een kernvraag. Drs. Kruis zegt: Christus is om het eenvoudige feit dat Hij een Isrëliet was, onder de wet gekomen. Een zinvol onderscheid, dat men wat mij betreft gerust anders mag formuleren, wordt hier over het hoofd gezien. Ik bedoel het onderscheid tussen de eis van de wet en de vloek van de wet. Dat onderscheid speelt mee, voorzover ik het zie, in heel de polemiek die Paulus met de Judaïsten voert. Daarin gaat het om een wet, die heilig en goed is. Dé grote vraag is, of die wet betracht wordt mét of zonder Geest. Ook het verschillende gebruik van het begrip „wet" in het nieuwe testament had hier de schrijver niet mogen ontgaan. Nú blijft er een zeldzame en ongehoorde constructie over, waarbij Christus als Jodenkind „onder de wet" komt en zó voor de Joden de vloek wegneemt, voor het vrouwenzaad.
Hóe neemt Christus de vloek weg? Niet door de wet te volbrengen. Immers Gods, genade houdt in, dat men nimmer voor de zonde kan betalen ter voldoening aan de wet (123). De zaligheid is niet verdiend, door geen gelovige en ook niet door Christus. Christus verlost wél, maar die verlossing bestaat hierin, dat genade geopenbaard wordt. Zij wordt niet verworven, niet verdiend door Christus. Het is op dit punt, dat de onduidelijkheid van het gehele boek zich als het ware concentreert. De reiniging door het bloed van Christus wordt versmald tot aanduiding van het nieuwe leven. Wat de verzoening aan het kruis van Golgotha als grond, als rechtsgrond én als krachtbron van dit nieuwe leven daarmee te maken heeft wordt niet duidelijk, evenmin als uit het vervolg duidelijk wordt, hoe nu het slangenzaad kan delen in de kracht der voldoening. Daarin lost het laatste hoofdstuk niets op. Wij worden in het nageslacht van Abraham ingelijfd en zo mag een heiden-christen als „ingelijfde Jood" de belofte van Abraham ontvangen.

De Schrift spreekt echter van een inlijving in Christus, waardoor Jood en heiden (want er is geen onderscheid) uit genade verlost worden (138v). Deze Israëltheologie lijdt mogelijk het meest onder het schetsmatige karakter waarin zij wordt voorgedragen. Duidelijk is zij allerminst.
Moét een theologie, neen, moeten bijbelstudies dan duidelijk zijn? Is dit dan het criterium, dat we heldere en klare lijnen voor ons zien? Laat niemand menen, dat dit een toetssteen is, waaraan we dit boek hebben te meten. Het zou een formeel criterium kunnen zijn en dit is werkelijk wel heel erg belangrijk, zoals we in het begin van dit artikel hebben betoogd.

Maar we mogen en we behoren een andere maatstaf aan te leggen. Het is déze, dat op het punt van de verlossing in Christus klare taal wordt gesproken. Dat behoeft niet een geijkte terminologie te zijn, ofschoon deze bij tijden een voordeel heeft. Het behoeven zelfs niet de vertrouwde gedachten gangen te zijn, een nieuwe gedachte kan ons verrassen. Maar wat er dan gezegd wordt moet wél duidelijk wezen, vooral wanneer men op een zo aangelegen punt als dat van de verzoening door voldoening, de dingen anders zegt. Want het is zeer riskant om hier andere dingen te zeggen.
Het zou een weldaad voor drs. Kruis en voor velen met hem zijn, wanneer er op dit punt helderheid kwam, die helaas hier al te veel ontbrak.

W. van 't S

* N.a.v. drs. J. Kruis, Het leven wint. Bijbelstudies, J.H. Kok-Kampen, 148 blz., ƒ 19,90.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 december 1982

De Wekker | 8 Pagina's

Het leven wint*

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 december 1982

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken