Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Afscheiding of wederkeer (II)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Afscheiding of wederkeer (II)

10 minuten leestijd

De Afscheiding heeft niets anders gewild dan terugkeer tot „de gronden der vaderen". Zo lezen wij tenminste in de Acte van Afscheiding of wederkeer van 1834. Wanneer we begrijpen wat met déze terugkeer is bedoeld krijgen we ook goed zicht op de oecumenische betekenis van de Afscheiding.
Op het eerste gezicht heeft het er alle schijn van, dat de Afscheiding zuiver het tegendeel vormde van een oecumenisch streven. Oecumene, die naar Gods Woord is, beoogt de eenheid van de Kerk. Zij wil bijeenbrengen wat bijeen behoort. Zij wil recht doen aan het gebed van de Heiland, het gebed om eenheid van al de zijnen. Zij streeft er naar om ook zichtbaar te maken wat in het onzichtbare reeds een werkelijkheid is. Ware oecumene jaagt de ware eenheid na.
De Afscheiding daarentegen breekt stuk de eenheid die zichtbaar bestond. Zij lijkt daarom volkomen in strijd te zijn met het echte oecumenische streven dat zoekt te helen en te verbinden.
Is bovendien de geschiedenis van de Afscheiding niet een illustratie van verdeeldheid onder christenen? Is het niet zo, dat vooral in de kring van de afgescheidenen de onderlinge tegenstellingen zo groot waren, dat er geen helen aan was?
In 1833 gaf G. Benthem Reddingius, predikant te Assen een aantal brieven uit over de verdeeldheden en bewegingen in de Hervormde Kerk van zijn dagen.
Het geschrift was voor De Cock aanleiding tot het opstellen van een antwoord, dat het einde van zijn loopbaan in de Hervormde Kerk zou betekenen. In het geschrift van de predikant uit Assen is te lezen, dat hij zich met betrekking tot de zich aftekenende beweging van de Afscheiding geen al te grote zorgen maakte. Hij zag geen reden om de moed te verliezen. Een van de dingen, die hem daarbij voor ogen stonden, was de onderlinge verdeeldheid binnen de beweging zelf. „Laat nog eenigen tijd de zucht om scheuring te verwekken vorderingen maken, en hare oogmerken hier en daar schijnen te bereiken, wanneer de grootste ijveraars voor het zoogenaamde oude niet meer zijn, dan zal die zucht weer verflauwen; wanneer het getal der opstandelingen meer toeneemt, dan zullen zij het onder elkander oneens worden, want zij zijn grootendeels te onkundig en te eigenwijs, en hebben te veel verschilende bedoelingen om langen tijd in grooten getale in éénen geest en met vereende krachten bijeen te blijven".
Had Benthem Reddingius geen gelijk? Leek het er niet op dat er louter sprake was van een zucht om scheuring te verwekken? En bleken de onderlinge geschillen onder de afgescheidenen niet heel vaak onoverkomelijk, zodat het telkens weer tot nieuwe afsplitsingen kwam? Was er ook geen sprake van een milde dosis eigenwijsheid bij het gebrek aan eenheid in bedoelingen? Kortom had de Afscheiding niet een kiem van separatisme in zich?
Het lijkt alsof de geschiedenis haar oordeel heeft uitgesproken: in het midden van de jaren dertig van de vorige eeuw treden de Kruisgezinden uit. In het midden van de jaren veertig komt het tot een conflict met de Geldersen. In het volgende decennium is er sprake van de diepe innerlijke tegenstelling tussen de Drentse richting en de overige afgescheidenen. En wanneer het een tijdlang goed gaat is het al spoedig weer mis. Niet alleen in de vorige eeuw, ook in de onze zijn de onderlinge splitsingen niet van de lucht. Het gaat maar door, zowel in de rechter flank van de „gereformeerde gezindte" als in een wat meer nuchtere sector der gereformeerden. Met het oog daarop lijkt het een innerlijke tegenstrijdigheid om te spreken over het oecumenisch ideaal van de Afscheiding. Toch mag men van dit laatste geen woord afdoen, geen letter zelfs. Wij zouden moeten aannemen, dat die afgescheidenen van het eerste uur de meest grote geveinsden en huichelaars waren, die men zich kan denken. Wij mogen hen houden aan hun woord. Zij wensten niets anders dan terugkeer tot „de gronden der vaderen". Zij wensten te staan op de fundamenten van het belijden, en die fundamenten van het belijden vonden zij in de belijdenis naar Gods Woord. In de gereformeerde belijdenisgeschriften, daar hebben zij die gronden der vaderen gevonden. En op diezelfde gronden hebben zij gezocht naar de eenheid met allen die met hen op één fundament stonden.
Voor alle duidelijkheid zal ik uit de Acte van Afscheiding of Wederkeering zelf de zinnen overnemen die daarop wijzen. En ik voeg er uit de Toespraak en uitnoodiging aan de geloovigen en ware gereformeerden in Nederland het nodige bij. Dan staat alles weer eens op een rijtje en kan ieder zelf oordelen.
In de Acte van Afscheiding wordt in één adem gesproken over de daad, waartoe men zich door de geloofsbelijdenis verplicht achtte: de daad van de Afscheiding én de daad van de ware oecumeniciteit. In één adem wordt er gesproken over de breuk met de Hervormde Kerk én over de eenheid die gezocht wordt: „geen gemeenschap meer te willen hebben met de Nederlandsche Hervormde Kerk, totdat deze terugkeert tot den waarachtigen dienst des Heeren; en verklaren tevens, gemeenschap te willen uitoefenen met alle ware Gereformeerde ledematen, en zich te willen vereenigen met elke op Gods onfeilbaar woord gegronde vergadering, aan wat plaatse God dezelve ook vereenigd heeft . . .". Men houdt zich daarbij aan Schrift, belijdenis, liturgie van de oude gereformeerde kerk en aan de kerkorde van Dordt „voor het tegenwoordige".
Dit is een duidelijk standpunt. Men wil gemeenschap uitoefenen met alle ware Gereformeerde ledematen en met elke op Gods Woord gegronde vergadering waar God die ook maar verenigd heeft. Men geeft de hand aan alle broeders en zusters. En tegelijk aan allen die op hetzelfde fundament staan. Geen Afscheiding zonder meer. Maar tegelijk een zoeken van de eenheid met alle ware gereformeerden in Nederland.
In de Uitnodiging, die tegelijk met de Acte van Afscheiding werd gedrukt heet het: wij hebben ons gescheiden, niet van de ware gereformeerde kerk en niet van de ware gereformeerden. „Integendeel reiken wij die allen bij dezen de broederband, en verzoeken de hunne terug, om te onderhouden de gemeenschap der heiligen, verenigd door één geloof, door één doop en door één Geest". Die gemeenschap der heiligen is er met de vaderen. Maar zij is er tegelijk met allen die nú de Here vrezen.
De Cock zet uiteen op welke gronden hij de Hervormde Kerk verlaat. Men wil zich, naar de belijdenis, voegen bij de vergadering der gelovigen en daarmee verenigen en zo de eenheid der kerk onderhouden, de hals buigende onder het juk van Christus en dienende de opbouw van de broeders als leden van één lichaam. „Die allen reiken wij met dezen de broederband en vragen door dezen de hunne, met de bede dat de Almagtige God, de eenige en Drieënige verbonds-God van zijn volk, zijn Geest over al het volk moge uitstorten . . . ". In beide officiële stukken is sprake van het verlangen naar eenheid met alle gereformeerden in Nederland.
Gemeenschap met alle ware gereformeerde ledematen, waar God hen ook maar bijeenbrengt.
Wij reiken de broederband. Wij verzoeken de hunne terug.
Geen Afscheiding alzo, zonder hartelijk zoeken van de eenheid van alle gereformeerden.
Welnu deze oecumenische gezindheid mag ons vandaag niet ontbreken.
De vraag is daarbij niet allereerst welke mogelijkheden wij op een bepaald moment zien. De vraag is primair wat altijd en overal van Godswege onze roeping is en blijft.
Wij zullen nimmer afgescheiden kunnen zijn alleen maar in negatieve zin.
Dat zou separatisme zijn. We zullen het ook zijn in positieve zin, zoals De Cock het bedoeld heeft. Daarbij is het, zoals onze synode nog niet eens zo heel lang geleden heeft uitgesproken, de eerste vraag wat onze roeping is. Als we ergens anders beginnen zitten we altijd verkeerd.
In de bekering van een mens mogen wij nooit beginnen bij iets wat in die mens zou kunnen zijn. Ons grote bezwaar tegen Kuyper was, dat hij de wedergeboorte aan de roeping deed voorafgaan. Eerst moet een mens geroepen kunnen worden, eer hij werkelijk geroepen wordt: eerst moet hij wedergeboren zijn, anders is het niets gedaan. Wij wijzen dit terecht en hardgrondig af, wanneer het gaat om de bekering van een mens.
Maar wanneer het gaat om de bekering van een kerk redeneren we echt Kuyperiaans: er moet eerst een andere visie komen binnen de gemeente. En wij kruipen dan weg in een soort van kerkelijke lijdelijkheid; God moet eerst op dit punt een verandering tot stand brengen en dan eerst zal de roeping tot eenheid gehoord worden. De vraag is of wij dat werkelijk geloven. Eigenlijk is dat nog niet eens dé vraag. Want Gods roeping hangt niet af van ons geloof. Zij komt uit het welbehagen Gods voort tot schuldige mensen. En daarom moet zij worden gepredikt, ook al gelooft niet één, opdat door die prediking het geloof zou kómen.
Die roeping is er altijd. En zij is niet voor ons afhankelijk van de vraag of anderen haar horen.
Wanneer ik dit nu heel concreet toepas op de kerkelijke situatie van nu, is het zo klaar als de dag, dat wij hier in Nederland met spanning kijken naar het gebeuren van het Samen op weg, zoals dit zich afspeelt tussen de Gereformeerde Kerken en de Hervormde Kerk. Hoe men ook over deze beweging mag denken (het is ons na het vorige artikel duidelijk, dat we er helemaal niet zo positief over denken) een zeker voordeel zou er aan kunnen zitten. Er zou wat duidelijkheid kunnen komen in Nederland op het kerkelijke erf. Maar het zou geheel en al tégen het standpunt van de Acte van Afscheiding zijn, wanneer we bij dit alles lijdelijk bleven toezien. Het zou ook verkeerd zijn, wanneer wij onze houding daarin afhankelijk lieten zijn van de houding van anderen, bijvoorbeeld van de Gereformeerde Bond in de Hervormde Kerk. Het is beslist niet waar dat de Gereformeerde Bond de sleutel in de zak heeft van de kerkelijke situatie van alle gereformeerden in Nederland, zoals prof. Douma enkele jaren geleden eens terloops opmerkte op een bijeenkomst van het contactorgaan van de gereformeerde gezindte. Ik denk niet dat we prof. Douma op zo'n losse opmerking mogen vastprikken. Maar ik geloof nog minder dat we de Gereformeerde Bond in de Hervormde Kerk op deze manier de sleutel, of minder kerkelijk gezegd, de zwarte Piet, in handen mogen drukken, alsof onze roeping afhankelijk zou kunnen zijn van hún reactie op wat er vandaag gebeurt.
Voor ons allen blijft gelden wat de Acte van Afscheiding én de hartelijke Uitnoodiging aan' alle gereformeerden uit 1834 zegt. Neen, die Acte is geen belijdenisgeschrift, dat nog eens weer bij de drie formulieren komt. Maar zij heeft wel op een correcte manier weergegeven wat in critieke dagen de roeping blijft van allen die de Here in waarheid vrezen: Wij reiken de broederband en zoeken gemeenschap met alle ware gereformeerden.
Laten we daarmee vandaag beginnen, niet afwachtende wat ánderen over vier jaar eventueel eens zouden kunnen gaan doen. 't Is de vraag of we het beleven. We zouden ermee kunnen beginnen, met die vraag eens serieus aan de orde te stellen binnen het contactorgaan van de gereformeerde gezindte. En dan niet vanuit de mogelijkheden die wij zien, maar vanuit het besef, dat de roeping Gods, die van boven is, ook heilzaam en krachtig is. Bucer zegt ergens: God geeft nooit een gebod zonder dat Hij ook de kracht geeft. Waar zijn gebod is, daar is de kracht!
O, wat zou het een omkeer van alles in Nederland betekenen, wanneer allen die echt gereformeerd willen zijn, en die willen staan op de grond waarop onze vaderen stonden, wanneer die allen eens zouden beseffen hoezeer ze elkaar nodig hebben en hoezeer zij allen, niemand van hen uitgezonderd staan onder het Schriftwoord: geen mens zal scheiden wat God samenvoegt! Niet om met dat woord in de lijdelijke hoek te kruipen en te kijken wat anderen er van maken, maar om het te horen als een bevel en als een belofte, wét én evangelie, als een oproep tot onszelf om te zeggen: Broeder! Hier is mijn hand!

W. van 't S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 januari 1983

De Wekker | 8 Pagina's

Afscheiding of wederkeer (II)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 januari 1983

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken