Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Over geloof en wetenschap (III)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Over geloof en wetenschap (III)

8 minuten leestijd

Vrees of aanpassing?
In een vorig artikel probeerde ik te laten zien, dat de ontwikkeling van het menselijke denken en de ontwikkeling van het menselijke kunnen echt wel reden tot zorg gegeven hebben in de verhouding van geloof en wetenschap.
Deze keer probeer ik daar wat verder op in te gaan. Gedeeltelijk ben ik dan met dezelfde vragen bezig, die ook op de achtergrond stonden in de artikelenserie van ds. P. N. Ribbers, over de invloed van de moderne theologie op ons leven van vandaag. Het treft mij, dat ook elders, bv. in het weekblad „Opbouw" in de Nederlands Gereformeerde Kerken, steeds over soortgelijke zaken geschreven wordt. Begrijpelijk, want het raakt de toekomst van de kerk en de toekomst van de jeugd in de kerk.

Vrees
Er bestaat een vrees om zich veel, of teveel. met wetenschap bezig te houden. Bijna iedereen kent in zijn omgeving wel voorbeelden van mensen, die gestudeerd hebben en daarna naar een andere kerk gingen of zich helemaal van de kerk hebben afgekeerd. Eerder was een van de eerste gestudeerde mensen, met wie men in aanraking kwam, de huisdokter. En er waren maar heel weinig gelovige dokters. Er moet bij gezegd worden, dat in vroeger jaren alleen diegenen konden gaan studeren, die de studie zelf konden betalen. En bij vele welgestelden van vroeger stond de ware en trouwe dienst van God al niet zo heel hoog aangeschreven. De invloeden van de 18e en de 19e eeuw waren bij velen van wat vroeger „de hogere standen" heette al zo sterk geweest, dat een dicht bij de Schrift en de Here leven daar toen al niet zo heel vaak voorkwam.
Toen Paulus aan de gemeente in Corinthe schreef, zei hij al dat er weinig wijzen naar het vlees waren, niet vele invloedrijken, niet vele aanzienlijken. Onze kerken waren bijna geheel samengesteld uit „kleine luyden", zodat de gevaren van de wereld: de begeerte des vlezes, de begeerte der ogen en een hovaardig leven (1 Joh. 2:16) althans niet op die manier bij ons de grootste gevaren waren. En Paulus waarschuwde Timotheus, te bewaren wat hem was toevertrouwd en zich te houden buiten het bereik van de onheilige, holle klanken en de tegenstellingen der ten onrechte zo genoemde kennis (de valselijk genaamde wetenschap).
Het is daarom niet helemaal onbegrijpelijk, dat er nogal wat ouders geweest zijn en nog zijn, die ervoor terugschrokken, hun kinderen verder te laten leren.
We hebben intussen ook al wel eerder begrepen, dat de tegenstelling tussen geloven en weten een valse tegenstelling is. Het waren niet de Gereformeerden, die zich ertegen verzetten, zich bezig te houden met de dingen van het aardse leven, maar de Doopsgezinden. De Gereformeerden erkenden, dat de heerschappij van Christus zich over het gehele leven uitstrekt en daarom ook de roeping van de Christenen met alles van het geschapen leven te maken heeft. En de Dopersen waren het, die een tegenstelling tussen „natuur" en „genade" maakten en die wilden, dat de Christenen zich het liefst zouden terugtrekken in de eenzaamheid van de omgang van de ziel met God, of in de kleine kring van de wedergeborenen, en dat ze zich zo weinig mogelijk zouden bezig houden met het leven van alledag. Dus is het goed en niet kwaad, je te ontwikkelen en studie en bekwaamheden in de dienst van God te stellen, om dóór te leren en wetenschap op te doen.
Maar we namen ook iets anders waar. Niet helemaal ten onrechte vonden we sommige Gereformeerden, die heel vaak spraken over de Koningsheerschappij van Christus en die daar een voorname plaats bij innamen, wel eens wat gearriveerd en hoogmoedig. Er bestaan verhalen over professoren, die een naam in Nederland en daarbuiten hadden gemaakt, maar die evengoed heel nederige en ootmoedige christenen bleven. Maar het waren enige verhalen, die de indruk maakten een uitzondering te zijn. En dan ging je je toch afvragen: is het soms een wetmatigheid, dat meer te leren en meer te weten een gevaar betekent voor het ware geloof? is het dan toch maar beter om tegen je kinderen te zeggen: ga maar liever niet studeren, want je loopt grote kans om je geloof kwijt te raken?
Neen, dat is niet beter. Het is wel degelijk zo, dat de zeggenschap van onze Here Jezus Christus zich uitstrekt over alles wat God geschapen heeft. En het is volkomen terecht geweest, dat Calvijn er hard aan gewerkt heeft, dat de gereformeerde christenen dat overal zouden erkennen, waar zij maar in het leven stonden. Maar dat is voor hem niet een soort greep naar de macht geweest. Alle imperialisme was hem vreemd. Er is hem geweldig veel ten laste gelegd: hij zou de keiharde greep op een meedogenloze manier om het gehele leven gelegd hebben, en allen vervolgd hebben die het niet met hem eens waren. Hij zou het leven somber hebben willen maken; alle vreugde zou eruit verdreven zijn. Het woord „calvinisme" zou een scheldwoord worden in de laatste jaren. Allemaal volkomen ten onrechte. We moeten er niet aan meedoen.
Wat Calvijn uit de Schrift gelezen heeft, en wat hem helemaal bezielde, dat was een algehele overgave van ons leven aan de Here. Als Christus onze grote Verlosser is, wanneer Hij ons geworden is tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing (1 Cor. 1:30), dan heeft Hij ook recht op de totale toewijding van ons leven in zijn heerlijk Koninkrijk. En dat dat voor Calvijn niet betekende een steeds hoger klimmen op de ladder van de macht en de heerschappij, kunnen we zo vaak in zijn brieven lezen, zijn ontelbare brieven, wanneer hij mensen in hun vervolging steunt en de bemoediging van Gods trouw overbrengt, en wanneer hij zelf de dood vaak onder ogen heeft gezien, en er de totale afbraak van zijn eigen gezondheid en leven voor over heeft gehad.
Ik ga Calvijn niet in alles gelijk geven. Maar zijn bedoeling was de gehoorzaamheid, de toewijding van het leven aan de Here. En daar gaat het om, ook als we het over de wetenschap hebben.
Wat dat met zich mee zou brengen, daar kon Calvijn in zijn dagen nog geen idee van hebben. Evenmin als ouders dat vandaag weten, wanneer ze zelf een mindere ontwikkeling hebben dan hun kinderen zullen krijgen. Maar dat is helemaal niet erg, op één voorwaarde: dat in ons hart de vreze des Heren woont. Dat we God hebben leren nodig krijgen, en de genade van Christus hebben leren inroepen.
Dat is dus het ene nodige. Want als dat werkelijk doorwerkt, dan hebben we de basis ontvangen, waarop de Here beloofd heeft, dat Hij ons ontwijfelbaar verder zal leiden. En dan zullen we ons niet verharden maar laten leiden.
Ik zeg dat nu wel even zo eenvoudig, maar dat is nodig. Enerzijds om ons te troosten, wanneer we het allemaal geweldig ingewikkeld en moeilijk vinden en het gevoel hebben er niet tegenop te kunnen. Anderzijds om er ernstig op te wijzen, dat we geen enkele belofte van God hebben om ons door het leven te kunnen slaan of kinderen te kunnen opvoeden of tegen andere moeilijkheden te kunnen optornen, of te kunnen zeggen: dat mag wel en dat mag niet, of: dit is goed en dat is fout - als we ons hart niet in ootmoed en oprechtheid aan de Here gegeven hebben. Zo eenvoudig en zo ernstig liggen die dingen.
Zo ernstig is Calvijn begonnen. Door een plotselinge bekering heeft God mijn hart, dat voor mijn leeftijd al te zeer verhard was, tot gehoorzaamheid onderworpen, zo schrijft hij later. Hij was toen, in zijn jonge jaren, al vrij geleerd en had een goede toekomst. Maar de Here legde beslag op zijn leven. En zo ernstig ligt het voor ons. De ernstige inslag van onze kerken in vroegere jaren moest er in latere jaren toe leiden, dat we elkaar voor verstarring moesten waarschuwen. Een tweede en een derde generatie staat voor nieuwe mogelijkheden, maar ook voor nieuwe gevaren. Het willen nadoen van ouderen en het vasthouden aan situaties van vroeger kan gaan betekenen, dat we niet voldoende letten op de uitdagingen van vandaag en onvoldoende in rekening brengen, dat Jezus Christus gisteren en heden Dezelfde is, en tot in eeuwigheid. Laat u van zijn genade en van zijn roeping niet afbrengen, zegt de schrijver van de Hebreeënbrief.
Vrees, zette ik boven dit artikeltje. Vrees niet, zei de Here zo vaak. Vrees de vijanden niet en ontzet u niet. Vrees niet wanneer Ik u roep voor het onbekende.
Het is nodig, dat we elkaar waarschuwen en dat we elkaar bemoedigen. Alleen door het Woord. Alleen door genade. Alleen in de weg van het geloof. En dat is ook zo, als we het hebben over de verhouding van geloof en wetenschap.

Hoogeveen, K. Boersma

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 maart 1983

De Wekker | 8 Pagina's

Over geloof en wetenschap (III)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 maart 1983

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken