Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Persoons- en groepsconflicten in de gemeenten van Christus (Persoons- en groepsconflicten in de gemeente van Christus 5)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Persoons- en groepsconflicten in de gemeenten van Christus (Persoons- en groepsconflicten in de gemeente van Christus 5)

10 minuten leestijd

Wet en Evangelie
Het conflict waarvan sprake is in Hand. 15 heeft betrekking op de diepe vragen van wet en evangelie in hun onderlinge verhouding van verbondenheid en tegenstelling.
Van een sterke verbondenheid is sprake wanneer we deze twee naast elkander zetten. De wet is de norm voor het leven uit het evangelie. En het evangelie leert ons leven in de liefde, welke de vervulling is van de wet. Zo is het legalisme uitgesloten evengoed als het antinomianisme. Het legalisme verlaagt de wet tot een middel van dode vormendienst. Raak niet, smaak niet, roer niet aan. Men spreekt van uiterlijke wetsbetrachting. Het hart is er niet bij. En het leven verkilt en verstart onder de last van de geboden.
Maar het antinomianisme schuift de inzettingen radicaal ter zijde. Laten wij de zonde bedrijven opdat de genade te meerder worde - zo spreekt de vijandschap tegen de wet van God. En het evangelie raakt in de wetteloosheid en bandeloosheid verloren.
In de spanning van deze twee verkeert Gods kerk vanaf het begin. En niet zodra begon de kerk zich uit te breiden, of deze spanning groeide uit tot een conflict. Wij lezen ervan in het bekende hoofdstuk over het apostelconvent in Jeruzalem. De kerk heeft aan dit conflict haar eerste kerkelijke vergadering te danken. In Antiochië zijn Paulus en Barnabas teruggekeerd na hun eerste zendingsreis. In de gemeente aldaar hebben zij verslag gedaan van al wat zo is hun leer. En de onderhouding van de wet moet dan heel concreet worden op één punt: dat van de besnijdenis.
Het gaat hier, zo merkten we op, om de vraag van wet en evangelie. Men kan ook zeggen: om de verhouding van de kerk uit Israël en die uit de Joden. Om de vraag of er een aparte heilsweg is voor Israël en voor de heidenen. Of nog anders gezegd om de kwestie van de doop en van de besnijdenis. Of, ten diepste gezien de mens door genade alléén behouden zal worden, of door genade en iets anders er nog bij. Daarom ontstaat er geen gering verzet en tegenspraak van de kant van Paulus en Barnabas. Zij gaan fel in tegen deze farizese leer (Hand. 15:2). Twee woorden zijn het, die de scherpe verhoudingen tekenen binnen de gemeente: verzet en tegenspraak. Het komt tot een heftig dispuut over de strijdvraag, of en in hoeverre men zich moet houden aan de wet van Mozes. Er is een algemeen verlangen, om dit geschil uit te praten in de kring van de gemeente in Jeruzalem, die blijkbaar als een soort van moedergemeente werd beschouwd. Daarheen worden Paulus en Barnabas afgevaardigd. Maar wanneer de zaak daar ter sprake komt, ontstaat ook daar een felle discussie. Tegenover „de partij" van de Farizeeën hebben Paulus en Silas hun ervaringen te verdedigen. En zo staan in dit conflict de partijen werkelijk tegenover elkaar.

Conflictsituatie
We zetten nu alle woorden nog eens bij elkaar.
Verzet. Tegenspraak. Geschil. Verschil van mening. Bezien we de gebruikte uitdrukkingen dan blijkt het om een niet geringe zaak te gaan. Uitdrukkelijk stellen we vast, dat hier broeders tegenover broeders staan, gelovigen tegenover gelovigen. Ook de vertegenwoordigers van de partij der Farizeeën worden aangemerkt als gelovigen: Farizeeërs die gelovig geworden waren. Deze partijgangers (christenen uit de farizese haerenie, staat er letterlijk) verheugen zich niet over de bekering der heidenen, maar zij maken aanmerkingen op het feit dat ze niet besneden zijn. Dat moest immers? En daarbij moest men dan ook de hele wet van Mozes onderhouden.
Voorwaar een niet gering conflict: Maar toch een conflict tussen broeders! Beide partijen zijn gelovig. En beide partijen willen ook de broedernaam voorshands niet onthouden aan de anderen. Misschien dat juist daarom de conflictsituatie zo diep ingrijpt.
Broeders verzetten zich tegen broeders. Zij binden hun heftigheid niet in. Er heerst opwinding. Een felle discussie breekt los. Gelovigen spreken gelovigen tegen. Zij sparen daarin elkaar niet. Is er bij zulk een diepgaand geschil, bij zulk een ingrijpend meningsverschil nog wel een gevoel, een besef van broederlijke verbondenheid?
We moeten toegeven dat de woorden door de evangelist gebruikt zwaar geladen zijn. Het lijkt er in alles op, dat hier een muur wordt opgetrokken, althans zichtbaar wordt tussen broeders van hetzelfde huis. God is bezig om zijn tempel te bouwen. Joden en heidenen komen onder één dak. Zij worden bijeen vergaderd tot één volk. Zij zijn geroepen tot één hoop van hun roeping. Zij vormen samen één lichaam. Maar het lukt niet. En het schijnt te mislukken op een zeer wezenlijk punt. Wet en evangelie in hun spanningsvolle eenheid worden hier - zo lijkt het wel - uit elkaar gehaald en tegenover elkaar geplaatst.
Een kernvraagt ligt daarmee op tafel. Een vraag die het wezen van de christelijke leer en ook het geheim van het christelijke leven raakt. De christelijke leer is de vrije verkondiging van de vrije genade. Wat dit inhoudt leert ons de boodschap van Christus en van zijn apostelen. Het christelijke leven kan slechts opbloeien uit de hartelijke kennis van deze leer. Daar ontvangt het leven inhoud en stijl: vanuit het evangelie.
Niet vanwege geringe zaken stond men derhalve tegenover elkaar, weersprak men elkaar in dit verschil. Maar men deed dit als gelovige tegenover gelovige, als broeder tegenover broeder. En waaraan bemerken we dit? We mogen het afleiden uit de discussie. Ik bedoel veel meer uit het feit dat men discussieerde dan uit de wijze waarop men dit deed. Men kan nergens zo goed tegenover elkaar staan dan daar waar men onder broeders is, onder gelovigen, mede-gelovigen. De wereld kan niet discussiëren. Waar men elkaar heeft afgeschreven, daar is geen dispuut meer mogelijk. Men kan daar elkaar hooguit met woorden slaan en proberen uit te schakelen. Men plaatst geen argument tegenover argument, maar woord-projectielen schiet men op elkaar af.
In de kerk moet men kunnen luisteren. Hoevele conflicten zouden binnen de gemeente niet zulke geweldige afmetingen hebben aangenomen, als men de kunst van het luisteren had beoefend. Het is opvallend dat er in Hand. 15 veel wordt gesproken. Maar de „partijen" doen daaraan niet mee. Hun plaats blijft beperkt tot die van de luisteraars. Eerst neemt Petrus het woord. Hij constateert dat er in feite in de gemeente zoals deze zich vormt uit Joden en heidenen, geen verschil bestaat: door de genade van de Here Jezus geloven wij behouden te worden op dezelfde wijze als zij. Tegenover de eis van de wet staat de belofte van het evangelie. Zowel Jood als heiden kan slechts van het evangelie leven. In dit Petrus-woord gaat het om die zaak, waarbij alle conflicten eenvoudig verbleken. De tegenstelling tussen God en de zondaar is door de genade van Christus opgeheven. Zouden conflicten of tegenstellingen tussen mensen, tussen broeders daar niet ter zijde gesteld kunnen worden?
Na een rapportage van wat die genade vermag, zoals Paulus en Barnabas daarvan getuigen, neemt Jacobus het woord. Hij ziet de vervulling van Gods belofte in het oude testament, nu de heidenen zich bekeren. En hij besluit dat men de heidenen niet moet lastig vallen. Men moet het hun niet moeilijk maken. En zo komt Jacobus met wat in de ogen van de „partijen" wel een compromis moet lijken. Het „aposteldecreet" waarin sprake is van een zekere mate van onthouding, raakt het offervlees, het bloed, het verstikte en de ontucht. Argument is, dat in vrijwel elke plaats van betekenis een synagoge staat, waar men Mozes leest. Daarom mogen de eisen van de wet niet zo stuitend door christenen worden overtreden, dat daardoor kerk en synagoge volkomen van elkaar zouden vervreemden (Hand. 15:21).

Blijdschap over de vertroosting
Het eerste grote conflict, waarbij broeders tegenover elkaar stonden, is gelukkig heel goed opgelost. Het is geen schisma geworden, d.w.z. het kwam niet tot een breuk.
Waarom niet?
In de eerste plaats, omdat niemand dit wilde. Er zijn heel wat kerken verwoest, broeders en zusters uit elkaar gejaagd in de loop der eeuwen, omdat de vaste en sterke wil ontbrak om bij elkaar te blijven. Als men een breuk wil, dan komt die er.
Zou God dat niet tegenhouden? Zou Hij niet op een wonderlijke manier gespaard hebben voor scheuringen etc? Inderdaad mogen we dat geloven. Maar er staat ook niet voor niets dat God ons kan overgeven aan het goeddunken van ons boze hart. Dan laat God ons los. Hij geeft ons over aan . . . ons zelf. En dan is het verkeken. Daarom moet er bij ieder, die in een persoonlijk of in een groepsconflict terecht komt, de vaste wil zijn om bijeen te blijven. Dat is het eerste.
Maar het is niet genoeg. We kennen voorbeelden genoeg van een zeer tragische ontwikkeling, die in een gemeente kan plaats vinden. Broeders en zusters beginnen soms met de vaste wil om bijeen te blijven, wat er ook gebeurt. Maar men raakt soms in een beweging, die door zulke ongrijpbare machten gevoed schijnt te worden, dat het niet meer te stuiten is. Men bedoelt niet uiteen te gaan. Men begeert - zo lijkt het - niets vuriger dan bijeen te blijven. Maar het lukt niet. Of het lukt niet meer. Ieder woord dat gesproken wordt valt verkeerd. Men vertrouwt elkaar dan niet meer. Een bijna ongemerkte verstarring treedt op. Diep in het hart weet men dat het fout is. Maar men kan niet meer anders.
Niemand liegt opzettelijk. Maar men betrapt er altijd de ander op. Zichzelf niet? Drukte men altijd uit wat men bedoelde?
Hier ontbreekt vaak één ding. De ootmoed, die in staat stelt om te luisteren. En die gereed is om het beste te vernemen. Ja, men wil luisteren. Maar niet om te verstaan, maar om te vangen. Ik weet van telefoongesprekken, die in zo'n situatie op de band worden opgenomen. Men is dan niet een mens, die de waarheid zoekt. Maar men is een rechercheur geworden, die zijn eer stelt in het betrappen van de ander: „ik kan je de bewijzen laten horen".
Wie zou in gemoede nog durven aannemen, dat men niet vervreemd is van elkaar? O, laten we toch eerlijk naar elkaar luisteren, met de opzet om elkaars bedoeling te begrijpen. En laten we vooral samen luisteren naar het Woord van God. Dat leert ons Hand. 15.
Een derde zaak moet nog genoemd. In het besluit van het apostelconvent is sprake van blijdschap over een bemoediging. Liever vertalen we: vertroosting. Door het gemeenschappelijk luisteren is er een besluit gevallen, dat troost biedt. Niet voor niets staat er eerder: Het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht. Men heeft de zin van de Geest gezocht in het Woord van het evangelie. Die heeft men gezocht en gevonden. De Geest is de Trooster. Zijn licht in het Woord leidt tot troost en blijdschap van de gemeente. Zo is het conflict opgelost ofschoon de spanning nooit is verdwenen. Die kan alleen verdwijnen als partijen elkaar afschrijven. Dan blijft er zelfs geen partij, maar alleen een secte over.
Daar gaat alles recht-toe, recht-aan. Maar de Geest is er niet - hooguit een groeps-geest. Daarom: blijf met elkaar spreken - en naar elkaar luisteren in de gemeente van Christus, terwijl de een de ander uitnemender acht dan zichzelf.

W. van 't S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 maart 1983

De Wekker | 8 Pagina's

Persoons- en groepsconflicten in de gemeenten van Christus (Persoons- en groepsconflicten in de gemeente van Christus 5)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 maart 1983

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken