Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Over geloof en wetenschap (VI)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Over geloof en wetenschap (VI)

6 minuten leestijd

Creationisme
Deze term wordt graag gebruikt door diegenen, die tegenover het wijdverbreide evolutiegeloof de schepping door de Almachtige God handhaven en toch wetenschappelijk werken willen.
in het vorige artikel heb ik de termen „openbaring" en „informatie" van elkaar willen onderscheiden. Met te zeggen, dat de Schrift niet gegeven is om ons informatie te verschaffen, beweer ik niet, dat de Schrift ineens niet meer historisch en cultureel betrouwbaar zou zijn. Ik heb alleen willen aangeven, dat ze op een ander niveau, op openbaringsniveau ligt.
Creationisme is een woord, dat verschillend gebruikt kan worden. Je kunt het weergeven met: een wetenschappelijk bezig zijn, dat van de schepping (creatie) uitgaat.
Toen in 1956 het bekende boek van dr. J. Lever, „Creatie en Evolutie", uitkwam, noemde Lever, die wel een geschapen evolutie aanneemt, zichzelf creationist. Op die manier zijn creationisten wetenschapsmensen, die van een door God geschapen en in alle dingen gestuurde evolutie uitgaan.
Later, en zo komt men het tegenwoordig het vaakste tegen, werd de term „creationisme" gebruikt door wetenschapsmensen, die zich met alle kracht tegen de gedachte van evolutie keren, die van het „scheppingsmodel" uitgaan en dat zo eenvoudig mogelijk willen houden.
In 1965 gaf dr. H.J. Flipse zijn boek „Gods wereldplan en de evolutie" en daarin gaf hij uitgebreide verklaringen, waarbij hij alle mogelijke geologische en biologische veranderingen invoegde in de bewoordingen van Genesis 1, dat hij dan ook op zijn eigen manier uitlegde.
De creationisten, die men tegenwoordig in Nederland het meeste tegenkomt, leggen de accenten anders. Ik denk hier aan kringen van de Evangelische Hogeschool en het blad „Bijbel en wetenschap". De mening, die hier het meest naar voren wordt gebracht is, dat de zondvloed geweldige veranderingen teweeggebracht heeft, niet alleen in de aardkorst, maar ook op biologisch gebied. Daar behoort dan wel bij de overtuiging, dat de zondvloed zich over de totale aarde heeft uitgestrekt. In 1970 werd het bekende boek „De zondvloed in het licht van de Bijbel, de geologie en de archeologie" van de Amerikaanse professor Alfred Rehwinkel in Nederland uitgegeven. Hij plaatst de geweldige reuzenreptielen als de brontosaurus en de tyrannosaurus in de tijd tussen Adam en Noach en denkt, dat het een wereld was, verrukkelijk door een gelijkmatig klimaat van lente-achtige lieflijkheid zoals van het Paradijs.
We zien, dat het bij een zgn. bijbelgetrouwe voorstelling van zaken evenzeer mogelijk is om tot fantasieën te komen als bij wat men dan wil bestrijden in de evolutieleer. En exegetisch staat nog helemaal niet vast, of de zondvloed zich wel over de gehele aardbol heeft uitgestrekt.
Nu lijkt het wel, alsof ik de indruk wil wekken, dat ik een diepgaande studie gemaakt zou hebben over vele boeken en vraagstukken, die met de vroegste geschiedenis van de aarde en de mensheid te maken hebben. Dat is natuurlijk niet zo. Ten eerste is het mijn vakgebied niet en kan ik allerlei natuurwetenschappelijke verhalen en meningen niet toetsen. Ten tweede zou het erg veel tijd kosten om mij er echt in te verdiepen en meningen en publikaties tegenover elkaar af te wegen.
Daarom wil ik terugkeren tot de vraag, of mensen van het vak eerlijk willen zijn in hun publiceren. Want van het grootste belang is het, te weten wat er wetenschappelijk vaststaat en wat er hypothese is, mening, veronderstelling. Reeds prof. dr. H. Bavinck, die in zijn Gereformeerde Dogmatiek omstreeks 1910 uitgebreid en voorzichtig over deze dingen schreef, zei, dat de Schrift en de theologie van de feiten, door geologie en paleontologie aan het licht gebracht, niets te vrezen heeft. Hij voegde eraan toe: Ook de wereld is een boek, waarvan alle bladzijden door Gods almachtige hand zijn geschreven. De strijd ontstaat alleen daardoor, dat zowel de tekst van het boek der Schriftuur als van dat der natuur dikwijls zo slecht gelezen en verstaan wordt.
De theologen gaan hier niet vrij uit, en hebben dikwerf in naam niet van de Schrift, maar van hun eigen onjuiste opvatting de wetenschap veroordeeld (Bavinck, Geref. Dogmatiek, deel II, par. 275).
Over „de twee boeken" verwijs ik graag nog naar hetgeen ik hierboven schreef.

Harmonie
Van alles wat er over de verhouding van geloof en 'natuurwetenschap geschreven is, geef ik de voorkeur aan het boek „Harmonie tussen bijbel en natuur" van dr. W. den Otter, in 1976 uitgegeven bij Oosterbaan & le Cointre in Goes.
Hij schrijft b.v.: „Bijbelse gegevens over de natuur horen niet tot de natuurwetenschappelijke gegevens, omdat zij niet langs experimentele weg verkregen zijn". „De Bijbel geeft wel een visie op de natuur: de natuur is geschapen, er is doelgerichtheid, er is regelmaat in de natuur, de natuur wordt door God in stand gehouden en, tenslotte, deze natuur is tijdelijk." Op een heel fraaie manier laat Den Otter zien hoe in Ps. 104 de schepping wordt bezongen, in vergelijking met Gen. 1. Heel belangrijk van dit boek vind ik, dat er niet in gefantaseerd wordt, dat er eerbiedig naar de Schrift geluisterd wordt en dat er nuchterwetenschappelijk gesproken wordt.
Op een bepaald moment komt hij tot de uitspraak: „Als natuurwetenschapper (ik schrijf niet: als gelovige) beschouw ik de gedachte van schepping en de gedachte van de evolutie als gelijkwaardig. Beide behoren niet tot de natuurwetenschappen, want over geen van beide kan natuurwetenschappelijk onderzoek in een herhaalbaar experiment gedaan worden. Beide, schepping en evolutie, zijn religieuze begrippen." (blz. 151). Duidelijk laat hij ook als feiten spreken, dat de paleontologie ons wèl laat zien, welke levensvormen in welke geologische tijdperken tegelijkertijd of na elkaar bestaan hebben, maar dat ze ons nooit laat zien en ook nooit kan laten zien, dat er levensvormen uit elkaar ontstaan zouden zijn. „Wanneer dit alles door louter toeval zou gebeuren - dat is wat de meeste aanhangers van de evolutie menen - dan wordt ons geloof in de evolutie op een onhoudbare wijze op de proef gesteld. Iets anders zou het zijn wanneer men van mening zou zijn, dat dit hele proces gedacht, uitgevoerd wordt door een almachtige God. Er is echter niets dat werkelijk bewijzend is voor een moleculaire en een biologische evolutie." (blz. 159). „De erkenning van deze insiders dat evolutie onbewijsbaar of onbewezen is, is veel belangrijker dan het oordeel van de talloze ondeskundigen, die klakkeloos aanvaarden dat de evolutietheorie, bewezen is." (blz. 162).

Hoogeveen, K. Boersma

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 april 1983

De Wekker | 8 Pagina's

Over geloof en wetenschap (VI)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 april 1983

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken