Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het hart van Luthers theologie (Uit de gemeenschappelijke verklaring VI)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het hart van Luthers theologie (Uit de gemeenschappelijke verklaring VI)

9 minuten leestijd

Kennis van God en van de mens
Eerst daar waar God en de mens elkaar werkelijk ontmoeten, ontstaat de echte theologie. Daarom kan men terecht zeggen dat het hart van Luthers theologie klopt in de rechtvaardiging van de zondaar voor God. In heel Luthers denken en handelen komt het altijd weer op dit punt uit. „Wij besluiten dan dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet. Door het geloof alleen", vertaalde Luther. Het was de doorbraak van het evangelie, die plaats vond toen Luther dit ontdekte. En daarmee was de mens voor God gesteld, en mocht hij leven uit genade.
Maar nu dit duidelijk is, kunnen we verder stellen, dat hier, op dit punt God en mens elkaar ook werkelijk ontmoeten. Déze God, die uit genade zondaren aanneemt. En déze mens die uit genade gerechtvaardigd wordt. Rondom dit centrum groepeert zich heel de theologie van Luther. Luther begint niet te denken vanuit de schepping, om dan vervolgens naar het kruis de blik te richten en dat kruis in zijn noodzakelijkheid en heerlijkheid te prediken. Hij begint ook niet te denken vanuit het einde, zodat vanuit het einde, het eschaton alles duidelijk wordt. Hij denkt vanuit de ontmoeting tussen de genadige God en de zondige mens.
En hier pas begint voor hem de echte theologie. Daardoor is het thema van de theologie voor hem bepaald. Zij geeft geen leer omtrent God - wie Hij is In Zichzelf. Zij produceert ook geen beschouwingen omtrent de mens in zijn kunnen en vermogens. Neen, Luther spreekt vanuit de relatie, die hij zelf mocht ervaren als een genadige daad van God aan hem, over God en de mens - in één adem. En dát spreken was ingegeven door de adem van de Geest. De mens in Luthers theologie is de mens die schuldig is, zondaar, verdoemelijk: de mens die gerechtvaardigd moet worden. En hij spreekt over God als de God, die de zondaar kan en moet veroordelen, maar die ondanks alles de mens vrijspreekt en doet leven. Daarmee heeft Luther het thema aangegeven, dat dóór zou klinken in heel de reformatorische theologie. Het werd overgenomen door Melanchthon, Zwingli, Bucer en Calvijn. De laatste heeft er in de klassieke inzet van zijn Institutie klaar en duidelijk uitdrukking aan gegeven: „De hoofdsom van zo goed als al onze wijsheid, die men eerst recht voor ware en vaste wijsheid mag houden, bestaat uit twee delen: de kennis Gods en die van onszelf". De theologie zou goed doen zich deze voluit reformatorische thematiek blijvend te herinneren.

Kennis Gods in Christus
Op verschillende manieren heeft Luther er altijd weer aan herinnerd dat buiten Christus geen kennis van God is. „In Christus de gekruisigde, is de ware theologie en kennis Gods". Of nog korter: „Het kruis van Christus is de enige onderwijzing in de woorden van God en de meest echte theologie".
Deze volstrekte concentratie op Christus beheerst heel het denken van Luther. De rechtvaardiging van de zondaar is vrucht van het kruis. Daarom moeten we ook altijd bij Christus beginnen. „Kortom, zij allen, die het artikel van de rechtvaardiging niet kennen, verdrijven Christus, de Verzoener uit het midden".
Luther heeft de belijdenis van de vroege kerk omtrent Christus zonder meer overgenomen ofschoon er in latere tijd (de avondmaalsstrijd) wel een paar bijstellingen plaats vonden. Maar terwijl Luther de oudchristelijke belijdenis overnam plaatste hij haar geheel en al in het kader van zijn theologie. In Christus komt Gód tot ons. In die zin is Luthers spreken een spreken „van boven af".
Daarom is ons geloof in Christus pas goed en waarachtig geloof, wanneer het in Hem ook werkelijk Gód ontmoet. De duivel wil ons wel toestaan om in Jezus te geloven, als we maar niet verder gaan. Maar voor Luther geldt dat men dan pas ver genoeg gaat, wanneer men in Jezus Gód ontmoet. Christus is de Heer Zebaoth. Een andere is er niet. Wie Hem ziet, ziet de Vader. Want Hij is door de Vader gezonden. In dit „van boven af" klopt de rijkdom van het evangelie, de kracht van de verzoening.
Maar de wijze waarop wij in de verzoening delen is altijd „van onderen op". Dat wil zeggen, dat wij niet in de hemel moeten beginnen met onze gedachten, maar op de aarde.
„De christelijke ware theologie begint niet met God in zijn majesteit . . . maar met Christus, die uit de maagd werd geboren, met Hem als deze Middelaar en Hogepriester . . . Begin daarom daar waar Hij zelf begonnen is, n.l. in de schoot van de maagd, in de kribbe, aan de borst van zijn moeder. Daartoe is Hij n.l. neergedaald, is Hij geboren, wandelde onder de mensen, heeft geleden, werd gekruisigd en is gestorven opdat Hij zich op alle manieren in ons oog zou inprenten en de ogen van ons hart op Zich zou richten". Christus is de ladder van Jacob. God buigt Zich daar „van boven af" naar ons over, opdat wij „van onderen op" omhoog zouden stijgen. Zo leren wij God kennen in de gekruisigde Christus en in Hem alleen.

Theologie van het kruis
Luther heeft alle aandacht gevraagd voor het kruis. Daarin is in de meest ware zin van het woord de echte theologie. Daar heeft God zich in het lijden verborgen. Bekend is in dit verband een stelling uit de disputatie, die Luther in 1518 in Heidelberg hield. „Hij verdient met recht de naam van theoloog, die datgene wat van God zichtbaar is en zijn tot ons gekeerde rugzijde, in lijden en kruis aanschouwt en begrijpt". Wij leren God kennen in zijn mensheid, zijn zwakheid, zijn dwaasheid, datgene waarvan 1 Cor. 1:25 spreekt: de goddelijke zwakheid en dwaasheid. God heeft het daarheen geleid, dat Hij door het lijden gekend zou worden. Wij kunnen God in zijn majesteit en heerlijkheid niet kennen, slechts in de nederigheid en de schande van het kruis wordt Hij openbaar. Deze dingen plaatst Luther tegenover de z.g. theologie van de heerlijkheid. Met de laatste bedoelt hij: dat denken over God, dat probeert door te dringen tot in zijn Wezen: wie is God in Zichzelf. Dit denken is vrucht van lege en ijdele speculaties, bespiegelingen, die de mens in zijn nood niet helpen. De school-theologie van de middeleeuwen was daarvan vol. Maar deze theologie wist van de toorn van God niet en zij joeg de mensen in de werkheiligheid. De mens verkoos de werken boven het lijden, eer en heerlijkheid boven het kruis. Christus werd daarin niet geëerd. Tot het kruis roept Luther nu terug. In de eerste plaats, omdat hier de verzoening alleen is te vinden. Christus tot zonde gemaakt voor ons opdat wij gerechtigheid Gods zouden zijn in Hem. Om die verzoening gaat het. De rechtvaardiging van de zondaar staat daarmee op het spel. Maar Luther spreekt - in de tweede plaats zij het genoemd - ook nog op een andere manier over het kruis. Hij spreekt over het lijden in het meervoud. Het lijden van Christus en dat van de zijnen vallen niet samen, maar ze zijn wel op elkaar betrokken. De christen leert door het lijden heen, ja midden in het lijden de kracht van het kruis van Christus verstaan. Zo valt er niet alleen licht op het eigen kruis, maar zo wordt ook de kracht van de verzoening ervaren. Een echte theoloog wordt men slechts door gebed, door meditatie, maar vooral door de aanvechtingen, waarmee de kinderen van God te maken krijgen. Het leven uit de rechtvaardiging is een permanent bestreden zaak. Maar zo komt het tot de ervaring, dat God genadig is en blijft: in Christus.

Theologie „achteraf"
God openbaart ons in het kruis slechts de naar ons toegekeerde rugzijde, zijn „posteriora". Luther maakte in de zojuist vermelde disputatie een toespeling op de geschiedenis van Mozes, die begeerde Gods heerlijkheid te mogen zien. Het is opmerkelijk hoe vaak in Luthers werken Gods antwoord op die vraag klinkt: Geen mens zal Mij zien en leven. Dit woord heeft zich diep in Luthers ziel gegrift. Wij kunnen Gods heerlijkheid niet aanschouwen zonder te moeten sterven. Alle echte theologie is daarom voor Luther „theologie achteraf".
God heeft Mozes een plaats in de rotskloof gegeven. En Hij riep zijn Naam uit. Ons kan slechts gepredikt worden wie God is. En Hij is voorbijgegaan „in Christus". In de echte theologie kennen we geen „apriori", geen vooruitzien in de heerlijkheid Gods. Wij kunnen slechts na-zien. Christus is onze plaats waar we kunnen staan. Zijn wonden bieden beschutting. Luther heeft die gedachten uitgewerkt in een preek over Ex. 33. Daarin spreekt God tot Mozes van het evangelie. Dit evangelie is de rots, waarop we kunnen en mogen staan. Nergens anders dan in het Woord der belofte openbaart God Zich. Duidelijker nog is de verwijzing naar Christus in Luthers uitlegging van de laatste woorden van David. Wat Mozes vraagt aan God, vraagt hij niet als privé persoon, maar als bemiddelaar. En Christus openbaart de kracht der verzoening, doordat de HERE aan Mozes voorbijgaat. Luther legt de tekst nu uit zo, „dat God terwille van de toekomstige Rots, Christus, het volk, dat onder de wet was, beschut en bewaard heeft". Christus is gestorven en opgestaan. De mensheid van Christus is de naar ons toegekeerde rugzijde van God, waardoor wij Hem kennen in dit leven, totdat we daar komen, waar we van aangezicht tot aangezicht zijn heerlijkheid zullen zien.
Zó had Luther reeds in zijn colleges over de brief aan de Romeinen gezegd: Voor ons bieden de wonden van Jezus Christus, de beschuttende kloof in de rots voldoende zekerheid. In Hem openbaart God zich aan ons. Dat is: de naar ons toegekeerde rugzijde. Straks van aangezicht tot aangezicht.
Wat Luther hier zegt stempelt ook zijn visie op heel het leven van het geloof. Jacob zag „achteraf" dat het de Here was die hem zegende. Hagar zag „achteraf" dat de engel des Heren haar en haar kind het leven redde. Jozef zag „achteraf" wat Gods bedoeling was. En een kind van God ziet pas „na dezen" wat ten diepste het nut van de aanvechtingen is geweest.
Zo blijft het leven van het geloof verbonden aan het centrum van de theologie: de gekruiste Christus. Maar in zijn wonden is een plaats om voor God te bestaan, totdat het geloof aanschouwen wordt.
Elke theologie die van dit middelpunt vliedt en „op de voorhand" wil leven mist de kracht van de levenswortel. Geen betere herdenking van Luther is mogelijk dan die gepaard gaat met de vaste wil om hier te staan.

W. van 't S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 november 1983

De Wekker | 12 Pagina's

Het hart van Luthers theologie (Uit de gemeenschappelijke verklaring VI)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 november 1983

De Wekker | 12 Pagina's

PDF Bekijken