Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Schotse verbondsleer (V)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Schotse verbondsleer (V)

8 minuten leestijd

Nog eenmaal willen we onder dit thema wijzen op de grote moeilijkheid waarin men komt, wanneer de belofte van het verbond wordt onderscheiden van de beloften van het evangelie. Ik meen, dat de centrale gedachte van het boek van ds. C. Harinck hier gezocht moet worden. Daarbij ben ik van oordeel, dat de weergave van de verbondsleer vanaf Calvijn via de Schotse theologie naar de uitspraak van de synode van de Gereformeerde Gemeenten in 1931 op zijn minst erg eenzijdig is. Maar deze gehele kwestie, die historisch van aard is, laat ik nu liever rusten opdat we ons er te gelegener tijd des te beter aan kunnen wijden.

De kern van de zaak
Voor ds. Harinck ligt de kern van de zaak in het onderscheid dat gemaakt moet worden tussen de verbondsbeloften en het evangelie, of tussen de grote belofte van het verbond en de grote belofte van het evangelie. De verbondsbeloften behoren tot het terrein van het wezen van het verbond. Het aanbod van genade behoort tot de verkondiging of bediening van het verbond in en door het evangelie (blz. 120). De grote belofte van het verbond leest ds. Harinck, terecht, in Jer. 31:33: „Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt de Heere: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn."
Ik neem hier nu verder over wat ds. Harinck ter toelichting schrijft: „Deze belofte geldt het verborgen lichaam van de kerk, de uitverkorenen. Hier vinden we het wezen van het verbond der genade beschreven. God verzegelt deze belofte wel aan het zichtbaar lichaam van de kerk in hun kinderen. De kinderen worden immers gedoopt op dezelfde beloften als waarop de kinderen der Israëlieten werden besneden. Maar God zegt niet tot ieder gedoopt kind: Ik verbind Mij plechtig u een nieuw hart te geven. De doop is allereerst een sacrament voor de gemeente. In Rom. 9:6,7 wordt ons duidelijk geleerd, dat niet alle gedoopten kinderen der belofte zijn. Gods vrijmacht regeert hier."
Naast deze grote belofte van het verbond is er nu ook, zo schrijft, ds. Harinck een grote belofte van het evangelie. We vinden deze in de Dordtse Leerregels, II, 5. „Voorts is de belofte des evangelies, dat een iegelijk, die in de gekruisigde Christus gelooft, niet zal verderven, maar het eeuwige leven hebben; welke belofte alle volken en mensen, tot welke God naar Zijn welbehagen Zijn evangelie zendt, zonder onderscheid moet verkondigd en voorgesteld worden, met bevel van bekering en geloof."
Ds. Harinck tekent hierbij aan: „De aanbieding van het evangelie en de beloften waarin die aanbieding is vervat komen tot alle hoorders van het evangelie. Hier geldt het steeds terugkerende: „Een iegelijk".
Wanneer we deze twee grote beloften naast elkaar plaatsen, is het wel duidelijk, dat zij beide van hetzelfde heil en dezelfde Zaligmaker gewagen, maar op verschillende wijze. De verbondsbelofte spreekt van: „Ik zal geven", n.l. aan Mijn uitverkorenen. De evangeliebelofte spreekt van „een iegelijk die gelooft", n.l. die allen en die alleen. We mogen dus beloften en aanbod niet vereenzelvigen." Met dit laatste zal ds. Harinck waarschijnlijk op zijn standpunt bedoelen dat we de beloften van het verbond der genade niet mogen vereenzelvigen met het aanbod van genade. In het aanbod van genade komt, naar zijn zienswijze, de genade tot alle hoorders. In de verbondsbelofte gaat het alleen om de uitverkorenen.
Bij de eerste gaat het ook om de eis, om de voorwaarde van geloof en bekering. Bij de laatste gaat het om een belofte, die onvoorwaardelijk van Gods kant alleen doelt op de uitverkorenen.

Altijd nog actuele kwestie?
De zaak die in de uiteenzettingen van ds. Harinck aan de orde is, en die hij met kracht verdedigt leeft blijkbaar nog steeds binnen de Gereformeerde Gemeenten. Het laat zich nauwelijks denken, dat dit boek anders zou zijn geschreven. Op de laatste synode der Gereformeerde Gemeenten diende een bezwaarschrift, dat op deze zaak betrekking had. Ds. A. Moerkerken schreef niet lang geleden een zestal artikelen in De Saambinder, het blad van deze kerkformatie, over het onderscheid tussen het aanbod van genade en de beloften des verbonds. In 1979 reeds publiceerde hij een reeks artikelen over de uitspraken van de synode van 1931 inzake het verbond der genade, welke studies werden gebundeld in 1979. In de artikelenreeks, die onlangs in De Saambinder te lezen was, kwam ds. Moerkerken tot dezelfde gedachten als ds. Harinck. Wellicht spreekt hij zelfs nog wat meer terughoudend over de aanbieding, hij huivert om te spreken over een algemene aanbieding, en ook in sommige andere opzichten is hij wat minder gul. Sterker, zo lijkt het me toe, legt hij nog een accent op de verkiezing.
Toch mag men aan ds. Moerkerken niet ontzeggen, dat hij ernstig poogt om een zeker evenwicht te handhaven tussen een te ruime en een te enge prediking. In zijn laatste artikel schrijft hij daarover bij wijze van samenvatting: „Afrondend kunnen wij zeggen, dat dit de leer onzer gemeenten ten aanzien van deze zaken is, dat er een principieel onderscheid is tussen de beloften des verbonds, door God de Vader van eeuwigheid gedaan aan Christus en Diens uitverkoren Kerk enerzijds, en het aanbod van genade of de Evangelieprediking, waarin de ernstige aanbieding van Christus en de verbondsweldaden geschiedt, anderzijds. Zó alleen wordt het schriftuurlijk evenwicht bewaard. Elke eenzijdigheid heeft hier ernstige gevolgen. Daar is een eenzijdigheid waarbij in de prediking het Evangelie aan Gods verkorenen wordt gebracht, terwijl voor de onbekeerden slechts het oordeel rest. . . En daar is anderzijds een eenzijdigheid waarbij in de prediking (vergeef mij de uitdrukking) Gods beloften te grabbel worden geworpen, de noodzakelijkheid van het voor Christus plaatsmakende werk schier verzwegen wordt en de doodstaat van de mens zo niet verzwegen, dan toch node genoemd wordt. Alle hoorders worden dan opgeroepen „werkzaam met Gods beloften te zijn" op die belofte „te pleiten", maar dat de Heere er zijn volk eens radicaal buiten zet, zodat er niets meer te pleiten, doch slechts een eeuwige rampzaligheid naar recht te wachten is, schijnt een vergeten hoofdstuk in de orde des heils. . . De Heere beware ons voor een afdolen ter linker- of ter rechterhand en richte onze voeten op de koninklijke weg!"
Blijkbaar is ds. Moerkerken van mening, dat men een uitgebalanceerde positie kan bereiken door het onderscheid te handhaven tussen het aanbod van genade en de beloften van het verbond. Hij wil niet een prediking van het evangelie aan de uitverkorenen alleen. Hij wil ook niet een belofteprediking, waarbij ieder wordt opgeroepen om met die belofte werkzaam te zijn. Hij wil een tussenweg, een koninklijke weg.
Nu moet ik bekennen, dat ik van zulke middenposities op zichzelf niet zo onder de indruk ben. De koninklijke weg is de weg van de souvereine Vorst, die niet aan onze uitgebalanceerde formules gebonden is.
Profeten plegen zich ook niet toe te leggen op evenwichtige uitspraken, maar op krachtige, die blijk geven van liefde en Geest. Daarom kan ik ook niet onder de indruk komen van alle formules die kerkelijk Nederland heeft gehanteerd om „aan alle aspecten recht te doen".
Ik denk aan de formule van 1905, aan de vervangingsformule uit en na de oorlogstijd en ik denk ook aan de formule die hier in geding is, die van 1931, die een scheiding brengt die de Schrift niet kent, die in de prediking niet functioneren kan en die berust op een eenzijdigheid van zo grote omvang, dat men haar in de geschiedenis van de gereformeerde theologie slechts zelden tegenkomt. Of is het geen eenzijdigheid, om te stellen, dat het verbond der genade, dat Christus besloten heeft toen Hij uitriep: Het is volbracht, opgericht is met Christus als plaatsvervangend verbondshoofd van alle uitverkorenen? Is het geen eenzijdigheid, om, waar de Schrift in de allermeeste gevallen spreekt van een oprichten van het verbond in de tijd, nochtans de hele verbondssluiting over te brengen naar de eeuwigheid? Ik begrijp wel waarom men die heeft gedaan. Het was een eenzijdigheid, die geboren was uit een radicale behoefte om uitdrukking te geven aan het „buiten onszelf", waar wij onze zaligheid hebben te zoeken. Men had daarvoor een aanvaardbare reden. Maar de aanvaardbaarheid van deze réden maakt de eenzijdigheid op zichzelf nog niet aanvaardbaar van een systeem dat het gebeuren in de tijd relativeert.
Men kan nu ook verstaan, waarom ds. Kersten indertijd, en waarom ds. Harinck en ds. Moerkerken vandaag zo in de weer zijn met de Schotten en met de Westminsterconfessie. Ik spreek ook nu nog niet over de historische kant van de zaak, maar vestig de aandacht op het feit, dat men voor deze verbondsopvatting zich sterk moet maken met geschriften, ja zelfs met belijdenisgeschriften, waaraan wij ons niet verbonden hebben in Nederland. De predikanten die kerken dienen in Nederland, en die trouw hebben beloofd aan de belijdenis, hebben zich verplicht tot trouw aan de Ned. Geloofsbelijdenis, de Catechismus en de Dordtse Leerregels. Meer niet. En in deze geschriften vindt men geen spoor van een verbond, dat in eeuwigheid is opgericht met Christus als representerend verbondshoofd van de uitverkorenen. Het was gevolg van ontwikkelingen binnen de Engelse en Schotse kerkgeschiedenis, die na Dordt plaats vonden. Maar ons eigen Nederlandse kerkelijke leven vond zijn fundament in de formulieren van enigheid. Daaraan zijn we gebonden. Daarop mogen we elkaar aanspreken. En daaraan hebben we, indien de noodzaak het vereist, ook de formuleringen van de synode der Gereformeerde Gemeenten te toetsen.

W. van 't S.

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 november 1986

De Wekker | 12 Pagina's

Schotse verbondsleer (V)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 november 1986

De Wekker | 12 Pagina's

PDF Bekijken