Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Prediking en bevinding (II)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Prediking en bevinding (II)

8 minuten leestijd

Het Woord van God spreekt over God én over de mens
Dit is uiteraard een zeer principiële en fundamentele vraag. Het gaat er nu om wat het Woord van God eigenlijk is en wat het Woord van God met mensen wil.
Het is niet zo dat in de Bijbel alleen over God gesproken wordt. In de Bijbel wordt ook over mensen gesproken, en dan over de relatie van God tot mensen en van mensen tot God. Het Woord van God is dan ook niet een Woord dat alleen maar over God spreekt, maar dat ook over mensen en tot mensen spreekt. We treffen zowel in Oud als in Nieuw Testament voortdurend weer aan dat God met mensen bezig is, wij komen mensen tegen die antwoorden op het spreken van God. We ontmoeten in de Bijbel mensen die hun bevindingen verwoorden. Zij spreken in geloof, maar soms ook in wanhoop. Zij prijzen God omdat Hij aanwezig is. Soms klagen ze dat ze God kwijt zijn en Hem niet kunnen vinden. Zij bidden om onderwijs van de Heilige Geest. Zij vragen of de Here hun Zijn weg wil wijzen. Zij zijn in gesprek, soms ook in gevecht met God. Zij zoeken God en soms ontvluchten zij God. Zij hopen op God en soms klagen ze over God tot God. In elk geval ontmoeten we in de Bijbel de mens met zijn bevinding.
Uit dat alles mogen we zeker de conclusie trekken dat preken niet alleen kan zijn een woord over God tot de mens spreken. Preken is het heilswoord van God dat voor de mens bestemd is, aan de mens overbrengen. Preken is, om het met de woorden van Paulus uit Handelingen 20 te zeggen, de volle raad van God verkondigen. Het gaat erom dat de mens tot geloof in God komt en uit dat geloof leeft.
Wil het zover komen, dan moet er wat met de mens gebeuren. De Bijbel maakt ons duidelijk dat wij mensen van God zijn afgevallen en Hem de gehoorzaamheid geweigerd hebben, waarop Hij recht heeft. Er is een breuk tussen God en de mensen ontstaan. En van ons mensen uit kan die breuk niet geheeld worden. Wij zijn niet in staat de kloof te overbruggen. Dat is alleen mogelijk, als God daarvoor het initiatief neemt. Het initiatief van Zijn genade. En het evangelie in de bijbelse boodschap is, dat God dat initiatief genomen heeft. Hij is daarmee begonnen in het paradijs door Adam en Eva ter verantwoording te roepen. Zij hebben goed begrepen dat zij ter verantwoording geroepen werden, want zij vluchtten weg van voor Gods aangezicht, toen ze Hem hoorden komen. God heeft hun ook de moeder van alle beloften in de Bijbel gegeven, dat is de belofte dat het vrouwenzaad geboren zal worden. Daarin horen wij de komst van de Here Jezus aangekondigd, al in het paradijs. Heel Israëls geschiedenis is volvoering van de belofte aan Adam en Eva in het paradijs gedaan. Die geschiedenis loopt dan ook uit op de geboorte van de Here Jezus Christus in de kerstnacht. Het evangelie van Jezus Christus bevat de boodschap van vergeving van de schuld en van de vernieuwing van het leven. Redding en verlossing als trefwoorden van het evangelie zien dan ook op het herstel van de rechte relatie met God. En dat herstel houdt in het wegdoen van de schuld maar ook de verandering van het hart. Beide zijn nodig. En beide horen bij elkaar. Calvijn heeft hierover zo prachtig geschreven toen hij de eenheid van rechtvaardiging en heiliging benadrukte. In het Woord van God wordt dus ook gesproken over wat er met de mens moet gebeuren en wat God met de mens wil doen.

Het werk van de Geest in de prediking
Zojuist heb ik getracht vanuit het karakter van het Woord van God duidelijk te maken dat er voor de mens met zijn bevinding een wettige plaats is in de prediking.
We kunnen dat ook nog op een andere manier doen.
Dan wijzen wij erop, dat de prediking trinitarisch moet zijn. Dat wil zeggen, de prediking moet spreken over de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, de drie Personen van het Goddelijke Wezen. Elk van deze drie Personen heeft in de naleving van het heil voor de gelovige zijn eigen plaats en zijn eigen werk. Professor Kremer sprak dikwijls over het werk van de Vader als de heilsbeschikking, over het werk van de Zoon als de heilsverwerving en over het werk van de Heilige Geest als de heilstoepassing. Dat is een prachtig, praktisch onderscheid in het werk van Vader, Zoon en Heilige Geest. Dit onderscheid doorbreekt niet de eenheid, maar onderstreept deze juist. Het gaat de Vader, de Zoon en de Heilige Geest om het heil voor mensen. Nu leggen we alle nadruk op wat de Geest doet. Hij past het heil toe. Dat wil zeggen. Hij deelt ons het heil toe, Hij maakt het ons eigen. Hij geeft er ons deel aan. Dat doet Hij op Goddelijke wijze. Daarvoor is ook Goddelijke kracht nodig. Mensen zijn niet bij machte om elkaar in het heil van God te doen delen. Het heil is van God, het moet dus ook door God uitgedeeld worden. Wij zijn uit onszelf ook niet in staat om dat heil te ontvangen, te aanvaarden, te kennen en te beleven. Daar is God Zelf voor nodig. Vroeger zei men: daar moet God Zelf aan te pas komen. En dat is volkomen terecht. Het is de Heilige Geest die dat doet. De Heilige Geest gaat met het Woord zijn eigen weg met mensen.
Als we dus spreken over de noodzaak van trinitarische prediking, betekent dat ook dat we moeten spreken over het werk van God in de mens. Niet alleen het werk van God voor de mens door Christus in de heilsverwerving, maar ook het werk van God in de mens bij de toepassing van het heil door de Heilige Geest. Er zijn tal van teksten in de Bijbel, zowel in Oud als Nieuw Testament, waarin die beleving van het heil en dus het toepassende werk van de Heilige Geest in mensen tot uitdrukking wordt gebracht. Met name de Psalmen van het Oude Testament bieden ons daarvan veel voorbeelden, ook al wordt de naam van de Heilige Geest er niet altijd bij genoemd. Maar ook in de brieven van Paulus komen we de Heilige Geest tegen als de Geest die Christus in ons doet wonen. Ook in de brieven van Johannes komen we de verhouding van Geest en liefde nogal eens tegen. Onze conclusie mag zijn dat ook uit liet oogpunt van de noodzaak van trinitarische prediking de bevinding een legitieme plaats in de prediking mag hebben. Ik moet het zelfs nog sterker zeggen: Het is niet alleen een kwestie van mogen, maar ook van moeten. Als het alleen maar een zaak van mogen was, dan zou immers het aan de welwillendheid, maar ook aan de willekeur van de prediker worden overgelaten of hij op dat onderwerp ingaat of niet. Vanuit zowel de aard van het Woord van God en vanuit de bedoeling die God met Zijn Woord in ons leven heeft, als vanuit de noodzaak van trinitarische prediking moet gezegd worden, dat prediking bevindelijke prediking moet zijn. Bevinding is niet iets extra's dat bij de prediking bijkomt, zoals - men vergeve mij de vergelijking - slagroom soms aan het ijsje wordt toegevoegd. Als men niet genoeg geld heeft kan het ijsje zonder slagroom zich ook goed laten smaken. De prediking is per definitie, dus krachtens haar wezen bevindelijke prediking.

Toch een omstreden onderwerp
En hier komt nu het eigenlijke probleem. Hebben degenen die zo groot bezwaar hadden tegen de verbinding tussen bediening van het Woord en bevinding in de prediking dan helemaal ongelijk? Uiteraard kunnen we niet over ieder die de noodzaak van bevinding in de prediking ontkent oordelen. Wel is het ons bekend dat velen die verbinding niet willen leggen, omdat ze menen dat bevindelijke prediking het zwaartepunt in plaats van naar boven, naar beneden verlegt.
Dat de prediking dus niet meer bestaat in wat God tot ons te zeggen heeft, maar in wat mensen in het platte vlak van hun leven ervaren. Dit bezwaar moet gewogen worden. Het gevaar is niet denkbeeldig dat het inderdaad zo gebeurt. Wij komen het tegen dat de Christen met zijn ervaring de plaats inneemt van Christus, Die door Zijn Heilige Geest ons tot Christen maakt en ons Zijn heil doet ervaren. Daarom is het onderwerp prediking en bevinding een omstreden onderwerp. Het is goed dat wij dat in onze gedachten vasthouden. Men kan met het pleiten voor de noodzaak van bevindelijke prediking een verkeerde kant opgaan. Laat dat heel duidelijk ook nu gezegd mogen zijn. Die verkeerde kant wordt dan gezocht, als de mens zijn ervaring - uiteraard zijn ervaring in de omgang met God - in het middelpunt stelt. Als de prediking opgaat in het beschrijven van alles wat de mens meemaakt en doormaakt als hij tot bekering komt en nadat hij tot bekering gekomen is. Op grond van alles wat tot heden gezegd is zou men kunnen vragen: dat is toch geoorloofd? Dat mag toch gebeuren? De gelovige met zijn ervaring heeft toch recht op een plaats in de prediking? Inderdaad, maar beslissend is welke plaats hij heeft. En hoe men tot het bespreken van die plaats komt.

W.H. Velema

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 oktober 1987

De Wekker | 8 Pagina's

Prediking en bevinding (II)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 oktober 1987

De Wekker | 8 Pagina's

PDF Bekijken